DE DUIVEL
1981-10-16
Onlangs zijn er in de dierentuin van Rhenen enkele leeuwen uitgebroken.- Jaargang 25
- nummer 37
De consternatie was groot en de dieren zijn afgemaakt, omdat ze een bedreiging vormden voor de burgerij.
Je had daar toen in dat stadje zoiets als waar dit tekstwoord uit de brief van Petrus over spreekt: "De duivel gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden".
Je kunt je niet goed voorstellen dat er onder het Rhenense publiek -onzekerheid is geweest over de vraag of het wel echt waar was. Als iemand zou gezegd hebben: ja maar mensen, luister nou eens ... dan zou hij teruggekregen hebben: man, zie je dat nu niet? Want een brullende leeuw zie je niet over het hoofd.
Maar de werkelijkheid waar Petrus over spreekt wordt wèl betwijfeld en ontkend. Er zijn er die zeggen: mens, word nuohter; er is geen duivel.
Terwijl de Bijbel zegt: mens, word nuchter en waakzaam; hij is er wèl.
En behalve dat hij bestaat, gaat hij ook tekeer en zoekt rond wie hij zou kunnen verslinden. In het gewone leven kan een brullende leeuw dus niet over het hoofd gezien worden. Maar in de onzichtbare wereld waar de Bijbel over spreekt, kan dat blijkbaar wel. Zeker in onze zintuigelijke cultuur. Er is namelijk in dié wereld geloof nodig om te zien.
Alleen wie gelooft, ziet de duivel. Niet z'n gestalte - wat zouden we daar voor zinnigs over kunnen zeggen? - maar z'n bezigzijn. En hoe sterker je gelooft, des te duidelijker zie je hem. Zo komt het dat Jezus Christus hem het duidelijkst gezien heeft; en het meest van allen in de Bijbel over hem spreekt. Vindt u dat niet vreemd? Misschien wilt u dat wel helemaal niet waar hebben. Misschien denkt u wel: die antieke Bijbel, - nou ja, maar Jezus, - Die wil ik er toch wel uit overhouden. Die is tenminste nuchter en brengt de dingen terug tot hun eenvoudigste vormen.
Ja, - dan is juist Hij het, die zijn discipel Petrus iets hoort zeggen en dan reageert: ga weg, achter Mij, Satan, want gij zijt Mij een aanstoot ...
In wat Petrus zei, zag Jezus dus het werk van zijn grote tegenstander.
En steeds zag Hij die aan het werk. Waarom Hij ons ook heeft leren bidden tegen hem: en verlos ons van de boze ... Dat juist Jezus het zo dringend over hem heeft, ja, dat is frappant.
Of is dat misschien toch niet zo frappant? Daar is namelijk wel een verklaring voor te geven. U moet weten dat er in alle godsdiensten op de wereld wel duivels rondspoken: boze geesten, demonen, het occulte, de djinns uit de wereld van de Islam. Maar dat al deze kwelgeesten met z'n allen onder één baas staan: dé duivel, dé satan., dé tegenstander van God, die al die helse legioenen aanvoert in zijn strijd tegen de Almachtige dàt vind je alleen in de Bijbel. Dààr weten de religies niets van.
En hoe komt dat? Omdat in de Bijbel sprake is van Gods liefde en zijn plan tot verlossing van deze wereld. Daar is de duivel zó slecht over te spreken dat hij alles doet om die liefde en dat plan te dwarsbomen.
Alles. Kan hij overal elders in de wereld het werk aan lagere geesten overlaten, om zo zelf op de achtergrond te blijven en als het ware vakantie te nemen, - daar waar het evangelie van Jezus Christus verkondigd wordt, komt hij hoogst persoonlijk zelf op het toneel om de mensen daarbij weg te halen. Hij wil niet dat u behouden wordt.
Zo wordt duidelijk waarom juist de Bijbel hem bij name noemt. Zo wordt ook duidelijk waarom juist Jezus Christus het vaakst over hem spreekt.
Want Jezus Christus is de verpersoonlijking van Gods liefde en Hij is de brenger van het heil dat God voor ons bestemd heeft. Daarom kreeg Hij het meest met hem te maken. En dat krijgt Hij nóg.
Dus, daar waar God met zijn heil komt, wordt de duivel wakker en wordt hij gedwongen zijn gezicht te laten zien. Op andere plaatsen en tijden kan hij het zich veroorloven om een dutje te doen en het gevangen houden van mensen en gemeenschappen aan zijn personeel over te laten.
Hij kan dan zelfs het gerucht verspreiden dat hij niet bestaat. En dat gerucht heeft dan een sterke schijn van waarheid. Dat zou je zelfs- zijn grootste troef kunnen noemen: het in zekere zin geloofwaardige gerucht verspreiden dat hij niet bestaat.
Maar waar de krachten van het Koninkrijk der Hemelen aan de dag treden, daar wordt dat gerucht van zijn niet-bestaan ontzenuwd. Daar wordt hij ontmaskerd, bij zijn werkelijke naam genoemd en zo eigenlijk al onttroond. Want hem noemen, hem bij zijn ware naam noemen, dat is al een begin van heersen over hem. Zoals Adam de dieren namen gaf en daarmee zijn heerschappij over hen oprichtte.
Aan een bekend iemand werd eens de vraag gesteld: gelooft u in de duivel? Nee, zei hij, ik geloof niet in de duivel, ik geloof in Jezus Christus.
Dat was een gevat antwoord, waarin gebruik gemaakt werd van het feit dat de vraag wat ongelukkig gesteld was. Maar voor de rest gaf degene die dit zei toch geen goede voorlichting. Beter had hij kunnen zeggen: In de Bijbel ontmoet ik Jezus Christus en in de mate waarin ik in Hem geloof als de Zoon van God, in die mate· zie ik ook zijn tegenstander, die alles doet om juist zijn Heilandswerk kapot te krijgen.
Het is daarom ook geen goed teken dat tegenwoordig in de kerken zo weinig over hem gesproken wordt, zo weinig tegen hem gewaarschuwd wordt. Dat wijst er niet op dat wij verlicht zijn. Veeleer blijkt daaruit dat wij slapen.
Wanneer het geloof op een laag pitje staat, dan zien we niet meer dat Jezus Christus ons betrekt in een strijd op leven en dood; in een strijd die de wereld en de geschiedenis omspant; in een strijd die Jezus Christus zelf - als ik dat zo mag zeggen - slechts met pijn en moeite gewonnen heeft en wint en waarin Hij vraagt om onze waakzaamheid en onze gebeden. Het is de strijd tegen de duivel en zijn ganse rijk.
Maar wanneer ons geloof verkommerd is, zien we die strijd niet meer.
Dan zien we niet meer wat Petrus zag toen hij midden in de evangelieverkondiging stond, dat namelijk de duivel rondgaat als een brullende leeuw, zoekende wie hij zou kunnen verslinden. Hij raast als een overwonnen vijand, dat is waar, maar wat ráást hij!
Hij gaat ook rond in onze tijd, in onze stad, in onze levens. Als een verscheurend dier. Hij gaat rond in de ideologieën van buiten de kerk; hij gaat rond in de dwaalleer van binnen de kerk; in de zelfhandhavingsleer van de rijken en in de zelfverlossingsleer van de armen.
Maar ook dichter bij huis is hij. Stokend in huwelijken en als verwoester van gezinnen. Als zaaier van onvrede in het eigen hart. Alles gebruikt hij.
Zowel het werk dat u heeft als de werkloosheid die u heeft. Ook over de laagste drempeltjes laat hij u struikelen. Eén kleine misstand in de kerk waar u lid van bent en het is voor u voldoende om niet meer te gaan.
Dat is van hem. Hij is tevreden wanneer u nooit meer gaat.
Hij is er op uit de geestelijke weerstand van de mensen te breken. Hij voert ze weg uit de wereld van de Geest en leidt ze heen naar de trog van de materiële welvaart. En als hij ze daar heeft, dan neemt hij ze ook dat 'nog af. Zodat hij altijd bedriegt. Vader der leugen, zo typeerde Jezus hem.
Jaag ik u met dit alles de stuipen op het lijf? Als dat eens kon! Als ik u eens heilzaam aan het schrikken mocht brengen! Daar wil ik in uw ogen best een naarling voor zijn.
Maar gelóóf het dan wel! En wedersta hem. Gun hem de overwinning niet.
Wedersta hem, vast in het geloof. Geloven is: naar Jezus Christus gaan.
En in Christus staat u niet machteloos tegenover hem. Ook het gebed is een machtig wapen in de strijd tegen hem.
Gek eigenlijk. Bij die leeuwen van Rhenen zou ik niet graag het advies geven: wedersta ze! En hier zeg ik het rustig. Zo koninklijk is een mens nu door Christus, dat dit tegen hem gezegd kan worden: wedersta de duivel; wedersta niemand minder dan de overste van deze wereld. Hoe is het mogelijk! Met Christus is het mogelijk.
Middagpauzedienst in de Engelse Hervormde Kerk op het Begijnhof te Amsterdam op woensdag 16 september 1981.