Christendom in de tachtiger jaren (1)
1981-11-06
De nu volgende artikelen bevatten de lezing die ik op het 10-jarig bestaan van l'Abri in Eek en Wiel gehouden heb. Er was 's morgens een dankdienst waaraan velen die met l'Abri meeleefden, deelnamen en 's middags hield ik een lezing, die niet alleen met het oog op de toekomst van l'Abri geschreven is.- Jaargang 25
- nummer 40
De eerste tien jaren van het l'Abriwerk heten de zeventiger jaren. Zij zijn door F. A. Schaeffer getypeerd met het ene woord 'apathie' (Hoe zouden wij dan leven, hoofdst. 11).
Ik denk niet dat het I'Abri-werk in de tien jaren die achter ons liggen, apathisch geweest is. Integendeel, wij hebben huizen gebouwd, gasten ontvangen, conferenties belegd enz. en toch heeft ook l' Abri naarmate wij verder kwamen in de zeventiger jaren, geleden onder "de grote matheid": de ondernemingsgeest van jongeren is veel minder, er is een zekere moeheid voor discussie en een tegenzin om buiten de kaders van officiële studie en examens zich bezig te houden met levensvragen.
Dat alles heeft met onze tijd te maken.
Na de onrust van de zeventiger jaren met de opkomst van de Beatles en "provo" en studentenrevoluties, hing er in de zeventiger jaren iets van een ingezonkenheid, die zeker samenhangt met het feit, dat de problemen, waarmee onze samenleving te kampen heeft, steeds overweldigender geworden zijn: economische malaise, de energieproblemen, de kernwapenrace, de derde wereld en zijn armoede, en de Kafka-achtige onpersoonlijke samenlevingsstructuur.
De vraag is of de tachtiger jaren anders zullen zijn en met die vraag zijn wij het onderwerp binnengewandeld wat ik vanmiddag wilde bespreken. Wij willen als l'Abrimensen op dit 10-jarig jubileum terugzien in dankbaarheid zoals wij vanmorgen deden, om daarna weer alle aandacht toch eigenlijk te richten op de toekomst: de tachtiger jaren waar wij nu al weer 1Vz jaar in zitten. Vandaar de titel van mijn lezing: "Christendom in de tachtiger jaren".
Ik bedoel met christendom niets anders als: wij christenen - samen!
Wat moeten wij christenen samen - met onze gebreken en met onze kracht - nu gaan doen in de tachtiger jaren?
Waarop moet onze eerste aandacht gericht zijn?
U kunt zeggen: dat is alle tijden door gelijk gebleven. Lees maar in Hand. 2: 42: de 4 pilaren van de christelijke gemeente door alle tijden heen: verkondiging, gebed, gemeenschap en het breken van het brood. Zó zal de gemeente door alle eeuwen heen eruit moeten zien - en dat is in de tachtiger jaren niet anders dan in de 70er of 60er of 50er jaren enz. En daar hebben wij onze handen vol aan.
Dat is ook zo - maar toch heeft iedere tijd weer zijn eigen uitdaging en moet de kerk niet als een stuk hout op de rivier van de tijd zich laten meevoeren - ongeacht watervallen of dijkdoorbraken, overstromingen of droogte, neen wij christenen moeten inspelen op de uitdaging die iedere tijd weer anders op ons uitoefent.
De profeet Amos heeft niet dezelfde boodschap gebracht als de profeet Nathan - en Jezus zei: breek deze tempel af - maar Salomo: bouw deze tempel op en beiden spraken vanuit dezelfde Geest van God.
Van Bonhoeffer is de bekende uitspraak afkomstig: dat de kerk haar roeping verzaakte toen zij Gregoriaans bleef zingen terwijl de gasovens rookten!
Wat is nu het eerste kenmerk van de samenleving in ons Europeese Westen in de tachtiger jaren?
A. C. Lasch heeft een boek geschreven over de cultuur van het narcisme - en de Haagse Post noemde de tachtiger jaren de periode van het ik-tijdperk. Zij hebben zeker wel gelijk dat de tachtiger jaren iets daarvan in zich dragen: in de bouwstijl - steeds meer in de stijl van: "My Home is my castle' - kijk maar naar Maarssenbroek - in de nadruk op: small is beautiful - in de therapeutische sfeer van werken aan jezelf - en de nadruk op zelfverwerkelijking, in de leus van de VVD gewoon jezelf zijn etc. Trouwens de VVD kon wel eens de partij van de toekomst worden - er is een trek naar rechts. Brede bevolkingslagen zullen verrechtsen.
Mensen in de tachtiger jaren willen geen onrust. Ze willen behoud van de welvaart zover het kan - liefst zich terug trekken in het eigen kringetje van wel-zijn - en niet tes veel denken aan de grote onoplosbare wereldproblemen. Men geeft in alle prognoses aan dat er in de tachtiger jaren weer veel meer ruimte zal zijn voor romantiek in vele vormen - en voor religiositeit à la Bagvam die geborgenheid en troost vindt. Het knusse, het kleine, het warme, het geborgene, het veilige, het eigene, dàt zal allemaal veel centraler staan dan het riskante, het grote, het revolutionaire - en het protesterende, het andere - het vreemde. .adembenemende ...
Toch zou ik vanmiddag iets verder willen gaan dan blijven staan bij deze voorgrondsverschijnselen.
B. De tachtiger jaren blijven een onderdeel van een na-oorlogse westerse cultuur die F. Boerwinkel getypeerd heeft in zijn boek 'Einde of nieuw begin'. Daarin zegt hij dat wij dáárom in zo'n totaaf andere wereld leven omdat in onze westerse samenleving zes tijdperken plotseling zijn afgelopen sinds de tweede wereldoorlog. Die zes tijdperken die nu zijn geëindigd noemt hij achtereenvolgens: het agrarische tijdperk, het constantijnse tijdperk, en het renaissancistische tijdperk en bovendien: het tijdperk van de blanke overheersing - de mannenoverheersing - en de overheersing van de Joden.
Het samenvallen van het einde van deze zes tijdperken, veroorzaakt zo'n schok dat vele mensen hun oriëntatie kwijt zijn - en velen aan de ondergang van de wereld gaan denken.
Ik wil een moment langer bij deze visie van Boerwinkel stilstaan: wij leven aan het einde van een agrarisch tijdperk, zegt hij, en hij toont aan hoe de industriële revolutie die al in de vorige eeuw begon, toch pas ná de tweede wereldoorlog definitief toesloeg. Wist u dat vóór de tweede wereldoorlog nog 1 op de 3 Nederlanders in de agrarische sector zijn brood verdiende? Nu is het 1 op de 20 en die ene boer of bollenkweker is ook eigenlijk een industrieel geworden - een directeur van een agrarische fabriek - van een stuk bio-industrie of bloemcultuur.
Die toename van de techniek heeft ons tot rijken gemaakt - een Nederlands gezinshoofd heeft vandaag in de machines en motoren die het gebruikt de beschikking over de arbeid van 90 slaven die niet eten, en de Amerikaan zelfs over meer dan 300 slaven die niet eten. Maar over het probleem van die ene veelslavenbezitter, nu zelf slaaf van de machine geworden - praten we niet.
Het tweede tijdperk dat met de tweede wereldoorlog eindigde, is het constantijnse tijdperk. Dat is het tijdperk waarin de kerk de samenleving domineerde. Dat tijdperk begon met de bekering van keizer Constantijn in het jaar 324, waarin hij de kerk als staatskerk erkende. Sindsdien was het vanzelfsprekend dat men als men iemand wilde zijn in Europa - men ook lid van de kerk was. De kerk werd zelfs alleenheerser sinds Theodosius in 380. Nu is dit theodosiaanse tijdperk al veel eerder geëindigd (zegt B.). nl. met de Franse Revolutie toen is de macht van de kerk als instituut definitief verdwenen en is de Paus opgesloten in het Vaticaan maar de invloed van de kerken op de samenleving bleef ook daarna overheersend - dat is het constantijnse tijdperk - en dat liep pas af in onze tijd ná de oorlog.
De tachtiger jaren zullen jaren zijn waarin de ontkerkelijking zich zal voortzetten. De kerk staat aan de periferie. Dat is pijnlijk, zegt B., want het kerkbezoek daalt - van 1966-1973 in de R.K. van 64 1/2 % tot 37 1/2 % (in 7 jaar gehalveerd).
Kerken worden klein - steden ontkerstenen.
Dat gaat door, zegt B., maar er staat tegenover dat wie kerklid is in de jaren '80 het ook echt is - uit eigen vrije keus en gemotiveerd!
Dat is het tweede: de kerk speelt niet meer mee in de samenleving. Ze is hooguit alleen nog E.H.B.O.-er langs de lijn (H. de Jong). Het 3e is het einde van het renaissancistische tijdperk misschien moeten wij dat tijdperk vooral typeren met het woord: vooruitgangsgeloof. De mens van de Renaisseance is een optimist die heel diep bij zichzelf geloofde in de mogelijkheden van de mens om als hij maar de goede middelen heeft zichzelf een nieuwe wereld te scheppen, de natuur te overwinnen - de honger uit te bannen - ziekte te genezen - en een utopie van vrede te realiseren.
B. typeert de renaissance mens met een aantal woorden:
expansie - wereldveroveraar
humanisatie - de natuur beheersen
vitalisatie - i.p.v. ingezonkenheid en starheid
liberalisatie - vrije onderneming individualisatie - de individuele vrijheid van de mens is nr. 1
rationalisatie - de werkelijkheid is geen geheim maar een probleem.
De mens treedt uit zijn aan zichzelf te wijten onmondigheid en zet zich in met man en macht om het verloren paradijs terug te winnen. Aan dàt tijdperk is sinds de tweede wereldoorlog een einde gekomen: de verschrikkelijke ellende van de tweede wereldoorlog heeft het geloof in de mens ondermijnd - maar vooral ook: de voortuitgang stootte op grenzen die niet te verschuiven zijn - en de nevenprodukten van onze paradijselijke welvaart bleken: zinloosheid en verveling en agressie te zijn.
Het einde van de andere drie tijdperken spreken voor ons nóg meer als zij Boerwinkel inspireerden in 1966. De suprematie van de man is voorbij (nu ja ... ?). Het einde van de blanke overheersing is bevestigd in de geschiedenis van Afrika - en het einde van de Joodse ballingschap is een feit - voor het eerst na 19 eeuwen - waarbij B. niet alleen denkt aan de Joodse staat - maar· veel breder aan de emancipatie van de Joodse denkers. Op hoog niveau zijn het de Joodse denkers die gelezen worden: Van Buber tot Lévinas - en ineens is het Jodendom als gelijkwaardige gesprekspartner van het christendom opgestaan en wordt alles in het werk gesteld om kerk en synagoge samen te voegen in een nog wijdere cirkel van onze oecumene, aldus Boerwinkel.
Betekent dit einde van zes tijdperken nu het begin van einde? Zullen de tachtiger jaren apocalyptische jaren worden? Kondigt dit alles de ondergang van de wereld aan? Het antwoord van B. is: neen, want de ondergang van de wereld is volgens de bijbel geen noodlot, geen fatum wat zich los van het gedrag van de mensen voltrekt.
In Genesis 22 lezen wij dat de Here tegen Abraham zegt dat Sodom en Gomorra gespaard gebleven waren als er zich .desnoods maar tien rechtvaardigen in de stad hadden opgehouden. Maar zelfs die tien waren er niet te vinden en daarom komt de ondergang.
Dat wil zeggen - ook al zijn de tijden dreigend en goddeloos - wij hebben als gelovigen de roeping om "a creative minority" te zijn.
Is dat een onbegonnen werk?
Neen, zegt B., want soms even zie ik daar iets van oplichten - met name in vijf ontmoetingen en vijf alternatieven, die ons in onze tijd getroffen hebben.
De vijf ontmoetingen zijn: de ontmoeting R.K. - protestanten; Jodendom - christenen; christendommarxisme; christendom - wereldgodsdiensten; mystici en revolutionairen.
De vijf alternatieven zijn: een ander soort van denken, dat het welzijn van de ander in mijn denken opneemt (inclusief denken); andere leefpatronen (communes etc.); andere eerbaarheidspatronen t.o. militarisme; andere maatschappijstructuren t.o. het kapitalistische; andere opvoedingsmodellen t.o. van de concurrentie en de prestatie.
In al deze bewegingen en ontmoetingen ziet B. iets oplichten van een nieuwe tijd.
De visie van Boerwinkel is zoet in de mond maar bitter in de buik. Op het eerste oog is deze beschrijving van onze tijd verhelderend en waar en sommige van de bemoedigende voortekenen van een nieuwe tijd spreken mij aan.
Toch laat deze beschouwing van Boerwinkel je naderhand met een leegte en met ontevredenheid achter.
Zou werkelijk die nieuwe tijd zich aankondigen in al die dialogische ontmoetingen? Van al die heren met een actetas op de luchthaven van Genève, of al die kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders in New Delhi of die professoren in de verschillende godsdienstwetenschappen ze zouden die alternatieve levenspatronen nu echt olijftakjes zijn in de snavel van de duif - die naar Noachs ark terugkeerde? Ik neem mij de vrijheid daar ontzettend sterk aan te twijfelen.
Ik las deze week een boekbespreking in Trouw. Daar vergeleek de geleerde recensent de schrijver van een boek met een Hoover-craft die wel een beweging doorloopt maar toch altijd een halve meter boven de woelige wateren blijft hangen. Dat vond ik nu eigenlijk van zowel Lasch als Boerwinkel ze beschrijven sociologische verschijnselen - maar blijven met al hun beschouwingen toch altijd ergens boven het water van onze samenleving zweven.
C. Daarom tenslotte in de derde en laatste plaats een weergave van een religieuze analyse van onze samenleving in de tachtiger jaren.
Ik heb mij daarvoor georiënteerd op een artikel in Wending van prof. N. Bakker. Deze zegt - alles goed en wel: wij weten nu wel dat wij in onze tachtiger jaren zijn aangeland in een consumptiemaatschappij, ook weten wij van al die reusachtige veranderingen die er in de jaren na de tweede wereldoorlog hebben plaats gevonden - maar wat is nu ten diepste het probleem waar de mens in onze tijd mee worstelt? Hij noemt dat met een moeilijk woord: Het verlies van de aura. Dat woord aura is een Grieks woord en het betekent: de glans die over de wereld valt als de vroege zon er over opkomt - dan liggen alle dingen verbonden in één wijdse horizont. Zo is de aura de glans die over de dingen ligt vanwege een zin-perspectief.
Bakker zegt: de diepste nood van de moderne mens is dit dat hij leeft in een pluralistisch geatomiseerd universum waaraan elk eenheidsprincipe ontbreekt. De kerk in de middeleeuwen overstraalde de samenleving - denk alleen maar aan de kathedraal die letterlijk de stad overschaduwde - en daarna in het burgerlijk tijdperk van 1600-1945 was er die ene grote drijfveer van de ontwikkeling van de wereld - het vooruitgangsgeloof dat ieder aandreef - en de kerk bood troost - maar mi ná de tweede wereldoorlog is (en ik citeer): "ieder spoor van een eenheidsbeginsel uit de burgerlijke maatschappij-theorie verdwenen". Religie is verbannen naar Staphorst en naar de rand van de samenleving - en geen ideologie heeft haar plaats ingenomen - onze samenleving heeft duizenden atomen en allen draaien ze om hun eigen kern - maar wat ontbreekt is een gemeeenschappelijk doel - en een wijdere horizont - of een diepere zin.
Wij leven in de tijd van het verval van de aura: de weerschijn van de verwachting die zich als een zachte glans over de dingen zou moeten leggen om ze te verbinden in één zins-horizont. Daarom is de moderne mens a-historisch, want de tijd is geschiedenis-loos geworden. Niemand weet waarheen de volkerenwereld op weg is. Daarom is de blik van de moderne mens leeg geworden - de blik beantwoord aan geen verwachting, geen verte, geen perspectief.
Daarom zoekt de moderne mens sensatie in plaats van ervaringwant in de sensatie wordt de tijd één moment opgeheven. Wie juicht over het éne doelpunt van F.C.
Utrecht, is één moment het besef van tijd kwijt - maar wie viert, wie de feesten viert, die balt de geschiedenis samen in een vol momentom daarna er weer tegen te kunnen.
De moderne mens leeft in een lege tijd en daarom een vervuilde tijd.
Ik denk dat deze beschrijving van N. Bakker meer naar de kern gaat - en de tachtiger jaren dieper peilt dan de beschrijvingen van Lasch en Boerwinkel - hoewel deze beschrijving in het verlengde ervan ligt.
Maar ze raakt meer die éne eigenlijke alles overheersende pijn dat de na-oorlogse westerse mens een mens geworden is zonder Transcendentie zoals de filosofen dat zeggen.
Maar dichters kunnen dat nog veel scherper uitdrukken. Zo dichtte H. Marsman al vóór de oorlog het gedicht "Tempel en Kruis", waarin hij begint met een beschrijving van de mens uit de tijd van de Renaissance en van de Verlichting - het is de Europese mens van 5 eeuwen oud die hier aan het woord komt die eerst meende het universum in eigen hand te hebben en die nu bij een verbrokkelde werkelijkheid neerzit:
Ik die bij sterren sliep en 't haar der ruimten droeg
als zilvren gewei en 't stuifmeel der planeten
over de melkweg blies en in de maan gezeten
langs 't grondeloos blauw der zomernachten voer,
Ik ben beroofd en leeg, mijn schepen zijn verbrand,
mijn stem verloor haar gloed en vindt geen weerklank meer,
in 't doode firmament, niets dan de galm die keert
van 't sombere gewelf van mijn ontredderd hart,
Ik sta alleen, geen God of maatschappij,
die mijn bestaan betrekt in een bezield verband
geen horizon of zee, geen poovre korrel zand,
in 't naamloos wel en wee der brandende woestijn,
Ik voel de waatren stijgen in de nacht ...
Dat was Marsman in 1940.
Geen God of maatschappij die mijn bestaan
betrekt in een bezield verband.
Dat is het wat Bakker noemt: het verhaal van de aura - de zinsamenhang - het bezielde verband.
Dat zal ook in de jaren '80 gelden en het leidt tot een gevoel van stuurloosheid - alsof je op een mammoettanker zit die onbestuurbaar geworden is - en het leidt tot wat Schaeffer noemt "fragmentation"
(verbrokkeling van de realiteit: terugtocht in die ene kleine hoek van de samenleving waar ik nog wel zin en samenleving ontdekken kan: in mijn scherf!