Het woordje Amen
1981-10-09
Amen is een klein woord van grote betekenis.- Jaargang 25
- nummer 36
Het is van Hebreeuwse oorsprong en komt van een stam, die betekent: vastheid, zekerheid, bestendigheid. Een verwant woord betekent: deurpost.
Een stevige paal, waartegen men gerust leunen kan. Een ander woord van dezelfde stam is aanduiding voor de gebogen arm van een moeder, waarin een kindje veilig ligt. Het Hebreeuwse woord voor geloof en geloven is ook aanverwant. En dat heeft de betekenis van "een zeker weten en een vast vertrouwen". In Deut. 27 lezen we van zegen en vloek, uitgesproken door de Levieten. Gezegend zal het volk zijn, dat de geboden van de HERE onderhoudt. En vervloekt zal het zijn, als het Gods inzettingen overtreedt. Als de Levieten uitgesproken waren, moest het hele volk zeggen: Amen. Door dit uit te spreken betuigde het volk: wij stemmen daarmee in, het staat voor ons vast dat de zegen ons deel 'zal worden als wij in Gods wegen wandelen. En dat zeker de vloek over ons zal komen als wij eigen zin en lust volgen. Dat heeft, zo zeiden zij daarmee, geldigheid voor ons.
We kennen allen de zegen uit Num. 6: "De HERE zegene u en behoede u; de HERE doe zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig; de HERE verheffe Zijn aangezicht over u en geve u vrede". Onder het Joodse volk werd het later gewoonte om na elke zegenspreuk het "amen" te laten horen. Waarmee men bevestigde, dat men van de zegen van de HERE alle heil verwachtte. Het volk wilde daarmee zeggen: daarop rekenen wij.
Ergens preekte ik voor kort en na deze Aäronitische zegen zong de gemeente: Amen, ja amen. Het kwam bij mij helemaal niet vreemd over.
Wij horen die woorden waarschijnlijk zó vaak en wij kennen ze zó van buiten, dat we vergeten zijn, dat daarin alle heil voor dit en het toekomende leven ligt besloten. Is het soms niet zo, dat we als we de kerk uit zijn al weer vergeten zijn, dat de HERE ons wil zegenen met vrede en troost? Als wij tenminste gelovig die zegen aanvaarden en ons leven zo schikken en richten, dat geen vloek ons moet treffen. Zou het vreemd zijn als wij die zegen lieten volgen met een krachtig: Amen, ja amen?
Dat kán vanzelf ook weer sleur worden, maar het zou ons mogelijk tijdelijk uit de sleur halen.
En nu ik toch over zegenspreuken bezig ben, als Paulus een brief klaar heeft, dan eindigt hij vaak met: "De genade van de Here Jezus Christus en de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest met jullie allen". In vele handschriften volgt daarop ons woord amen. Dat is vast en zeker. Het is gewoonte geworden om het woordje: "zij" daarin te voegen. De genade zij met u. Nu staat er in het grieks geen werkwoord bij. Het is dus mogelijk dat de bedoeling is: zij met u; maar het is even goed mogelijk in te voegen het woordje: "is". Ik houd het met de laatste opvatting. En daarmee bedoel ik dan: Die zegen ligt voor u klaar. De HERE zegent liever dan vloeken. Aan Hem zal het niet liggen als we Zijn zegen missen. Dan is het onze schuld. Omdat wij het er naar gemaakt hebben door ongeloof en ongehoorzaamheid.
Het woord komt ook voor in de psalmen. Bijv. zó: Geloofd zij de HERE.
Amen, ja amen. D.w.z. zó is het. Aan Hem komt alle lof toe. Of ook zó: Geloofd zij de HERE God, de God van Israël, Die alleen wonderen doet en geloofd zij Zijn heerlijke naam voor eeuwig en Zijn heerlijkheid vervuIle de ganse aarde! Amen, ja amen. Daarmee betuigt de psalmist zijn zekerheid, dat het zo is en zo moet zijn. Soms staat er: en al het volk zegge: Amen, Halleluja (Psalm 106). Het is prachtig als heel het volk daarmee van harte z'n instemming betuigt.
Bij Nehemia lezen we, dat hij het volk verwijt, dat zij losgekochte slaven weer slaven maakten en dat zij armen verdrukten. Hij laat het volk zweren, dat zij hen vrij zullen laten. En daarop zei de hele gemeente: Amen. D.w.z. dat zullen wij doen. Ze stemden met het voorstel van Nehemia in. Ze loofden de HERE en deden volgens de afspraak.
Als in de gemeente van Korinthe sommigen gaan bidden en danken in tongentaal, alleen voor de bidder verstaanbaar, dan vraagt Paulus in 14 : 16: "Indien gij een zegen uitspreekt met uw geest (in tongentaal) hoe zal iemand, die als toehoorder aanwezig is, op uw dankzegging zijn amen spreken? Hij weet immers niet wat gij zegt". Het zal wel gewoonte zijn geweest - naar joods voorbeeld - dat op een lofverheffing door een voorganger, het "amen" van heel de gemeente volgde. Ik las eens, dat het in de dagen van Augustinus gewoonte was om zijn prediking te beamen. Door te zeggen "amen" of "halleluja". In samenkomsten van het Leger-des-Heils en in die van Pinkstergroepen gebeurt dat nog, als ik het wel heb. Op de televisie zag ik wel eens een bijeenkomst van negers, waar de "amens" en de "halleluja's" niet van de lucht waren. Dat werkte naar mijn indruk niet ordeverstorend. Eén dezer dagen hoorde ik van een samenkomst van geestelijk-gestoorden waar dit ook gebeurde. Een toehoorder vond dit niet storend, maar ontroerend. Dat zal in een massale samenkomst wel niet mogelijk zijn en het komt met onze landsaard ook niet overeen. Wij zouden het "gek" vinden, als zo iets gebeurde. Maar zou het "gek" zijn? Gaat het in onze samenkomsten niet al te rustig toe?
Mag de gemeente alleen met zingen op een preek reageren? Mag iemand, groot of klein, niet eens z'n instemming met het gehoorde uitspreken?
Ik vrees dat er op de preek te weinig wordt gereageerd. Dat hóeft niet kritisch te zijn. Maar ik zou niet weten waarom het niet opbouwendkritisch mag wezen. In kleine gemeenten schijnt het wel gewoonte te zijn samen een preek te bespreken. In onze kringen is het al te zeer een éénmansbediening geworden: Dat is aan niemand speciaal te verwijten.
Als er. van schuld sprake is, dan is het de schuld van ons allen. Maar we mochten gemeenschappelijk wel eens overleggen óf en hóe er wat meer levendigheid en afwisseling in de samenkomsten van de gemeente kan worden aangebracht.
Dan komt het woord vele malen voor in uitspraken van de Here Jezus.
Het is vertaald met: "voorwaar". Letterlijk staat er: amen, amen. Gij kunt er op aan, het staat vast. Vast zijn de beloften van de Here, maar vast ook de dreigingen. Daarop kunnen en moeten we stellig rekenen.
Schriftgeleerden en Farizeeën liepen met hun godsdienstigheid te koop.
Ze stonden op de straathoeken te bidden en ze maakten als zij vastten zich óntoonbaar om zich te vertónen. En dan zegt de Heiland: Amen, voorwaar, zij hebben hun loon al, zij zijn gezien en verder hebben zij geen loon te wachten. We mogen nooit een show maken van onze godsdienstigheid.
De beloften gaan zeker in vervulling, maar de dreigingen ook. We moeten ons er aan wennen volstrekte ernst te maken met de toezeggingen van de . Here. Maar evenzeer met Zijn dreigingen. Als de dwaze meisjes geen reserve-olie meenemen en niet rekenen op een verlate komst van de bruidegom, dan krijgen zij te horen, dat zij beslist niet tot de bruiloftszaal zullen ingaan. De schapen uit Matth. 25, die mensen-in-nood hebben verzorgd, kunnen vast rekenen op loon. "Voorwaar, zegt de Heiland, in zoverre gij dit aan één van deze mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het Mij gedaan".
Maar de "bokken", die mensen-in-nood niet hebben geholpen, krijgen te horen: "Voorwaar, ik zeg u, in zoverre gij dit aan één van deze minsten niet gedaan hebt, hebt gij het ook aan Mij niet gedaan. En deze zullen gaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwige leven".
In 2 Kor. 1 verdedigt Paulus zich tegen de mening der Korinthiërs, dat men op zijn zeggen niet aan kan. Hij schrijft dan: "Bij de trouw van God, ons spreken is niet: ja en neen. Immers, de Zoon van God, Christus Jezus, die in uw midden verkondigd is door ons, door mij, door Silvanus en door Timotheüs, was niet: ja en neen, maar in Hem was het ja. Want hoeveel beloften Gods er ook zijn, in Hem is het: Ja; daarom is ook door Hem het: Amen, tot eer van God door ons".
Dit is een wat duistere zin. Met deze betekenis: Alle beloften van God, onder het O.T. gedaan, zijn in en door Jezus Christus aanvankelijk vervuld.
God heeft door en in Christus ja gezegd. Hij kwam in en door Christus in deze wereld niet met Zijn neen, niet met de bedoeling om te verderven, maar om te behouden. Niet om te veroordelen maar om te vergeven. In Christus hebben de gelovigen alles wat tot hun redding dienen kan en moet. Daar kan de gemeente "ja en amen" op zeggen.
Hier is geen plaats voor neen-zeggen of twijfel, maar het is mogelijk en nodig "amen" te zeggen. We kunnen er op aan, het is waar en zeker!
Bij ons is het woord ",amen" vrijwel alleen over gebleven bij begin en eind van de samenkomsten der gemeente èn aan het slot der gebeden.
Nadat de voorganger heeft uitgesproken, dat onze verwachting is van de HERE, Schepper van hemel en aarde, en aan de gemeente heeft toegevoegd, dat genade en vrede voor haar bestemd zijn van Godswege door Jezus Christus, wordt die groet bevestigd met "amen". Dat is voor ons eigenlijk zonder betekenis geworden. Het is het slot van een formule.
We mogen ons wel herinneren dat het wil zeggen: die genade en vrede is stellig voor jullie bestemd. Al is het mogelijk door ongeloof en onbekeerlijkheid ze af te wijzen.
En zo staat het ook met de zegen, die aan het einde van de samenkomst door de voorganger om zo te zeggen op de gemeente wordt gelegd. Die wordt niet maar toegewenst, maar toegezegd. Het is naar z'n oorsprong allerminst een zegswijze van: nu is het afgelopen. Dát dacht ik vaak als kind. Met een zucht van verlichting. Dat zal het soms (of vaak?) nog wel zijn. Maar het is een krachtige betuiging, dat we gelovig mogen aanvaarden de genade van de Here Jezus Christus en de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest met ons. Dát is het éne nodige, waaraan we genoeg hebben in leven en sterven. De genade van Christus is ons genoeg. En van de liefde Gods kan niets of niemand ons scheiden.
En is er iets rijkers dan dat de HERE door Zijn Geest met ons gemeenschap wil hebben? Dat heil, die zegen wordt ons bevestigd met "amen".
En wij mogen daarop "amen" zeggen. Doen we dat? Doen we dat allen?
Het mag gerust. Als wij Gods beloften geloven en naar het Evangelie leven.
En dan nog het amen, waarmee we onze gebeden besluiten. Betekent dat nog wat voor ons? 't Is prachtig wat de catechismus daarvan zegt: "Het zal waar en zeker zijn, want mijn gebed is veel zekerder van God verhoord, dan ik in m'n hart besef, dat ik zulks van Hem begeer". Ook dit laatste moet waar zijn. Zulks begeer ik echt van God. Dat méén ik. Maar rijker nog is de betekenis: het is waar en zeker, dat dit gebed wordt verhoord!
Die zijn er zeker naar mijn overtuiging. Voorbeelden te over uit de Schrift Ik hoor de tegenopmerking: maar zijn er dan geen onverhoorde gebeden?
en uit de ervaring van ons allen, denk ik.
Doch als wij in oprechtheid bidden om wat God belóófd heeft, dan is het waar en zeker, dat ons gebed door de HERE wordt verhoord. Is dat zeker? Dat is heel zeker. Ontwijfelbaar zeker. Waarom durf ik dat zo te zeggen? Omdat de Here Jezus ons dat ook heeft beloofd. Of zou onze hemelse Vader slechter zijn dan wij mensen, die boos zijn? Wie dát durft beweren, moet wel niet bang zijn. Ik durf het niet en toch niemand die in Hem gelooft?
Nu denken we waarschijnlijk allen wel aan de gelijkenissen van de vragende buurman en het vragende kind uit Matth. 7 en Lukas 11. We kennen hoop ik allen wel die verhalen, onze kinderen denkelijk ook. En anders moeten ze die maar gauw lezen of horen lezen. Een verlegen buurman, die midden in de nacht naar een niet-eens-zo-vriendelijke kennis gaat en vraagt om drie broden die hij nodig heeft, ontvangt ze als hij ze heeft.
En een kind, dat hongerig om brood en vis en een ei vraagt, krijgt geen steen in plaats van brood; en geen slang in plaats van een visje; en geen kreeft voor een ei. Zou onze barmhartige Vader-in-de-hemel dan zijn Geest en Geestelijke gaven niet geven aan wie Hem aanroept in de nood?
Volgens de Heiland kunnen en moeten wij daarop vast rekenen.
Ik leg nog even de nadruk op een woord uit de mond van de Here Jezus: ieder die bidt ontvangt. Ieder! Wie menens vraagt om Gods goede gaven, die Hij Zelf beloofd heeft, mag z'n gebed besluiten met een krachtig: Amen!