De les van de kabinetsformatie (2)

1981-10-16
  • Jaargang 25
  • nummer 37
Van de zijde van D '66 is indertijd voorgesteld de minister-president rechtstreeks te kiezen en een districtenstelsel in te voeren voor de verkiezing van het parlement. Gedacht werd hierbij aan een meervoudig districtenstelsel, dus per district meerdere afgevaardigden.
Op deze wijze meende men de band tussen kiezers en gekozenen nader aan te halen. Het probleem van de kabinetsformatie was daarmee vervallen. Immers de gekozen premier kan direct zijn kabinet vormen.
Het is duidelijk, dat D '66 hierbij dacht aan het Amerikaanse systeem met een gekozen (minister)president en districtenstelsel. In dit systeem is wel een twee partijenstelsel nodig.
Op deze wijze zou men ook een duidelijke polarisatie in twee blokken krijgen.
Dat alles is echter moeilijk met ons parlementaire stelsel te verenigen.
Het vertrouwensmandaat tussen parlement en regering zou vervangen worden door een mandaat van de kiezers aan de minister-president.
Het wordt dan een toevallige zaak of parlement en regering zouden harmoniëren. Het partijstelsel was dan vervangen door een quasi presidentieel systeem.
De staatscommissie 1967 heeft voorgesteld tegelijk met de kamerverkiezingen stemming over de formateur te houden. Dat is echter niet gerealiseerd.
Het is ook twijfelachtig of het Amerikaanse systeem wel zo verkieselijk is. De wijze van presidentskeuze is een vreemde aangelegenheid.
Daar is wel eens gesteld, dat alleen eerzuchtige miljonairs en generaals een kans maken. Dat moge wat overdreven zijn, een voorbeeld ter navolging is de presidentskeus niet.
Groter bezwaar is, dat uit het oog verloren wordt, dat in Nederland de fundamentele politieke gegevens anders zijn dan in landen als Engeland en de Verenigde Staten.
In ons land is de situatie zo, dat we politiek verdeeld zijn over een aantal partijen, die naar hun aard niet in staat zijn de meerderheid te behalen.
Het twee partijensysteem zal in Nederland ook niet komen gezien de aard der Nederlanders. Dat is maar goed ook, want een twee partijensysteem leidt onherroepelijk tot vervaging van de principiële lijnen. Dat is nodig om de meerderheid te krijgen. Zodra een partij zich erg principieel of extreem opstelt, graaft die partij daarmee zijn eigen graf. Het lijkt erop, dat de Labourparty in Engeland daar thans mee bezig is.
In ons land zullen dus steeds coalities gevormd moeten worden.
Het gevolg is, dat partijleiders, die in het kabinet zitting nemen, geen partijleider kunnen blijven. In Engeland is dat wel het geval.
In de te vormen coalities zullen de ministers bij ons dan ook altijd wat afstand van hun partij moeten nemen.
Daarom is het ook zeer ongewenst om te streven naar een zeer hechte band tussen regering en kamermeerderheid.
Dat past niet in ons politiek bestel.
De bedoeling van D '66 was om door het stelsel van een gekozen minister-president de landspolitiek uit de sfeer van de partijpolitieke onderonsjes te halen. De leus van D '66 is helaas gebruikt om de greep van de politieke partijen op de landspolitiek te versterken en het parlementaire stelsel nog meer tot een zaak van partijorganisaties te maken. En dat is een slechte ontwikkeling.
Terecht wees prof. dr. A. Donner erop, dat de kamerverkiezing stelselmatig opgeblazen wordt tot een uitspraak van de volkswil, die over de richting van het overheidsbeleid inoet beslissen, en als het kon de minister-president en zijn team aanwijzen. Als deze ontwikkeling doorgaat, valt te vrezen dat kabinetsformaties steeds moeizamer en langduriger worden. Vooral de P.v.d.A. gaat hierin zeer ver. De kamerleden zouden in hun geweten gebonden zijn aan partij programs en andere beloften, die zij gedaan hadden en het zou gewetenloos zijn om na de verkiezingen concessies te doen. Zelfs kwam de gedachte op, dat een kabinet moest bestaan uit kamerleden en de kabinetsformatie vooral een zaak van lijsttrekkers zou zijn.
Het nieuwe kabinet zit dan ook volgestopt met kamerleden. Het is zeer de vraag of we daar zo gelukkig mee moeten zijn.
Ik citeer nog een stukje uit een artikel van Donner in "A.R. Staat kunde" 1978: "De regeringsvorming wordt als een gesloten jacht van de georganiseerde partijpolitiek opgezet, waarbij de problemen van een kabinetsformatie binnen de kring van het parlement en die der "verkozenen" behoren te worden behandeld en opgelost. Alleen een "parlementair" kabinet is een legitiem kabinet en de verkiezingen moeten dan ook bijna automatisch aanwijzen, wie formateur dienen te worden en in welke volgorde zij moeten worden uitgenodigd. Slaagt zulk een formatie niet, dan blijven slechts de alternatieven van een minderheidskabinet of van nieuwe verkiezingen over. Het lijkt allemaal erg duidelijk en simpel, maar het is in waarheid een verkramping, die de regeerbaarheid en dus de leefbaarheid van onze Nederlandse samenleving ernstig bedreigt".
Het is een ongelukkige ontwikkeling, dat men in Nederland in navolging van andere politieke stelseIs het parlement en ook de partijen zelf steeds nauwer heeft betrokken bij de kabinetsformatie. De landspolitiek gaat steeds meer op in de parlementaire partij en beroepspolitiek.
Vergeten wordt, dat het parlement alleen maar het volk vertegenwoordigt.
Identificatie van partij en landspolitiek is een gevaarlijke zaak. Het kabinet behoort boven het partijpolitieke getwist te staan.
Het is ook helemaal niet nodig, dat een lijstaanvoerder minister-president wordt. Het was een goede greep van Van Agt, toen hij zelf de aandacht vestigde op iemand die niet in het parlement zat. Het is ook helemaal geen gelukkige zaak, dat de ministers der Kroon in belangrijke mate voortkomen uit uitgesproken partijmannen. De ministers zijn dan gedwongen steeds maar te zien, of hun groep wel volgt.
Het is ook geen eis van parlementaire democratie, dat een parlementair kabinet voortkomt uit het overleg van fracties en partijleiders.
Het zou voor ons land beter geweest zijn, wanneer, nu financiële en economische problemen op ons afstormen, er een kabinet gekomen was, waarin slechts weinig politiek geprofileerde mensen gezeten hadden.
We gaan steeds meer naar een pseudomonistisch stelsel. Het wordt hoogtijd, dat we terugkeren naar het dualisme. De regering moet een zelfstandig verantwoordelijke volksvertegenwoordiging tegenover zich hebben. Voldoende is daarbij, dat ten aanzien van de hoofdlijnen overeenstemming bestaat.
Prof. Fabius heeft eens gezegd, dat de functie van de Staten-Generaal is "het zijn van het volksgeweten" .
Daarmee is het essentiële van het parlement aangegeven. Ten aanzien van de staatstaak heeft de regering in de eerste plaats de verantwoordelijIkheid.
Het geweten kan alleen oordelen, maar niet handelen. De regering handelt, maar kan alleen rustig handelen met instemming van haar geweten.
Wanneer deze functie van kabinet en parlement bij een kabinetsformatie beter in acht genomen zouden worden, zou dit ons land en volk zeer ten goede komen.
De kabinetsformatie 1981 voldeed niet aan deze eisen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief