Had ik dat maar geweten (3)
1981-11-13
Gespletenheid- Jaargang 25
- nummer 41
Er wordt wel gesteld dat voor een Christen geen beslissing of handeling goed kan zijn, die hij niet op grond van zijn geweten meent te kunnen rechtvaardigen. Dit kan spanning opleveren tussen de realiteit van het dagelijks leven en het ideale van de christelijke norm die nagestreefd wordt. Op een gegeven ogenblik wordt de grens bereikt van datgene waar iemand verantwoordelijk voor kan en wil zijn.
Voor die tijd speelt zich een innerlijke tweestrijd af, die soms het uiterste van de mens kan vragen.
Bonhoeffer spreekt zelfs ergens van het geweten als een schreeuw om herstel van de gespletenheid (1). Hij heeft in Nazi-Duitsland deze schreeuw meegemaakt en doorleefd, ook in de teleurstelling om beslissingen van anderen. Het thema 'gewetensnood' staat vaak centraal in de literatuur (bv. in Shakespeare's "Macbeth"). Ook politici kunnen over dit onderwerp meepraten, het begrip speelt regelmatig een rol in discussies over abortus, kernenergie en bewapening. Echter, in wezen is dit iets waar we allemaal mee te maken hebben: de gespletenheid van het dagelijks leven. Het geweten kan dus een rol spelen in onze keuzen in deze samenleving. Is het echter (mede gezien in het licht van de beperkingen die we in de vorige twee artikelen aangaven) wel juist om te stellen dat ons geweten het laatste woord heeft? En, hoe moeten we omgaan met gewetens beslissingen van anderen? Daarover gaat dit derde artikel uit de serie over het geweten.
De grenzen van het geweten
Een gewetensbeslissing kan als hefboom fungeren tegen de wil van de meerderheid (van een groep of een volk) in. Iemand kan stáán voor een dergelijke beslissing, ook als hem dat veel narigheid bezorgt.
Betekent dit, dat we altijd de stem van ons geweten moeten volgen?
In de Bijbel treffen we in de eerste brief van Paulus aan de Corinthiërs een situatie aan, waarin de gewetensvrijheid grenzen heeft. Paulus spreekt in hoofdstuk 8 over gemeenteleden die nog niet zo met het bevrijdende Evangelie vertrouwd zijn geraakt dat zij zich in hun bewustzijn ontbonden weten van het houden van allerlei wettische voorschriften.
De "sterke" broeders storen zich niet meer aan die voorschriften.
Zij hebben er dan ook geen bezwaar tegen om vlees te eten dat aan de afgoden gewijd is.
Paulus is het weliswaar met deze mensen eens, maar hij raadt niettemin aan het bewustzijn van de zwakke broeders te ontzien. Want de mensen die eten van het offervlees, ervaren dit als een smet op hun geweten. "Als zij zulk vlees eten, wordt dit door hun geweten terstond geregistreerd als een overtreding.
De openingen van deze "zeef" zijn immers zó, dat het eten van dat vlees er niet als iets onschuldigs doorheen valt. Het blijft als een aanklacht op hun geweten liggen. Het registreert een zonde.
Subjektief gezien heeft deze broeder daardoor meegedaan aan de verering van een afgod" (2 - blz. 250).
Naar de "sterke" broeders toe gezien staat hier het liefdegebod centraal. Het is liefdeloos om het geweten van anderen te kwetsen zodat zij in gewetensnood komen.
Dit is zeer zeker ook een waarschuwing voor het met elkaar omgaan in de gemeente. Het kán zijn dat iemand objektief gelijk heeft, maar door zijn houding (het laten "verkrampen" van een broeder die heel veel moeite heeft met een bepaald besluit, waardoor zijn aandacht meer komt te liggen op afleidende zaken dan op Christus) toch zondigt tegen het liefdegebod.
Een vergelijkbare situatie treffen we aan in hoofdstuk 10, met betrekking tot het doen van navraag naar de herkomst van het eten. We hoeven niet te weten waar het vlees vandaan komt. Je zou haast zeggen: "wat niet weet, wat niet deert". Dit wil niet zeggen dat, als een broeder weet dat het offervlees is, wij daar geen rekening mee moeten houden.
Niet omdat die broeder mijn gewetensvrijheid zou moeten bepalen, maar vanwege de liefde: het voorkomen dat een ander pijn wordt gedaan, in tweestrijd geraakt en daardoor de weg tot God kwijt zou kunnen raken.
Politiek
In de politiek is het geweten de laatste jaren vaak op het strijdtoneel verschenen. Dit lijkt misschien een positieve ontwikkeling, als het zou betekenen dat de ethiek een meer centrale rol gaat spelen in onze 'zakelijke en verstandelijke gedachtenwereld. Toch roept het in het openbaar hanteren van gewetensbeslissingen ook kritiek op.
Een voorbeeld van de kritiek vinden we in 'Trouw' van 4 maart 1980. In dat nummer schrijft Dr. A. Veerman dat het noemen van het geweten in politieke discussies de open wisselwerking tussen partijen onmogelijk maakt. Van oudsher is het (althans in Nederland) zo geweest dat gewetensbeslissingen gerespecteerd werden. Zelfs een dwalende had recht op respect voor zijn gewetensbeslissing. Maar, aldus Dr. Veerman, onze vaderen waren heel voorzichtig met het noemen van hun geweten als grond van hun politieke visie. Zij meenden (dus) dat gewetensbezwaren ontzien en erkend dienden te worden (bv. bij vaccinatie, sociale verzekering, dienstplicht), maar het ging daarbij om persoonlijke keuzen en niet om het stellen van wettelijke regels. Dat is, aldus dit artikel in 'Trouw' de kern van gewetensbeslissingen, het gaat om subjectieve, persoonlijke keuzen. Men kan gewetensbezwaren hebben tegen het .vervullen van militaire dienstplicht, maar deze bezwaren gaan pas gelden" op het moment dat men zelf in dienst moet. Dat er in een regeling staat dat gewetensbezwaren ontzien moeten worden, is, aldus Dr. Veerman, een andere zaak; dat kan men ook voor omstandigheden bepleiten, waar men zelf geen moeite mee heeft. In dezelfde richting liet Drs. Cóuprie zich in een interview in 'De Tijd' uit: gewetensbeslissingen dragen een persoonlijk karakter.
We raken hier een heel moeilijk punt, dat al heel vaak onderwerp van discussies is geweest. Ik acht het nauwelijks mogelijk om op dit punt concrete uitspraken te doen.
Inderdaad is het zo dat het een beroep doen op een gewetenbeslissing de politieke discussie vrijwel onmogelijk maakt. De ander heeft maar te luisteren. Veel zinvoller lijkt het mij om het probleem be-
spreekbaar te maken. Daarbij speelt uiteraard - op de achtergrond - het geweten nog wel mee (2). Maar, wat was ook alweer het geweten?
Op het grensvlak van geloof, ethiek en politiek zit altijd een zekere gespletenheid. En naarmate de politiek meer van God vervreemdt, neemt die gespletenheid voor de christen-politicus angstwekkender vermen aan.
Ik denk echter dat het louter een beroep 'poen op gewetensbezwaren in de politiek onvoldoende is. Het gaat om de legitimering van de argumenten.
Een christen-politicus die zich wel op zijn eigen geweten beroept, maar niet uitlegt aan welke normen hij zijn gewetensbeslissing ontleent, laadt de verdenking op zich, mee te doen aan het 'ik-tijdperk'.
De autonome mens, met zijn eigen (onfeilbare?) geweten.
Het geweten van de ander
Kunnen wij oordelen over het geweten van de ander? Hier ligt weer hetzelfde probleem op de loer als in de voorgaande gedeelten, nl.: in hoeverre is een gewetensbeslissing een wettige zaak? Zoals al werd gesteld wordt een dergelijke beslissing in een pluriforme maatschappij doorgaans met respect tegemoet getreden.
(In een diktatoriaal geregeerde staat ligt dit anders; zo verwierp de Oostduitse regering in september jl. een verzoek van enkele kerken om vervangende dienstplicht op grond van gewetensbezwaren te erkennen). Overigens acht ik het een teken aan de wand dat men momenteel in Nederland in toenemende mate intolerant lijkt te worden ten aanzien van gewetensbezwaren die zijn gebaseerd op christelijke normen (bv. het weigeren mee te werken aan abortus provokatus).
Naar mijn mening is ook in de christelijke gemeente verdraagzaamheid ten opzichte van gewetensbeslissingen van anderen noodzakelijk. Het gebeurt nogal eens dat mensen veroordeeld worden naar aanleiding van een bepaalde persoonlijke beslissing, zonder dat daar - Bijbels gezien - aanleiding toe bestaat.
Afkeuring vindt plaats omdat wij het niet met een bepaalde handelwijze eens zijn. Dit thema heeft raakvlakken met het eerder behandelde gedeelte n.a.v. 1 Corinthe 8 en 10, maar we bekijken dit onderwerp toch nog een keer, vanuit een iets andere invalshoek.
Door een medebroeder in een bepaalde positie te dwingen, die hij zelf - op grond van een gewetensbeslissing - meent niet te mogen kiezen, roepen we bij hem gespletenheid op. Hij moet dan kiezen voor het gerespecteerd worden door de gemeente en daarbij tevens een innerlijke tweestrijd ondergaan, óf een 'vrij' geweten in dat opzicht, en door zijn gemeente met de nek te worden aangekeken.
Hoe men ook over militaire dienstplicht denkt, het is voorstelbaar dat er jongeren zijn die erg veel moeite hebben met het vervullen van die taak. Niet uit egoïstische motieven, of vanwege nihilisme of anarchie, maar "omdat hun geweten in opstand komt". Zo'n jongere zal dan ook van harte bereid zijn, zich in te zetten voor vervangende dienstplicht.
Moet dat lid van de gemeente dan met pijn in zijn hart wel in dienst gaan, om op die manier spanningen, die tussen hem en andere gemeenteleden zouden kunnen ontstaan, uit de weg te gaan? De innerlijke spanning die deze houding oproept, zou wel eens tussen God en mens in kunnen komen te staan."
Kreatief onderscheiden
"De Bijbel laat wel eens wát aan het geweten over, en wij moeten deze bijbelse stijl overnemen. In de meeste gevallen kunnen wij ons van een oordeel onthouden, omdat het geweten van de mensen zelf wel voldoende spreekt" (3). Hoewel oorspronkelijk in een wat ander verband gebruikt, acht ik deze uitspraak van Ds. de Jong ook in situaties zoals hierboven geschetst van toepassing. In hetzelfde boekje over Ruth wordt tevens gesteld dat echte gehoorzaamheid niet het werk is van de automatische piloot.
De mens heeft al zijn vermogens nodig om te kunnen onderkennen, te beproeven, en met helder inzicht en met fijngevoeligheid te kunnen onderscheiden waar het op aankomt.
"Echte gehoorzaamheid, daar heb je fantasie, grote vindingrijkheid bij nodig".
In die marge functioneert ook het geweten. Het geweten van de Christen mag niet tegen de Bijbelse normen ingaan. Er mag van een mondig gemeentelid gevraagd worden dat hij zich op dit punt kan legitimeren, verantwoorden. We moeten ons echter realiseren dat er situaties mogelijk zijn, waarin we creatief besluiten moeten nemen. Doordat omstandigheden veranderen, kunnen keuzen van christenen op die punten ook wel eens anders liggen dan vroeger het geval was. De Bijbel laat, binnen de grenzen van de normen zoals deze ons door God zijn gegeven, inderdaad wel wát aan het geweten over ...
Het kompas
Daar waar de Hebriden als golfbrekers fungeren voordat de rollers van de Atlantische Oceaan de gerafelde Schotse westkust bereiken, ligt het eilandje Canna. Onder zeelieden is Canna berucht geworden door de zgn. Compass HilI. Deze heuvel bevat zoveel metalen, dat het kompas van passerende schepen steevast "uit het lood slaat".
Datzelfde kan ook met het geweten gebeuren. In de relatie tot God kunnen allerlei stoorzenders optreden, die ons van Hem aftrekken.
In onze wereld zijn heel wat meer 'Compass Hills' dan in werkelijkheid op zee. Ons kompas wordt van God weg getrokken, waardoor we de juiste weg kwijtraken. Ik moet in dit verband wel eens denken aan een uitspraak van Popma, die de publieke opinie noemt als 'bevoorkeurd werkterrein van de Satan' (4). In ons denken dreigen we allemaal in sterke mate beïnvloed te worden door datgene wat dag-in, dag-uit over ons wordt uitgestrooid via de media. Wat aanvankelijk ab-normaal was, wordt uiteindelijk normaal. Hoewel we onszelf nog gelovig noemen, kan ons geweten (in de zin van: onderscheidingsvermogen) al danig besmet zijn geraakt (zie ook Titus 1 : 15).
Het geweten kan niet als openbaringsbron functioneren. Het wéten (kennen) van Gods Woord ('naar buiten toe') komt vóór het onderscheidingsvermogen ('naar binnen toe'). Een zuiver weten is een zuiver geweten. Dat wordt in het hedendaagse propageren van het zelfstandige geweten maar al te gemakkelijk vergeten.
Vijf voor twaalf
Nog een ander voorbeeld: in een vroeger nummer van "Opbouw" werd het geweten getypeerd als een horloge, dat voortdurend op de juiste tijd moet worden bijgesteld (5). Het kan achter lopen, en dus te laat (of zelfs: niet) gaan spreken.
Omdat er een zekere variatiebreedte mogelijk is in het beoordelen van situaties, zou men in dit verband een vergelijking kunnen maken met de verschillende Europese tijden.
Vijf voor twaalf in Amsterdam en elf uur op de Big Ben betekent dat het horloge in Nederland achter loopt. Twaalf uur in Amsterdam, en elf uur in Londen betekent - ondanks verschillende tijden - een zuivere afstelling. Zo kan ook de beoordeling van situaties afwijken, terwijl er toch sprake is van fijngevoelig, zuiver onderscheiden. In deze vergelijking is echter het horloge (lees: het geweten) nooit volledig betrouwbaar. Dat is iets wat we ons goed moeten realiseren.
Want: God is meerder dan het hart (1 Johannes 3 : 20).
(1) zie ook: MilitiaChristi,juli en augustus 1981; blz. 3 tot 5, interviewmet J. de Graaf
(2) (2) F. J. Pop - Bijbelsewoordenen hun geheim(Den Haag, 1964)
(3) (3) H. de Jong - Brood in Bethlehem (Amsterdam,1974)
(4) (4) K. J. Popma - GestoordeWereld (Hilversum,1977)
(5) (5) H. de Jong - Het geweten(Opbouw, 23 mei 1975)
(Deze serie wordt over enkele weken vervolgd)