Mosterdzaadjes en olifanten
1981-10-16
Mevr. Betty Schimmel-Heynis, lid van onze gemeente in Amsterdam-Centrum, vertaalde het laatste hoofdstuk van het boekje van C. S. Lewis 'Fern-seed and Elephants and other essays on Christianity' en gaf mij daarvan een copy. Ik heb er zo van genoten, dat ik het met haar toestemming in ons blad publiceer.- Jaargang 25
- nummer 37
H. de Jong
Deze lezing is voortgekomen uit een gesprek dat ik een tijdje geleden had met de rector. Er lag toevallig een boek van Alec Vidler op tafel, en ik gaf mijn reactie op het soort theologie dat het bevatte. Mijn reactie was haastig en onwetend, naar voren gebracht met de vrijmoedigheid, die je na de maaltijd hebt. Van het één kwam het ander en voor ik het wist had ik heel wat meer gezegd dan ik van plan was over de manier van denken, die voorzover ik weet heerst aan veel theologische opleidingsinstituten.
Toen zei hij: "Ik wou dat je dit allemaal tegen mijn studenten kwam zeggen".
Natuurlijk was hij zich ervan bewust, dat ik heel weinig van de zaak afwist. Maar zijn idee was, denk ik, dat je als theoloog behoort te weten hoe een bepaald soort theologie op een buitenstaander overkomt. Ook al heb ik misschien niets dan misverstanden te bieden, u behoort te weten dat die misverstanden bestaan. Zulke dingen zie je gemakkelijk over het hoofd, als je binnen je eigen kringetje blijft. De breinen waarmee u elke dag omgaat zijn beïnvloed door dezelfde studie en dezelfde heersende meningen als het uwe. Daar kunt u door misleid worden. Want als geestelijken zult u natuurlijk met de buitenstaanders om moeten gaan. Tenslotte is dat uw bestaansrecht. Als herders behoort u schapen te bestuderen, geen andere herders, behalve als bijkomstigheid. En wee u, als u het evangelie niet verkondigt! Ik ben niet iemand die probeert zijn grootmoeder te onderwijzen. Ik ben een schaap, dat de herders vertelt wat alleen een schaap hen kan vertellen. En nu begin ik te blaten.
Er zijn twee soorten buitenstaanders: de onontwikkelden, en zij die ontwikkeld zijn op een ander terrein dan het uwe. Hoe u met de eerste groep moet omgaan wanneer u er opvattingen op na houdt als die van Bultmann of Tillach of Sölle, weet ik helemaal niet. Ik zie heel goed in - en ik heb me laten vertellen dat u dat ook doet - dat u hen ternauwernood kunt vertellen wat u werkelijk gelooft. Een theologie die de historiciteit ontkent van vrijwel alles, waaraan het christelijk leven en denken twintig eeuwen lang gehecht is geweest; een theologie die elk wonder ontkent of, nog vreemder, eerst de kameel van de opstanding doorzwelgt en daarna blijft steken bij een mug als de wonderbare spijziging - wanneer u èen dergelijke theologie aanbiedt aan een niet-ontwikkeld mens (... ) zal hij het gebodene niet herkennen als christendom. Als hij vasthoudt aan wat hij het christelijk geloof noemt, zal hij de kerk waar dit niet langer geleerd wordt, verlaten en uitzien naar een kerk waar dat wel gebeurt. Als hij met uw versie instemt, zal hij zichzelf niet langer christen noemen en niet meer naar de kerk gaan. Op z'n eigen primitieve manier zou hij veel meer respect voor u hebben wanneer u hetzelfde deed. Een ervaren geestelijke vertelde men dat de meeste 'liberale' dominees, wanneer ze met dit probleem te maken krijgen, het laat-middeleeuwse idee van de Twee Waarheden van stal halen: een waarheid in beelden, die aan het volk gepredikt kan worden, en een waarheid voor ingewijden, speciaal voor de geestelijkheid.
Ik denk niet dat u veel plezier aan dit idee zult beleven, wanneer u het eenmaal in praktijk bent gaan brengen. Als ik 'beeldwaarheden' zou moeten voorschotelen aan een gemeentelid in grote zielsbenauwdheid of onder zware verzoeking, en ik zou ze naar voren moeten brengen met de ernst en het vuur dat zijn situatie vereiste, terwijl ik er al die tijd zelf niet in geloofde - behalve op een hele vergezochte. manier - dan zou ik beginnen te zweten en rood worden en de neiging krijgen om m'n boordje los te maken. Maar dat is uw probleem, niet het mijne. U draagt tenslotte een ander soort boordje. Ik reken mezelf tot de tweede groep buitenstaanders: ontwikkeld, maar niet in theologisch opzicht. Hoe een vertegenwoordiger van deze groep erover denkt, moet ik u nu proberen te vertellen.
Het ondermijnen van de oude orthodoxie is voornamelijk het werk geweest van godgeleerden die zich bezighielden met Schriftkritiek, het Nieuwe Testament betreffende. Op grond van het gezag van deze experts wordt ons gevraagd om een groot aantal geloofsartikelen op te geven, die we gemeen hadden met de vroeg-christelijke kerk, de kerkvaders, de middeleeuwen, de hervormers en zelfs de 1ge eeuw. Ik wil uitleggen waarom ik zo sceptisch ben over dit gezag. Allemaal onwetendheid, zoals ,u onmiddellijk zult zien. Maar de scepsis is de vader van de onwetendheid.
Het is moeilijk om een bepaalde studie vol te houden als je al op het eerste gezicht geen vertrouwen' in je leraren kunt opbrengen.
Allereerst dus: wat deze mensen dan ook waard mogen zijn als Bijbelkritici, ik wantrouw hen als kritici. Ze maken op mij de indruk literair oordeelsvermogen te missen. Ze hebben geen orgaan om waar te nemen van welke aard de teksten zijn, die ze lezen. Dat lijkt een vreemde 'beschuldiging om in te brengen tegen mensen die hun hele leven tot over hun oren in deze boeken hebben gezeten. Maar misschien is dat juist het probleem. Zo iemand heeft zijn jeugd en volwassenheid besteed aan het bestuderen van de Nieuw Testamentische teksten en wat anderen daarover geschreven hebben. Zijn literaire ervaring met die teksten mist elke vergelijkingsmaatstaf, omdat die alleen kan groeien uit een brede, diepe ervaring met literatuur in het algemeen. Hij zal heel gauw de meest opvallende dingen ervan over het hoofd zien. Als hij mij vertelt dat iets in een Evangelie een legende of een mythe is, wil ik weten hoeveel legenden en mythen hij gelezen heeft, hoe goed zijn gehemelte getraind is om ze aan hun smaak te herkennen; niet hoeveel jaar hij met dat Evangelie bezig is geweest. Maar ik kan beter voorbeelden noemen.
In een commentaar dat alweer verouderd is, lees jk dat het Evangelie naar Johannes door een bepaalde theologische school beschouwd wordt als een 'geestelijke fantasie', 'een gedicht, geen geschiedenis', vergelijkbaar met het boek Jona, Paradise Lost van Milton, of, wat precieser, "Een christenreis" van John Bunyan. Als iemand eenmaal zoiets gezegd heeft, waarom zou je dan nog luisteren naar wat hij beweert over enig ander boek in de wereld?
Merk op dat hij de "Christenreis", een boek dat zich duidelijk als een droom aandient en te koop loopt met z'n allegorisch karakter door elke eigennaam die erin voorkomt, als de meest nauwkeurige parallel beschouwt (.... ) Maar zelfs als we de meer kolossale absurditeiten buiten beschouwing laten en ons tot Jona beperken, is de ongevoeligheid groot.
Jona, een verhaal dat net als Job bijna geen historische verbindingen heeft, met gebeurtenissen die fantastisch zijn, en met een duidelijk (hoewel natuurlijk altijd opvoedend) vleugje typisch Joodse humor. Wendt u nu tot Johannes. Lees de dialogen: die met de Samaritaan se vrouw bij de bron, of die volgend op de genezing van de blindgeborene. Kijk naar de beelden. Jezus met z'n vinger krabbelend (als ik dat woord mag gebruiken) in het zand; het onvergetelijke '... en het was nacht (13 : 30). Ik heb m'n hele leven gedichten, fantasieën, droomliteratuur, legendes en mythes gelezen. Ik weet hoe ze zijn. Ik weet dat niet één ervan zó is.
Over deze tekst zijn maar twee opvattingen mogelijk: Of dit is reportage - hoewel er ongetwijfeld vergissingen in kunnen zitten - die behoorlijk nauwkeurig de feiten volgt. Of anders is een onbekende schrijver in de tweede eeuw, zonder dat ons voorgangers of opvolgers bekend zijn, plotseling vooruitgelopen op de vertel techniek van een moderne, realistische roman. Als het onwaar is, moet het een dergelijk verhaal zijn. Een lezer die dit over het hoofd ziet heeft eenvoudig nooit leren lezen (... ).
Hier is een ander staaltje, ditmaal uit Bultmanns 'Theologie van het Nieuwe Testament': '"Zie eens hoe vreemd en slecht passend de voorzegging van de wederkomst volgt op de voorzegging van het lijden" (Marcus 8). Wat bedoelt hij in vredesnaam? Vreemd en slecht passend? Bultmann gelooft dat voorzeggingen van de wederkomst ouder zijn dan die van het lijden. Daarom wil hij geloven - en gelooft hij ongetwijfeld ook dat er, wanneer beide in dezelfde passage voorkomen, een ongelijkheid waarneembaar moet zijn. Maar hij schrijft dit wel aan de tekst toe met een schokkend gebrek aan waarnemingsvermogen. Petrus heeft beleden dat Jezus de Gezalfde is. De flits van heerlijkheid is nauwelijks voorbij of de donkere profetie begint - dat de Zoon des Mensen moet lijden en sterven. Dan wordt het contrast herhaald. Petrus, voor een ogenblik omhooggetild door zijn belijdenis, doet zijn verkeerde stap; de vernietigende afwijzing 'Achter mij' volgt. Dan, terwijl Petrus zoals gewoonlijk tijdelijk tot een ruïne gereduceerd wordt, richt Jezus zich over zijn hoofd heen tot de schare en vat de moraal samen. Al zijn volgelingen moeten het kruis opnemen. Dit vermijden van het lijden, deze zelfhandhaving, daar gaat het niet om in het leven. Dan volgt, nog duidelijker, de roeping tot martelaarschap. Je moet blijven bij je keuze. Als je Christus hier en nu verloochent, zal hij jou later verloochenen. Logisch en emotioneel is de opeenvolging perfekt. Je moet Bultmann heten om er anders over te denken.
Tenslotte, van dezelfde Bultman: 'De persoonlijkheid van Jezus is niet belangrijk voor de verkondiging van Paulus of die van Johannes. Het is zelfs zo dat de traditie van de vroegste kerk niet eens bewust een beeld van zijn persoonlijkheid bewaarde. Elke poging om een dergelijk beeld te reconstrueren blijft een spel van de subjectieve fantasie’. Zo, dus in het Nieuwe Testament wordt ons geen, persoonlijkheid van de Heer voorgehouden?
Wat voor vreemd proces heeft deze geleerde Duitser doorlopen om zichzelf blind te maken voor wat iedereen ziet behalve hij?
Wat hebben we voor bewijs dat hij die persoonlijkheid zou herkennen als hij er was? Want het is hier Bultmann tegen de gehele wereld. Als er iets is wat alle gelovigen - en zelfs vele ongelovigen - gemeen hebben, dan is dat het besef dat ze in de Evangeliën een persoonlijkheid hebben ontmoet. Er zijn figuren van wie we weten dat ze historisch zijn, maar van wie we niet het gevoel hebben dat we hen persoonlijk kennen, bv. Alexander de Grote en Willem van Oranje. Er zijn er ook die er geen aanspraak op maken echt bestaan te hebben, maar die we desondanks kennen zoals we echte mensen kennen: Falstaff, Uncle Toby, Mr. Piekwiek (figuren uit de Engelse literatuur, vert.). Maar er zijn er maar drie die" terwijl ze de eerstgenoemde soort werkelijkheid claimen, bovendien de tweede soort bezitten: de Socrates van Plato, de Jezus van de Evangeliën en de Johnson van Boswell. Dat we hen kennen, uit zich in duizend en één dingen. Als we de apocriefe evangeliën lezen, horen we onszelf steeds zeggen over de een of andere uitspraak: 'Nee. Het is mooi gezegd, maar niet van Hem. Zo sprak hij niet', (... ). We worden in het minst niet in verwarring gebracht door de contrasten in het karakter van elk van de drie: (.... ). In Jezus, de eenheid van zijn ondraaglijke strengheid en zijn onweerstaanbare tederheid. Hij zegt dingen die, wanneer Hij niet de vleesgeworden God was in de volle zin van het woord, ontstellend hoogmoedig zouden zijn. Toch geloven wij Hem op zijn woord als Hij zegt: 'Ik ben zachtmoedig en nederig van hart' - en veel ongelovigen doen dat ook. Zo sterk is het aroma van zijn persoonlijkheid. Zelfs die passages in het Nieuwe Testament, die zich oppervlakkig gezien voornamelijk bezig houden met het goddelijke, en dat bewust doen, confronteren ons met zijn persoonlijkheid. Ik vraag me af of juist deze passages dat niet meer doen dan andere. 'We hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborene des Vaders, vol van genade en werkelijkheid ... wat wij gezien hebben en wat onze handen getast hebben'. Wat winnen we ermee, als we de schokkende directheid van dit persoonlijk kontakt proberen te ontwijken of weg te werken door gepraat over 'de betekenis waarvan de vroege kerk ontdekte, dat ze zich gedrongen voelde die aan de Meester toe te schrijven'? Het springt ons in het gezicht. Niet waar zij zich toe gedrongen voelden, maar wat hen drong. Ik begin te vrezen dat Bultmann met persoonlijkheid bedoelt wat ik onpersoonlijkheid zou noemen: datgene wat je zou vinden in een artikel in de 'Dictionary of National Biography' of een In Memoriam of een werk, getiteld "Leven en brieven van Yeshua bar Yosef" in drie delen met foto's.
Dat is dan mijn eerste 'blaat'. Deze mensen vragen mij te geloven dat zij tussen de regels van de oude geschriften door kunnen lezen. Het bewijsmateriaal laat zien dat ze niet eens in staat zijn de regels zelf te lezen.
Ze beweren mosterdzaadjes te kunnen zien en kunnen geen olifant zien die op klaarlichte dag tien meter van hen af staat.
Nu mijn tweede 'blaat'. Alle liberale theologie gaat vanaf een bepaald punt - en vaak van het begin tot het eind - gepaard met de bewering dat het werkelijke gedrag, doel en onderwijs van Jezus al heel gauw verkeerd begrepen en voorgesteld werden door zijn volgelingen, om pas door hedendaagse geleerden opgespoord of herontdekt te worden. Nu had ik, lang voordat ik geïnteresseerd raakte in theologie, dit soort theorie al elders ontmoet. De studie van de Antieke Filosofie werd er nog door overheerst toen ikzelf student was. Er werd je bijgebracht dat de werkelijke bedoeling van Plato verkeerd was begrepen door Aristóteles en dat de Neo-Platonisten er een karikatuur van gemaakt hadden, maar dat de modernen Plato's bedoeling herontdekt hadden. Gelukkigerwijs was nu gebleken dat Plato al die tijd een Engelse volgeling van Hegel (Duitse filosoof aan het begin van de 19e eeuw, vert.) was geweest, zoiets als T. H. Green. Nu ik zelf wetenschapper ben, heb ik het verschijnsel voor de derde keer ontmoet. Elke week is er een slimme student en vier keer per jaar een saaie Amerikaanse lector die ontdekt wat nu ècht de betekenis is van een of ander toneelstuk van Shakespeare. Maar deze derde keer ben ik in een bevoorrechte positie. De revolutie in het denken en voelen die tijdens mijn leven heeft plaatsgehad, is zo groot dat ik, geestelijk gesproken, veel meer behoor bij de wereld van Shakespeare dan bij die van zijn recente uitleggers. Ik zie - ik voel het in mijn botten - ik weet met absolute zekerheid - dat de meeste van hun interpretaties onmogelijk zijn; ze veronderstellen een benaderingswijze, die in 1914 nog niet eens bekend was, laat staan ten tijde van Shakespeare. Dit bevestigt dagelijks mijn argwaan ten aanzien van een soortgelijke benadering van Plato of het Nieuwe Testament. De gedachte dat welke mens of schrijver dan ook duister zou zijn voor degenen die in dezelfde cultuur leefden, dezelfde taal spraken, dezelfde voorstellingswereld en onbewuste uitgangspunten hadden, en toch volkomen doorzichtig voor degenen die geen van deze voordelen hebben, is naar mijn mening ongerijmd. De onwaarschijnlijkheid ervan kan door bijna geen enkel argument of bewijs gecompenseerd worden.
Ten derde vind ik bij deze theologen een voortdurend gebruik van het principe: 'wonderen gebeuren niet'. Wanneer dus de oude geschriften onze Heer een woord in de mond leggen dat een voorzegging van de toekomst zou betekenen als hij het werkelijk gesproken had, neemt men aan dat zo'n woord is toegevoegd, nadat de gebeurtenis die in het woord voorzegd wordt, plaatsgevonden had. Dat is heel verstandig - tenminste, als wij weten dat een geïnspireerde voorspelling nooit kan voorkomen. Zo is het ook verstandig om alle passages waarin wonderen gebeuren, als onhistorisch te verwerpen, tenminste, als wij weten dat er geen wonderen gebeuren. Nu wil ik hier niet gaan bespreken of wonderen mogelijk zijn.
Ik wil er alleen op wijzen dat dit een puur filosofische vraag is. Geleerden kunnen er als geleerden niet met meer gezag over spreken dan ieder ander.
De stelling: 'als er een wonder bij te pas komt, is het onhistorisch' is een stelling waarmee ze hun studie beginnen, niet één die ze ervan geleerd hebben. Het gezag van alle Bijbelcritici ter wereld bij elkaar is op dit punt niets waard. Hier spreken zij gewoon als mensen; mensen die duidelijk beïnvloed zijn door, en misschien onvoldoende kritisch ten opzichte van de geest van de tijd waarin ze opgegroeid zijn.
(wordt vervolgd)