Over de waarheid (11)

1981-10-23
  • Jaargang 25
  • nummer 38
39. Vervolg van 38: aantekening bij c)
In ons vorige artikel citeerden we uit het rapport de positieve uiteenzetting van wat het nieuwere waarheidsbegrip nu eigenlijk is. We begonnen regel voor regel te overwegen.
Zo bespraken we de opvatting van het rapport dat het nieuwe waarheidsbegrip uitgaat van een "betrokkenheid van de mens bij iets anders", in welke betrokkenheid "de overtuigingskracht van iets anders" mede in het geding is.
Blijkens al het voorafgaande is de bedoeling van deze zienswijze wellicht mede, om nogmaals afscheid te nemen van een objectivistische werkelijkheidsbeschouwing, waarin iets, buiten de mens om, op zich zelf staande "objectieve waarheid"
zou zijn. Voorzover dàt mede de bedoeling zou zijn, verklaarden we al eerder met die afwijzing in te stemmen, echter zonder het alternatief van een versubjectiveerde werkelijkheid te aanvaarden. Daarvan wijst het rapport nl. alleen de extreem-idealistische variant af, terwijl het zelf daarvan m.i. een andere, minder extremistische, variant aanhangt.
We besloten ons vorige artikel met de opmerking dat de nu gepresenteerde waarheidsopvatting zichzelf moet opheffen, als volgens haar de waarheid impliceert dat het "andere" waarover de mens waarheid weet (c.q. spreekt, schrijft, ervaart, overdenkt) overtuigingskracht zou moeten hebben in de betrokkenheid van de mens daarbij.
Nu volgt echter op de besproken uitspraak een voor mij volstrekt onbegrijpelijke aanvulling. Over die "overtuigingskracht van iets anders" wordt nu gezegd dat zij "pas in de mens tot stand komt" (regel d). Alvorens daarover een paar kritische opmerken te maken, letten we eerst nog op de illustratie die deze kernzin van het rapport er zelf bij geeft.

40. Illustratie bij de kerngedachte van het rapport
Het gaat, zo lezen we, in het nieuwe waarheidsbegrip o.a. "om de overtuigingskracht van iets anders (een verkeersteken, een zedelijke overtuiging, een visie, een leerstuk) die pas in de mens' tot stand komt ... " (blz. 14, cursief van mij, A. T.).
Van de voorbeelden die we tussen twee haakjes er bij ontvangen, werd in het voorafgaande alleen dat verkeersteken als een illustratie bij het betoog uitgewerkt, zelfs met een foto er bij. Gezegd werd, dat het verkeersteken menselijk-subjectief is. De mens bedacht het en duidt met het symbool van een pijl de richting aan waarin men verplicht is te rijden. Die verplichting, verkeersregel, maatregel, wordt objectief genoemd en die objectieve regel wordt zichtbaar in het verkeersteken.
Hoewel het rapport dit voorbeeld "eenvoudig" noemt, ontgaat het mij hoe uit dit voorbeeld nu duidelijk moet worden dat de overtuigingskracht van dat andere (in dit geval: de verkeersregel) in mij tot stand komt.
Dat andere (die verkeersregel) is een voorschrift dat wij niet of wel begrijpelijk vinden, wat betreft zijn noodzaak of billijkheid. Op een smal grachtje zal men direct toegeven dat zulk een maatregel begrijpelijk is en in die zin "overtuigingskracht" heeft. Op een brede weg zou datzelfde teken niet voor iedereen zomaar begrijpelijk zijn, zeker niet voor een vreemdeling ter plaatse. Misschien is die maatregel dáár ook wel wat overdreven, zodat het voor de bewoners in de buurt van die brede weg weinig "overtuigend" is, dat dat nu zo nodig moet.
Maar desondanks: iedere automobilist weet wat hem of haar te doen staat: de waarheid van dat verkeersbord in relatie met de automobilist hangt niet af van de "overtuigingskracht" van die verkeersmaatregel of van het verkeersteken zelf, laat staan dat die overtuigingskracht "pas in de automobilist tot stand komt". Hij weet gewoon dat hij verplicht is te rijden in de richting die de pijl aangeeft, ongeacht of hij het er al of niet mee eens is. Dàt is de algemeen, ook voor hem geldende waarheid, en die waarheid komt als objectieve inhoud van subjectieve waarheids-kennis inderdaad in de mens tot stand, nl. wanneer hij bezig is de verkeerstekens in hun vorm en betekenis te leren onderscheiden.
Wie dat goed geleerd heeft, weet de waarheid, nl. dat de pijl op die foto de verplichte rijrichting aanduidt. Die waarheid bestaat en geldt, ongeacht of zij overtuigingskracht heeft of niet, en ongeacht of die eventuele overtuigingskracht al dan niet "in de mens tot stand komt" (wat dat dan ook moge betekenen). Dat is de waarheid zoals wij die in onze moderne omgangstaal "objectieve waarheid" noemen, zonder daarbij bewust of onbewust een wijsgerige waarheidstheorie te hanteren.

41. Aantekening bij d)
Nog aanvullend wat zojuist gezegd is, moeten we opmerken dat het niet alleen onduidelijk, maar ook duidelijk onjuist is wanneer het "nieuwere waarheidsbegrip" de waarheid. (omtrent iets) afhankelijk ziet van, of althans in verband brengt met de "overtuigingskracht" die "iets anders" (nl. dàt iets waaróver het gaat in de waarheid) heeft of uitoefent.
Dat in de bedoelde relatie of betrokkenheid de (m.i. ten onrechte in geding gebrachte) overtuigingskracht van dat andere ook "pas in de mens tot stand komt", is voor mij totaal onbegrijpelijk. Hoe kan nu de overtuigingskracht van bijv. een visie of theorie "tot stand komen" anders dan door haar eigen inhoud, haar eigen argumenten, haar eigen kloppen-op-de-feiten?
Wanneer die argumenten voor mij niet sterk en overtuigd zijn, dan is dáármee nog niets gezegd over die overtuigingskracht zelf. M.a.w. de waarheid is dan nog niet ter sprake.
Want het kan geheel aan mij liggen, wanneer ik niet ontvankelijk ben voor die visie of theorie. Er kan domheid in het spel zijn, of onwil, of gebrek aan "openheid", een geheel andere visie, enz. Dezelfde of vergelijkbare factoren kunnen ook in het spel zijn in het omgekeerde geval, nl. wanneer iemand die theorie óf visie bijvalt, er door overtuigd wordt. Maar hoe de waarheid zelf van die visie, theorie, overtuiging etc. in verband gebracht kan worden met een in mij tot stand komende kracht-van-die-visie etc., is mij compleet een raadsel. Dat wordt nog erger door de toevoeging: "en zichtbaar wordt".

42. Aantekening bij e) Vraag aan de lezers
"En zichtbaar wordt". Mijn onbegrip wil ik graag aan de lezers voorleggen in de vorm van een raadseltje.
Wie het antwoord weet, wordt vriendelijk verzocht het mij te schrijven (adres: Niersstraat 61, 1078 VJ Amsterdam). Het raadsel luidt: "Hoe kan in mij (of in u) zichtbaar worden de overtuigingskracht van bijvoorbeeld" het nieuwere waarheidsbegrip" , welke overtuigingskracht in mij (of in u) tot stand gekomen is?"
Zelf geef ik alvast één mogelijke oplossing van dit raadsel, al zal die niet door iedereen geaccepteerd worden. Ik neem dan het "in de mens ... zichtbaar worden" niet al te letterlijk, en interpreteer het aldus: vanuit de mens naar buiten toe zichtbaar gemaakt.
Als deze interpretatie geoorloofd zou zijn, dan blijft nog wel het voorafgaande raadsel inzake het tot stand komen "in de mens" van de overtuigingskracht-van-iets anders", maar dan zou ik toch een brief kunnen krijgen waarin dit staat: "Mijnheer, de overtuigingskracht van het nieuwe waarheidsbegrip is geweldig. Eerst keek ik er wat vreemd tegen aan, maar door herhaalde lezing van vooral par. 5 en 6 van het rapport, ervoer ik zo sterk de overtuigingskracht van die visie, dat ik er helemaal door overwonnen ben. Niet dat die visie vanuit zichzelf, los en afgezien van mij, die overtuigingskracht in zichzelf bezat, nee, dàt niet. Maar haar overtuigingskracht is in mij tot stand gekomen.
Hoe? Dat mag Joost weten, maar het is gewoon zo. In mij is de overtuigingskracht van het nieuwe waarheidsbegrip niet maar werkzaam geweest, maar zelfs geboren, tot aanzijn gekomen. Want uit zichzelf had zij die overtuigingskracht niet zozeer. En verder is door die in mij tot stand gekomen kracht nu óók (niet vervolgens maar in hetzelfde ondeelbare ogenblik) de overtuiging bewerkt dat het nieuwe waarheidsbegrip juist is, dat er inderdaad zó gedacht moet worden over wat waarheid nu eigenlijk is. Met vriendelijke groeten, etc.".
Zo kan inderdaad niet in, maar buiten iemand zichtbaar worden dat de overtuigingskracht van een visie op iemand heeft in-gewerkt, in iemand gewerkt heeft (wat nog iets anders is dan in hem "tot stand gekomen is"). Maar nogmaals, wat heeft dat zichtbare effect nu te maken met de waarheid of onwaarheid die zulk een theorie al dan niet bevat? Als dàt effect nu eens geheel ontbreekt, zoals o.a. bij mij het geval is, als het nu eens niet "klikt", is er dan geen maatstaf of criterium waaraan onze subjectieve afwijzing getoetst kan worden op haar al of niet juistheid? M.a.w. waar blijft in dergelijke betogen de norm der waarheid, of, zoals men ook wel zegt: de waarheid-als-norm? Welk betoog over het waarheidsbegrip is nu in overeenstemming met de objectieve stand en gang van zaken?
Of bestaat er geen "objectieve" stand en gang van zaken in het waarheidsgebeuren? M.a.w. is er geen waarheidstheorie die aanspraak mag maken op algemeengeldigheid?
Waarom doet dan de Generale Synode van de Geref.
Kerken zoveel moeite om de gelovigen te onderwijzen in háár "nieuwe" waarheidstheorie?

43. Aantekening bij f)
Citaat uit het rapport: "Met andere woorden: er is sprake van een relatie tussen subject en object, sterker nog: een wisselwerking waardoor beide zich eigenlijk pas goed aftekenen".
Wanneer het gehele voorafgaande betoog van paragraaf 5 en 6 nu met deze "andere woorden" is herhaald en zeer kort samengevat, dan vragen we ons toch wel af of de berg een muis gebaard heeft. We kunnen echter ook een vraagteken plaatsen bij de bewering dat wat nu gezegd wordt "met andere woorden" hetzelfde is als wat er aan vooraf ging.

44. Aantekening bij g)
"Er is. sprake van een relatie tussen subject en object". We schreven al dat dit relationele in het verschijnsel "waarheid" een nogal vanzelfsprekende zaak is. Met dit refrein, dat in het hele lied van hoofdstuk I van het rapport telkens weer opklinkt, is echter niets nieuws gezegd, en ook nog niets gezegd over het hoe of wat van die relatie, c.q. betrokkenheid. Relaties tussen subjecten en objecten zijn er ontelbaar veel, maar de kwestie in geding gaat over de aard, het hoe en wat, van de subject-objectrelatie in het verschijnsel "waarheid", wil men: in het waarheidsgebeuren.
Daarover hoorden we in het voorafgaande zowel vanzelfsprekende als onbegrijpelijke dingen vertellen.

45. Aantekening bij h) en i)
"Sterker nog: een wisselwerking"!
De wat flauwe en niets zeggende waarheid-als-een-koe dat er een relatie is tussen subject en object in de waarheidsrelatie, kan inderdaad wel wat "sterker" worden door nu althans iets inhoudelijks van die relatie te zeggen. Het is dus een wisselwerkingsrelatie. Dat is tenminste wàt. Maar het komt nu wel aan op de vraag wat die wisselwerking inhoudt. Want ook met de ponering van wisselwerking kan men heel verschillende en zeer verkeerde kanten uit.
Dat bespreken we dan de volgende week in ons laatste artikel.

(slot volgt)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief