De kern van Israëls geloof

2011-11-25
  • Jaargang 55
  • nummer 23
Als iemand mij naar de kern van mijn geloof vraagt, hoef ik daar niet lang over na te denken. Dat is Jezus Christus, mijn gekruisigde en opgestane Heer. Maar wat zou een Israëliet in de tijd van het Oude Testament geantwoord hebben?

De belangrijke oudtestamenticus Gerhard von Rad geeft daar vlak voor de TweedeWereldoorlog een duidelijk en eenduidig antwoord op. De kern van Israëls geloof lag in de heilsgeschiedenis, waarin het God heeft leren kennen als zijn Verlosser. In Deuteronomium 26:5-10 wordt dit geloof prachtig op formule gebracht.
Opvallend is dat de schepping in deze oude geloofsbelijdenis niet wordt genoemd, terwijl deze belijdenis tijdens een oogstfeest moest worden uitgesproken.
Blijkbaar stond de verlossing dus centraal in Israëls geloof.

Dienstmaagd
Von Rad concludeert echter ook dat het geloof in God als Schepper kennelijk geen oorspronkelijk element in Israëls geloof was en daarin pas later is opgenomen, onder invloed van buiten.
Dat de Bijbel met het scheppingsverhaal van Genesis 1 begint, geeft wat dat betreft een verhullend beeld.
Uit de hymnische psalmen en uit het tweede deel van het boek Jesaja zou blijken dat het scheppingsgeloof van oorsprong geen zelfstandige plaats had in Israëls geloof en slechts de functie van een dienstmaagd vervulde.
Het kwam alleen ter sprake om het geloof in God als Verlosser te ondersteunen (zie bijvoorbeeld Jesaja 51:9-16). Von Rad duidt dit in een geruchtmakend essay aan als 'het probleem van het oudtestamentische scheppingsgeloof '.1

Context
Het is leerzaam om de historische context waarin Von Rad schrijft in rekening te brengen. Het is 1936. Op dat moment viert een natuurlijke theologie hoogtij en neemt het nationaalsocialisme schrikbarende vormen aan. Door het eigene van Israëls geloof helemaal in het belijden van Gods verlossingswerk te zoeken, keert Von Rad zich tegen de Duitse kerk van zijn dagen. Die maakte de staat tot iets heiligs door deze als een goddelijke scheppingsorde te beschouwen, met een gevaarlijke 'bloed en bodem'-theologie als gevolg. In het spoor van Karl Barth herkent Von Rad hierin een vorm van heidendom die meer verwant is aan de Baälreligie met haar vruchtbaarheidscultus dan aan het oudtestamentische godsgeloof dat zich op Gods verlossingswerk richt. In deze context is de theologische stellingname van Von Rad te begrijpen en van grote betekenis geweest.2

Invloed
In een latere fase van zijn leven nuanceert Von Rad zijn eerdere stellingname over de vreemde oorsprong van Israëls scheppingsgeloof weliswaar, maar intussen stempelt zijn visie decennialang het veld van de oudtestamentische theologie, tot in Amerika toe. Typerend is de uitspraak van G. Ernest Wright die in 1952 in een toen veel gelezen boek stelt, dat Israël weinig geïnteresseerd was in de natuur, behalve wanneer God die tegelijk met zijn historische daden gebruikte om zichzelf te openbaren en zijn doelen te realiseren.3 Met haar nadruk op de heilshistorie heeft ook onze eigen gereformeerde
traditie zich in de vorige eeuw mede door het denken van Von Rad laten inspireren.

Westermann
De belangrijkste correctie op de eenzijdigheid van Von Rad komt in 1971 van zijn vakgenoot Claus Westermann.
Hij acht het thema van de schepping wel degelijk een integraal en belangrijk onderdeel van Israëls geloof. Om dit aan te tonen vraagt hij aandacht voor de zegen als een zelfstandig en nauw met de schepping verbonden thema in het Oude Testament.
Israëls God handelde niet enkel in daden van bevrijding, maar ook in de alom aanwezige en stille kracht van de vruchtbaarheid. Westermann signaleert daarin zelfs tal van overeenkomsten met de godsdienstige wereld rondom Israël en concludeert dat de mensheid in het geloof in een goddelijke zegenende kracht blijkbaar iets gemeenschappelijks bezit. In alle godsdiensten proberen mensen antwoord te geven op de grondvragen van het bestaan, niet uit intellectuele nieuwsgierigheid, maar om in een bedreigende wereld te kunnen overleven.
Daaruit is het spreken over God als Schepper ontstaan.

Doorwerking
Door aandacht te vragen voor het thema van de zegen in het Oude Testament heeft Westermann onmiskenbaar een belangrijke correctie op de theologie van Von Rad aangebracht.
Bij Von Rad blijft het gewone dagelijkse leven met al zijn overlevingsvragen rond geboorte, voedsel, ziekte etc. teveel buiten beeld. Ook het werk dat God als Schepper doet heeft echter een eigen plek in Israëls belijdenis en lofprijzing. In zekere zin isWestermann met zijn focus op het thema van de zegen programmatisch geweest.
In zijn voetspoor hebben ook anderen de schepping weer een eigen plaats in hun theologie gegeven. Israëls God toont zich van meet af aan ook op het dagelijks leven betrokken, met al zijn wel en wee.
Onderkenning hiervan is een belangrijk winstpunt dat ook voor het christen-zijn vandaag actuele betekenis heeft. Denk aan de overlevingsvragen die meekomen in de milieuproblematiek en in het proces van klimaatverandering.
Het is van belang dat we ons nadenken hierover daadwerkelijk met ons geloof weten te verbinden.

Volksvroomheid
Problematisch bij Westermann is wel dat hij via het thema van de zegen tot een nogal algemeen godsdienstige duiding van Israëls geloof neigt. De religieuze ervaring van zegen en vruchtbaarheid ziet hij immers als het gezamenlijk bezit van de mensheid.
Hij kan tot deze duiding komen doordat hij het thema van de schepping niet inhoudelijk met dat van de verlossing verbindt, maar min of meer naast elkaar laat staan. Dat is een zwakke plek in zijn theologie.4 Veel oudtestamentici na hem zijn vervolgens eenzijdig op het algemeen religieus opgevatte spoor van zegen en vruchtbaarheid verder gegaan. De scheppingstradities van Israël zouden nog meer serieus genomen moeten worden en volgens sommigen zou heel de theologie zelfs veel steviger op de pilaren van het scheppingsgeloof gebouwd kunnen worden. Dit pleidooi hangt samen met de veronderstelling dat het Oude Testament in zijn huidige vorm een vertekend beeld geeft van Israëls geloof. Daarin wordt namelijk aan het verhaal van de uittocht en de daaruit voortvloeiende heilsgeschiedenis een te grote plaats toegekend. Tegelijk worden de Kanaänitische natuurgodsdienst en de daarmee verbonden volksvroomheid gedemoniseerd. De archeologie en het godsdiensthistorisch onderzoek zouden de gedachte dat aan Israëls uittocht-ervaring prioriteit moet worden gegeven echter al lang hebben ondergraven. Daarom kan de kern van Israëls geloof, zo is de gedachte, in feite niet meer sec vanuit het Oude Testament worden gedefinieerd. Het geloof van Israël komt beter in beeld wanneer gekeken wordt naar de volksvroomheid, zoals talrijke opgegraven godenbeeldjes en zegelafdrukken die laten zien.

Ideologisch
Archeologisch- en godsdiensthistorisch onderzoek geven inderdaad een concreet beeld van hoe de volksvroomheid er in Israël uitzag. Maar dit onderzoek krijgt ideologische trekken als het wordt ingezet om het oudtestamentisch credo van de verlossing naar het tweede plan te schuiven.
Ook wordt de ontdekking van het nauw met zegen en vruchtbaarheid verbonden volksgeloof in Israël wel aangegrepen om een meer feministisch godsbeeld te promoten. Met alle terechte aandacht voor de thema’s van schepping en zegen in het Oude Testament belanden we dan echter van de regen in de drup.
Niet zelden klinkt er in deze verschuivingen ook een verzet tegen de uniciteit van Gods openbaring aan Israël door. Veelzeggend is dat de het begin van de vorige eeuw gedane uitspraak, dat het zaad van Gods openbaring niet alleen op Joodse bodem is uitgestrooid, in een belangrijke studie over de schepping in de Bijbelse theologie nu weer met instemming wordt aangehaald.5

Geloofsbeleving
In verband met deze verschuivende panelen binnen de Bijbelwetenschap is het goed om ook kritisch naar onze eigen christelijke geloofsbeleving te kijken. Ook daarin heeft de ervaring van de zegen en leven scheppende kracht van God een grotere plaats gekregen.6 Daar is veel goeds van te zeggen, want de aanwezigheid van God die we in Christus hebben leren kennen kun je ook ervaren in een vogel die zingt, in het herstel van een operatie en in een huwelijksjubileum dat je geschonken wordt. Wel moeten we dan op onze hoede zijn dat we Gods zegen niet enkel met scheppingservaringen verbinden. Dan lopen we het risico om van de beleving van Gods zegen een algemeen religieus fenomeen te maken dat los staat van onze belijdenis van Christus' verlossingswerk.
Bemoedigingsteksten op ansichtkaarten (vaak met natuurplaatjes!) bijvoorbeeld kunnen gemakkelijk in het algemeen religieuze blijven steken en daarmee uiting geven aan een vorm van natuurlijke theologie waar het christelijke aan ontbreekt. De schepping en godservaringen die we daarin opdoen zijn bovendien niet zo eenduidig als christenen soms suggereren. Hoe belangrijk is het dan om het mogen delen in Gods zegen in zijn verlossingswerk verankerd te zien en je ook bij ervaringen van pijn en gebrokenheid een in Christus gezegend mens te weten. Omdat in Christus niets je van Gods liefde scheiden kan.

Schepping en verlossing
Waar de christelijke geloofsbeleving in algemeen religieus vaarwater dreigt terecht te komen, kan de theologie van Von Rad met zijn nadruk op Gods verlossingshandelen als de kern van Israëls geloof een nieuwe actualiteit krijgen. Het winstpunt uit de theologie van Westermann kan daarin worden meegenomen. Gods verlossingswerk en zijn scheppingswerk moeten namelijk niet tegen elkaar worden uitgespeeld, maar in relatie tot elkaar worden gezien. Feitelijk geeft het credo van Deuteronomium 26:5-10 daar al een handvat voor. Israëls verlossing uit Egypte mondt namelijk uit in het geschenk van een land dat overvloeit van melk en honing.
Deze ervaring van Gods zegen moest Israël op zijn oogstfeesten echter wel met Gods verlossingswerk verbinden om niet aan een algemene religieuze geloofsbeleving ten prooi te vallen.

Christus centraal
Dat is ook voor ons christelijk geloof van belang. Juist omdat de zegen van God geen natuurlijke vanzelfsprekendheid is en in de werkelijkheid van een gebroken schepping ook niet ongebroken ontvangen en beleefd kan worden. Ervaringen van zegen in ons dagelijks leven zullen ons daarom altijd weer van Gods scheppingswerk naar zijn verlossingswerk moeten leiden.
En andersom moeten we de ervaring van Gods verlossingswerk ook steeds weer met de schepping verbinden.
Omdat God met zijn verlossingswerk niet alleen de mens en zijn individuele heil, maar het geheel van zijn schepping op het oog heeft (vgl. Romeinen 8:21). Christus is en blijft dan de kern van ons geloof dat we in de context van Gods schepping mogen belijden en beleven.

Dr. Jaap Dekker is predikant van de NGK van Enschede en docent Bijbelvakken aan de Nederlands Gereformeerde Predikantenopleiding.

Noten
1. G. von Rad, ‘Das theologische Problem des alttestamentlichen Schöpfungsglaubens’. In: P. Volz e.a. (red.),Werden undWesen des Alten Testaments, Berlin 1936, p.138-147.
2. Vgl.W. Brueggemann, ‘The Loss and Recovery of Creation in Old Testament Theology’, Theology Today 53/2 (1996), p.177-190.
3. G.E.Wright: GodWho Acts: Biblical Theology as Recital, Londen 1952, p.179-180.
4. Zie de bespreking van de theologie vanWestermann door drs. Henk de Jong, Studiemap TSB D5. Zie onder: www.ngk.nl/ngp/NGP-studiematdejong.htm
5. O. Keel & S. Schroer, Schöpfung. Biblische Theologien im Kontext altorientalische Religionen, Göttingen 2002, p. 17.
6. Zie de artikelen die drs. Jan Mudde daarover vorig jaar in Opbouw schreef.
www.opbouwonline.nl (art.nr 7623, 7635, 8043).

Deuteronomium 26:5-10 'Mijn vader was een zwervende Arameeër. Hij trok naar Egypte en woonde daar als vreemdeling met een handvol mensen, maar ze groeiden uit tot een zeer groot en machtig volk. De Egyptenaren begonnen ons slecht te behandelen: ze onderdrukten ons en dwongen ons tot slavenarbeid. Toen klaagden we de HEER, de God van onze voorouders, onze nood. Hij hoorde ons hulpgeroep en zag ons ellendig slavenbestaan.
En de HEER bevrijdde ons uit Egypte, met sterke hand en opgeheven arm, op angstaanjagende wijze, met tekenen en wonderen.

Hij bracht ons hierheen en gaf ons dit land, dat overvloeit van melk en honing. HEER, hierbij breng ik u de eerste opbrengst van het land dat u me gegeven hebt.'

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief