Over de waarheid (12 - slot)

1981-10-30
  • Jaargang 25
  • nummer 39
47. Wat zit : “inéén"?
De hedendaagse wijsbegeerte leert, volgens het rapport, dat de waarheid niet louter objectief is, ook niet louter subjectief, ook niet een optelsom van beide, ook niet een beetje van beide, maar "beide inéén".
Dat wordt dan in par. 5 verduidelijkt (??) met een beeldspraak van drie inéén: de schat in de akker èn het graven èn het vinden. Dit dan wel onder het opschrift van twee inéén, nl. "objectief en subjectief inéén".
Nu zijn we echter een stap verder.
Het is in par. 6 ongeveer duidelijk geworden dat met het "beide inéén" waarschijnlijk bedoeld is dat subject en object met elkaar in een wisselwerkingsrelatie staan, en dat geheel van subject èn object èn de wisselwerkingsrelatie tussen beide, is dan de waarheid. Althans is dit geheel het wezenskenmerk van waarheid.
Deze bijna-duidelijkheid wordt dan wel weer in de uiteenzetting daarna, vermoedelijk in aanpassing aan het niet-wetenschappelijk moderne spraakgebruik, vertroebeld door de inwisseling van de termen subject en object voor de uitdrukkingen: het subjectieve en objectieve aspect, wat eigenlijk heel wat anders is.
Voorts werd de voorstelling van het subject of "het subjectieve" (aspect) met het object of "het objectieve"
(aspect) samen inéén in de waarheidsrelatie, niet weinig vertroebeld door als conclusie ("dus") te praten over een andere twee inéén, nl. de waarheid èn het subjectieve: "Het gaat dus niet om een waarheid (objectief) die vervolgens toegeëigend moet worden (subjectief), maar om beide inéén". Zo luidde de cursief gedrukte conclusie van par. 5 (13). In het opschrift dus subject en object inéén, in de toelichting drie-in-de-pan, in de conclusie een ander tweetal inéén.
Voornaamste oorzaak (naast andere) van deze warboel is m.i. dat in heel dit eerste hoofdstuk voortdurend waarheid, werkelijkheid en objectiviteit door elkaar gebruikt worden, alsof zij hetzelfde waren.
In het moderne wijsgerig denken heet dat niet plompweg verwarring, maar het geschieden van identiteit in het universele medium taal binnen het waarheidsgebeuren. Proost!
Toch hebben we eerlijk geprobeerd door de grijze mist van deze populaire eenvoudigheid heen te
boren, om de bedoelde gedachtengang zo goed mogelijk te verstaan. Uit de kernachtige samenvatting aan het slot van par. 6 zagen we er iets uit komen dat althans ten dele duidelijk is: "Met andere woorden: er is sprake van een relatie tussen subject en object, sterker nog: een wisselwerking waardoor beide zich eigenlijk pas goed gaan aftekenen"
(14).

48. Wisselwerking
Misschien is dit het kernwoord in de waarheidsopvatting van het rapport.
Wat kan dat inhouden? We zeiden al eerder: zowel iets goeds als iets verkeerds. Het hangt er van af hoe men het invult.
Wisselwerking dus. We vragen: hoe werkt het subject in op het object en hoe het object op het subject?
Kan nog gezegd worden dat deze wederzijdse inwerkingen van subject en object op elkaar ook reacties op elkaars werkingen zijn? of hoeft dat niet?
In rechtstreekse zin krijgen we in de waarheidstheorie van het studierapport geen antwoord op deze vragen. Wel indirect. Er worden nl. hier en daar enige stellingen geponeerd over de aard van de werkingen van subject en object in het waarheidsgebeuren. We vragen dus eerst: wàt "gebeurt" er eigenlijk in het zgn. "waarheidsgebeuren"?
Vooraf deze opmerking: we zijn niet zo gelukkig met laatstgenoemde modieuze term, die we bv. op blz. 23 tegenkomen. Hier spreekt inderdaad in mee de moderne, zgn. dynamische werkelijkheidsbeschouwing.
Die term "waarheidsgebeuren"
komt dan in de plaats van de gebruikelijke opvatting van waarheid als "verantwoorde uitspraak", zoals we bv. op blz. 104 weer lezen.
Dus gewoon als uitspraak die daarom verantwoord is, omdat ze in overeenstemming met de werkelijkheid is.
Toch behoeft de term “waarheidsgebeuren" niet afgewezen te worden omdat er geen wezenlijke dynamiek eigen zou zijn aan de werkelijkheid.
Er is nauwelijks een wijsbegeerte te noemen die dat zo consequent en diepgaand in zich heeft, als de wijsbegeerte van Dooyeweerd. Zij ziet die dynamiek ook volop aanwezig in de zgn. "levenloze natuur". Niet vanwege de beweging in atomen en hun onderdelen, maar vanwege de betrokkenheid van alle dingen in het in de mens geconcentreerde kosmisch ontsluitingsproces èn concentratieproces.
Maar dit daargelaten.
Het komt slechts aan op de juiste "invulling" van de formele kwalificatie "dynamisch". Ook in het waarheidsbegrip.

49. Wat gebeurt er in de waarheid?
Het antwoord op die vraag is meervoudig.
We lezen dat zowel subject als object in de waarheidsrelatie beter "aan het licht" of "tot hun recht" komen (12) en "beide zich eigenlijk pas goed gaan aftekenen" (14). Een ander antwoord bespraken we al eerder, nl. in ons punt 31 (art. 9). We overdachten toen "dat onze persoonlijke inzet" meer of minder "deel blijkt uit te maken van de op ons toekomende waarheid" (13). Ten slotte lazen we dan dat de waarheid eigenlijk een wisselwerking is.
Uit deze veelheid moeten we proberen een antwoord te vinden op de vraag wat er nu precies in de "wisselwerking" binnen het waarheidsgebeuren gebeurt.
De eerste moeilijkheid is alweer deze dat we blijkbaar in die wisselwerking niet alleen met subject en object te doen hebben, maar ook nog met een derde werker, nl. de waarheid zelf. Van haar wordt gezegd dat ze op ons toekomt (13) en in die op ons toekomende waarheid ontmoeten we. dan. . . onszelf, althans "onze eigen manier van de dingen zeggen". Waarheid is ditmaal niet geïdentificeerd met werkelijkheid, met het object, maar, althans voor een deel, met het subject.
In de op ons toekomende waarheid treffen we iets van onszelf aan, nl. onze persoonlijke inzet, onze eigen manier van de dingen zeggen!
Daarmee is maar niet bedoeld dat in alle denken en spreken van waarheid nu eenmaal onze taal een rol meespeelt. Dat zou al te simpel en vanzelfsprekend zijn. Neen, in hoeverre ik met mijn manier van zeggen en met mijn persoonlijke inzet deel uitmaak van de op mij toekomende waarheid (bv. dat zojuist mijn vulpen leeg was), hangt af van de mate waarin ik door de zaken waarover het gaat in die waarheid, "overweldigd" ben. Maar voordat ik mij verder kan verwonderen over die leuke ontmoeting met mij zelf in de op mij toekomende waarheid (dat dat schilderij daar scheef hangt, bv.), wordt mij de hele ernst van de wijsgerige bezinning ontnomen door de herlezing van de eerste helft van diezelfde volzin. Want nu lees ik dat ik over weldigd zou kunnen worden door een waarheid (is ditmaal weer werkelijkheid bedoeld") die "als het ware" op mij afkomt, Als het ware. . . dus niet echt? Wie of wat komt er nu wel of niet echt op mij af? En kan wisselwerking betekenen dat ik mijzelf tegenkom in de ,(al dan niet) op mij afkomende waarheid? Is er pas dan van waarheid sprake als ik mij zelf er in herken? Het is mij allemaal te "wollig", of beter: het is mijns inziens puur subjectivisme.

50. "Zich eigenlijk pas goed gaan aftekenen"
In een door de wisselwerking (in het gebeuren binnen de waarheidsrelatie) zouden subject en object "zich eigenlijk pas goed gaan aftekenen".
Deze laatste gedachte van par. 6 kwamen we al eerder tegen in deze woorden: "Juist in en met het objectieve aspect komt het subjectieve beter tot zijn recht" (12), alsook "vanuit de andere pool" hetzelfde (?): "juist in en met het subjectieve aspect komt het objectieve beter aan het licht" (t.a.p.).
Dit gebeuren van beter aan het licht komen en (is dat hetzelfde?") beter tot zijn recht komen van subject en object tegenover elkaar binnen de waarheidsrelatie, is voor mij moeilijk te begrijpen. Nog mistiger is voor mij het gebeuren dat subject en object in de waarheid "zich eigenlijk pas goed gaan aftekenen".
Wat ik mij wel kan voorstellen is, dat voor mij een bepaald object duidelijker wordt, meer gekend en bekend, wanneer ik omtrent dat object de waarheid lees of zelf ontdek.
Als ik er zodoende meer zicht op krijg, dan kan ik inderdaad (personifiërend) zeggen: dit object tekent zich voor mij nu pas goed af.
Maar wat is hier nu de wisselwerking tussen subject en object? Wat kan het betekenen dat, uitgerekend door de betere kennis inzake dat object "juist in en met dat object"
ik zelf nu beter aan het licht of tot mijn recht kom? Zeker, mijn kennis is dan iets vermeerderd, maar dat simpele feit zal toch wel niet bedoeld zijn met dat "juist zó beter tot mijn recht komen". Ook dit, wanneer ik een onware voorstelling heb, in de ban ben van dwaling en leugens, dan kan gezegd worden: de waarheid zal je vrij maken, nl. van die on-waarheid, Dat kan dan soms, erg belangrijk en vol van consequenties zijn voor mijn leven.
Dan doet en bewerkt de waarheid iets. Alleen - deze mogelijkheid was niet aan de orde en kwam niet ter sprake. Het ging om de waarheid als zodanig, wat zij is, hoe zij verstaan moet worden, wat het ware waarheidsbegrip is, en wat mij betreft: over de vraag wat er in de waarheids-als-relatie gebeurt. En dan weet ik echt niet wat ik bij de boven genoemde werkingen moet denken, en nog minder bij die "wisselwerking" .
De term wisselwerking zou ik zelf ook best kunnen gebruiken bij een eigen kennistheoretische uiteenzetting van het waarheidsbegrip. Maar ook dat is hier niet aan de orde, en zou ook veel te veel ruimte vergen.
Want we moeten eindigen.

Einde
Terugblikkend merk ik op dat ik in deze losse aantekeningen bij het eerste filosofisch gedeelte van het rapport "God met ons", mij strikt beperkt heb tot kritiek op de inhoud en presentatie van het "nieuwere waarheidsbegrip" dat de auteurs aan (een bepaald deel van "de") hedendaagse wijsbegeerte ontleenden.
De toepassing van dat m.i. onchristelijke waarheidsbegrip op de Bijbel en in de theologie hebben we geheel buiten bespreking gelaten.
Hierover nog slechts een paar opmerkingen, We beseffen goed en stemmen er ook mee in, dat de volle waarheid veel meer is dan alleen het logisch aspect ervan. We stemmen in met dit rapport als het zegt dat de waarheid vaak te beperkt, nl. alleen theoretisch wordt gezien. We erkennen ook dat de werkelijkheid zelf, en daarom ook de volle waarheid omtrent de werkelijkheid, zeer veel rijker is dan alleen het kennisaspect ervan, het kenobject zijn.
Maar we laten dat alles niet uitspelen tegen het logisch-analytisch kennis aspect dat er óók is. Dàt nu komt door het moderne subjectivistische denken niet aan het licht en niet tot zijn recht. Daartegen ging ons filosofisch protest.
In de slotparagraaf van hoofdstuk I gaan de auteurs eens even naast ons, gewone mensen, staan. Vol begrip, maar ietwat meewarig schrijven ze: "Wij willen zo graag. .. een waarheid die buiten ons om en ongeacht onze feitelijke houding vast staat. Maar bijbelse waarheid ... " enz. (22). Wat er verder over die bijbelse waarheid gezegd wordt, moet dan wel "nader uitgelegd worden, omdat... hier het duidelijkste de verschuiving van het waarheidsbegrip zichtbaar wordt", Nu, voor mij hoeft die uitleg niet meer. Want ik houd mij inderdaad bij wat "wij" zo. graag willen: "een waarheid die buiten ons om en ongeacht onze feitelijke houding vast staat". Zulk een waarheid is echter precies het Evangelie. De waarheid van God.
Als die ongeacht onze houding VAST STAANDE WAARHEID ons vrij maakt, krijgen wij inderdaad (mogelijk ook in de wijsbegeerte, vgl. ons punt 17.6) déél aan de Werkelijkheid van Christus, waaromtrent het Evangelie de Waarheid is.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief