NAVOLGERS GODS

1981-10-23
  • Jaargang 25
  • nummer 38
Paulus aan het toneel Je zou van Paulus geen kaartjes voor het toenmalige theater verwacht hebben. Laat staan een uitnodiging om te komen meespelen op het toneel.
Kerk en kunst zijn eeuwenlang beschouwd als een "ongelijk span", tot schade voor beiden.
,,Weest dan navolgers Gods" - achter de coulissen van die keurige vertaling zou Je nauwelijks toneelspelers verwachten. Toch zijn ze er. Paulus heeft het namelijk over mensen die mimètès moeten zijn. Het woord is nog herkenbaar in vernederlandste woorden als mime, mimiek en pantomime.
BIJ dat laatste gaat het om een gebarenspel, waarbij woordeloos maar soms omkranst door muziek en dans iets iemand een situatie wordt uitgebeeld. Zó dat ieder het uitgebeelde direct herkent en begrijpt.
Het woord heeft alles te maken met nabootsen, door houding en gebaar.
Paulus kende het van twee kanten. Eens zat hij in Jeruzalem aan de voeten van Gamaliël. Discipelen van farizeeërs plachten als het even kon hun intrek te nemen bij hun leermeester. Als beste leerling gold hij, die zijn meester In woord, gebaar, intonatie, loop en houding zo nauwkeurig mogelijk nabootste, imiteerde voor het behoud van een mondelinge traditie. Uiteraard een voortreffelijk hulpmiddel.

Volksvermaak
Maar Paulus was, behalve Israëliet, ook nog Romein. En niet alleen vanuit Tarsen moet hij de grieks-romeinse cultuur van dichtbij hebben gekend. In dié cultuur was nabootsing een stukje klein-kunst. Zoiets als bij ons het cabaret, met kunstenaars als Toon Hermans Fons Jansen Wim Kan, Annie H. G. Schmit en wijlen Wim Sonneveld. In de tijd van de romeinse spelers draaide het mime-spel uit op een uitbeelding van het alledaagse leven. Soms caricaturaal of zelfs satirisch doorgaans niet al te subtiel, vaak improviserend. Het was je reinste volksvermaak, vooral omdat de mime dikwijls indecent van karakter wasmeer dan een tikkeltje aan de onbehoorlijke kant.
Toch is Paulus bepaald niet vies van het woord. Hij gebruikt het nogal eens: de gemeenteleden moeten navolgers van Paulus zijn (1 Cor 4 : 16; 11 :1); navolgers van hem en de Heer (1 Thess. 1 : 6) en navolgers van God (Ef. 5 : 1).
Het woord krijgt bij hem een "overdoop". Zeker, maar tegelijk brengt hij de term over van het toneel naar de aIledaagse werkelijkheid. Ogenschijnlijk wat cru gezegd: mensen moet God uitbeelden. Maar lag dat al niet opgesloten in de schepping van de mens als beeld van God (Gen. 1 : 26 v.; vgl. 1 Petr. 4 : 11)?

Christenen in de caricatuur
In het theater kwam ook de alledaagse werkelijkheid voor het voetlicht.
Maar dat was de werkelijkheid van een ontaarde, verduisterde, van God vervreemde wereld (Ef. 4: 18). Niets en niemand was heilig - ook de goden niet. Misschien is zo'n wereld wel "aardig" om daar improviserend over te parodiëren en alles en iedereen aan de kaak te stellen en voor gek te zetten. Maar het was toch niet meer dan een vorm van soms vilein vermaak. Voor mijn gevoel net als bij sommige cabaretiers en in een deel van de moderne literatuur. Misschien zijn wij wel te weinig echte navolgers Gods geweest wanneer Seth Gaikema de tien geboden vervormt en Maarten 't Hart in bijv. "Het vrome volk" dat vrome volk zo subtiel karakteriseert en lachwekkend maakt. Misschien hebben wij, hebben onze denkwijzen, onze spreektaal, onze traditie, onze gedragingen hem en anderen veel stof geleverd. Én reden tot twijfel aan de authenticiteit van het christelijk geloof. Waarom anders is zijn werk voor ons soort mensen zo herkenbaar en aansprekend? Natuurlijk, een caricatuur kán goedkoop zijn. Maar ligt de caricatuur van het christendom alleen in zijn uitbeelding of hebben wij zelf als caricaturen model gestaan?

Echte klein-kunst
Daarom eens te meer: weest dan navolgers Gods. Dat gaat inderdaad om een karakter-uitbeelding en heeft te maken met "als geliefde kinderen wandelen in de liefde zoals ook Christus u heeft liefgehad". Als geliefde kinderen: een kind lijkt toch op zijn (haar) Vader? Daarbij: wandelen in de liefde - onze alledaagse handel en wandel doordrongen van dié liefde die in 1 Cor. 13 in het grieks in de vorm van werk-woorden, doe-woorden beschreven wordt. Zijn we ten opzichte van God, van elkaar, van onszelf "echt" of zijn we een parodie van God, gemeente, geloof?
Het "vrome volk" wordt zichtbaar en herkenbaar in de alledaagse handel en wandel. De echte liefde doet de naaste geen kwaad (1 Cor. 13). Ook de allernaaste niet. Het is soms gemakkelijk om naar buiten een prettig, begrijpend, beminnelijk mens te zijn. Maar diezelfde mens kan naar binnen toe, tegenover zijn allernaaste ongenietbaar zijn, nukkig, egoïstisch, bokkig, ongeduldig, veel - om niet zeggen áIleseisend, egocentrisch. Reken maar dat anderen, zeg een Jan Wolkers, dat dóór hebben en signaleren.
En twijfelen aan onze echtheid, gaafheid ...

Te veel gevraagd?
Ja ja, zeggen we dan - maar ze maken het er ook naar. Thuis en in de kerk. Ze halen je 't bloed onder de nagels vandaan. Daar heeft Paulus dan ook wel een antwoord op: " ... zoals Christus ú heeft liefgehad ... "
Wat ondervond Hij van de mensen, van zijn eigen volk, van zijn allernaasten?
En wat was zijn reactie, zijn antwoord daar op? Schold Hij terug?
Vergold Hij kwaad met kwaad? Ging Hij naar zijn gemoed te werk en schreef Hij hen af? Hoever ging Hij in zijn liefde? Zei Hij: alles heeft zijn grenzen of was zijn liefde grenzeloos?
En wat betekende zó zijn leven voor God en voor de mensen? Het was "Gode tot een welriekende reuk" - een plastisch beeld van het vroegere wierookoffer bij het heilige der heiligen.
Sommige mensen worden bewierookt vanwege hun verdiensten voor de samenleving - misschien krijgen ze een lintje. Zouden ze dat thuis óók krijgen? Of houdt de liefde op wanneer zij kleinschalig moet worden?

Klein-kunst voor groot publiek
God wil ons zien als zijn daad-werkelijke navolgers. En Jezus Christus is daarin onze voorganger en ons voorbeeld. Navolgers niet als hypocriete toneelspelers in de zin van schijn-heiligen. Maar wel als zijn "nabootsers", mensen die Hem uitbeelden in het reusachtige amfitheater van deze wereld met áIle anderen als toeschouwers. Zijn wij herkenbaar als geliefde kinderen van onze Vader? Ook voor Maarten 't Hart en Seth Gaikema?
Laten wij zien en merken wié en hóe God is? Zijn wij echt "het vrome volk"?
Als het goed is zijn wij het levende bewijs dat de caricaturisten het niet goed gezien hebben. De wereld is ons toneel, het aantal toeschouwers is onnoemelijk. Laten wij voor die uitverkochte zaal dan met de voIle inzet de ons toevertrouwde rol spelen: God werkelijkheid, wat God voor ogen staat, uit te beelden in deze van God vervreemde wereld. Zodat van ons gezegd kan worden wat van onze Heer geschreven staat: Hij heeft ons God doen kennen (Joh. 1 : 18; 14 : 9).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief