Consequent zijn!
1981-10-09
Wij moeten zonder twijfel consequente christenen zijn. Toch kunnen we daar heel gemakkelijk een verkeerde kant mee opgaan. De H. Schrift wijst ons o.m. op het voorbeeld der wetgeleerden en farizeeën, mensen die zich indringend bezig hielden met de vraag hoe te leven naar Gods geboden. Met fabelachtige scherpzinnigheid ontleedden zij de wet des HEREN. Met ijzeren consequentie voerden zij haar door. Met onverbiddelijke logica volgde de ene conclusie uit de andere. De farizeeën trokken zelfs de uiterste consequentie: zij leerden niet alleen hoe het moest, ze leefden er ook naar.- Jaargang 25
- nummer 36
Toch beschuldigt Jezus hen van een buiten werking stellen van Gods wet en licht dat toe met een voorbeeld uit hun eigen praktijk: wie tegen zijn vader of moeder zegt: het is offergave al wat gij van mij had kunnen trekken, behoeft zijn vader en moeder niet te eren (Mt. 15 : 3, Mc. 7: 8 v.v.). Ook staan zij het heil der mensen tegen: zij maken bezwaar tegen het genezen van een mens op de sabbath, maar passen er intussen wel voor op het eigen kalf in de put te laten verdrinken (Luc. 14: 3 v.v.)! Leringen. die geboden van mensen zijn, gaan nooit verder dan die mensen zelf willen gaan. De grens van hun zelfopoffering is willekeurig, de eis van het gebod nooit uitputtend: men roept zichzelf een halt toe zo gauw men meent dat het offer teveel gevraagd is. Men predikt bijv. naastenliefde, maar zo gauw de naaste een vijand is, is het uit met de liefde (Mt. 5 : 43). Deze wijze van "wetsvolbrenging" laat ten diepste het zondige, onwillige hart ongemoeid en blijkt zich dan ook wonderlijk wel te verdragen met bijv. schandelijke uitzuigerij van maatschappelijk-weerlozen (Mc. 12: 40). Schijnheiligen noemt Jezus hen, temeer daar zij anderen lasten opleggen, die zij zelf met geen vinger aanroeren: zij weten precies hoe te manipuleren om hun eigen strenge voorschriften, indien gewenst, té ontduiken (Matth. 23 : 4, Lucas 11 : 46). Zo bewandelen ze een weg die voert van uiterlijke werkheiligheid naar innerlijke zelfvoldaanheid en uitloopt op hoogmoedige verachting van de goe-gemeente die de wet niet kent.
Oude zonde in nieuwe vorm, want Jezus kan hen bestraffen met de woorden van Jesaja: dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij; tevergeefs eren zij Mij, omdat zij leringen leren, die geboden van mensen zijn (Mc. 7 : 6, 7). Hun hart is verre van Mij ...
en om dat hart is het de HERE begonnen (vgl. Mc. 7: 21-23). Geef Mij uw hart, vraagt God (Spr. 23 : 26). Dat is niet teveel gevraagd voor wie beseft wat Hij ons gegeven heeft. Zijn genade brengt zijn eigen consequentie met zich mee: wie gegrepen is door de overweldigende grootheid van Gods liefde, zal Hem gaarne van harte dienen. Dat is op zichzelf al een consequentie, een "daaruit volgt ... " (dat betekent consequentie eigenlijk), immers: het is onmogelijk dat zo wie Christus door een waarachtig geloof is ingeplant, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid" (H. Cat., Z. 24).
Zo iemand gaat de eis van Gods wet niet uit de weg maar begint met een ernstig voornemen niet alleen naar sommige maar naar alle geboden Gods te leven (H. Cat., Z. 44), en gaat zo nodig tot de uiterste consequentie van grenzeloze naastenliefde met zijn eigen leven als inzet - zelfs al ware die naaste een vijand. Zo hebben niet in de laatste plaats de eerste christengemeenten haar vijanden die haar vervolgden metterdaad liefgehad.
Toch werd dit echt consequent-christelijke leven niet gekenmerkt door de starre uniformiteit van tinnen soldaatjes. We geven een voorbeeld (gemakshalve geciteerd): "Als gelovigen aanzaten aan de maaltijden - ze werden in die dagen door allerlei genootschappen gehouden waren ze zeer omzichtig bij het gebruik van vlees. Wanneer de gastheer niets zei, aten ze alles - net als de andere aanzittenden. Maar als ze hoorden dat het opgediende vlees aan de afgoden gewijd was, raakten ze dat beslist niet aan!" Ogenschijnlijk zit daar weinig lijn in en sommigen zullen zich vast hebben geërgerd of verwonderd over zo'n gebrek aan consequentie. Maar Paulus ziet er wel degelijk lijn in: die eet doet het om de Here, en die niet eet doet het om de Here (Rom. 14: 6). Eten of niet-eten was geen doel in zichzelf, het was niet automatisch een Gode welgevallig goed werk, maar het diende hun slechts als middel..om te laten uitkomen dat zij God lief hadden boven al en hun (bijgelovige) naaste als zichzelf. Ter wille daarvan waren ze bereid alles te doen - of te laten. Zoals bijv. ook Paulus van de ene gemeente wel en van de andere geen "tractement" vroeg (phil. 4 : 15).
Dat is nu echt christelijk consequent zijn: tot alles bereid zijn omwille van de HERE en van de naaste. Het is een hartelijke vreugde in God, door Christus, en lust en liefde om naar den wille Gods in alle goede werken te leven (H. Cat., Z. 33). Anders gezegd: hoe langer hoe meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd te worden, opnieuw beeld Gods te mogen zijn: handelen zoals Hij zou handelen, spreken zoals Hij zou spreken. En wijst zijn Woord ons daarin niet de weg?