Ons volksbestaan

1981-11-20
  • Jaargang 25
  • nummer 42
Nu vandaag veel evangelie-dienaars zich opmaken om de afschaffing der wapens even onnadenkend te zegenen als men het vroeger de wapens zelf deed, wil ik met het oog op aanstaande zaterdag graag een gedachte ter overweging aanbieden.

Ik heb niet de neiging het voorspelde succes van de demonstratie op 21 november a.s. toe te schrijven aan de groeiende vredelievendheid onder de mensen. De vredesgezindheid is immers zeer ver te zoeken als je let op de persoonlijke verhoudingen. Haast geen huwelijk blijft heel, met de buren leeft men in openlijk conflict en de agressiviteit op straat groeit met de dag. Toch verwijt men de overheid dat haar vredesinspanningen te gering zijn. Hoe moet dat verklaard worden?
Vanwaar de vrijmoedigheid om juist in die richting de beschuldigende vinger uit te steken?

Dit is toch minder moeilijk te begrijpen dan het lijkt. Wij leven namelijk in de nadagen van de democratie. Grondslag van de democratische gedachte was altijd dat iedere burger zich verantwoordelijk wist voor het totaalbelang van het gemenebest. Dit besef is vandaag sterk getaand. Het gemenebest is bezig uiteen te vallen in belangengroepen. Zelfs ministers lijken te denken dat zij in hun functie de partij dienen in plaats van het volk. En de verbrokkeling schrijdt nog verder voort: de groepen vallen weer uiteen in individuen, die ieder onder opeising van zijn deel van de nationale koek een goed heenkomen zoeken. Eigenaardig genoeg trouwens gaat met deze verkruimeling van de volksgemeenschap niet zelden een zorg gepaard tot maar liefst mondiaal overleven, waardoor het te kleine toch weer opeens een stoutmoedige greep doet naar het te grote en het beneden menselijke zichzelf plotseling met bovenmenselijke verantwoordelijkheid belast.

Bij deze ontwikkeling komt een begrip als 'nationale veiligheid' er schimmig, onwezenlijken ver-van-het-bed-achtig uit te zien, (om over de belangen van een vrij West-Europa nu maar niet te spreken).
Je kunt dat bijvoorbeeld duidelijk merken aan de verwaarlozing van de symbolen die bij de nationale zaak behoren, zoals vlag, volkslied en koninginnedag, De slordigheid daaromtrent is er een onbedriegelijk teken van dat het collectieve 'wij'-besef, zonder hetwelk geen volk kan bestaan, ontbonden is in 'ikken'.

Het spreekt vanzelf dat waar het met de nationale gedachte zo treurig gesteld is, de middelen waarmee de nationale veiligheid verdedigd moet worden, geen genade meer kunnen vinden in de ogen der mensen. Het zou anders zijn wanneer het atoom-wapen inzetbaar was voor een persoonlijk of groepelijk belang. Wanneer je daarmee bijvoorbeeld een burenruzie zou kunnen beslechten in jouw voordeel of wanneer je daarmee je gewezen vrouw of man het leven zuur zou kunnen maken of wanneer je daarmee je medeweggebruiker iets betaald zou kunnen zetten of wanneer je daarmee een straatgevecht met de politie zou kunnen winnen. Dan zou de drang tot afschaffing veel minder groot zijn onder de mensen en zou de aanstaande demonstratie veel schrieler uitvallen. Maar nu het om middelen gaat die zeer nauw verbonden zijn aan het nationale belang en die ook alleen maar aan een nationaal gecontroleerd orgaan als het leger kunnen worden toevertrouwd, - ja, nu ben ik geneigd veel van de toeloop van zaterdag dááraan toe te schrijven.
Want voor de veiligheid der 'ikken' en hun kinderen gaat men de straat nog wel op, maar 's lànds veiligheid- wat mag dàt wel niet zijn?

Voor mij zal daarom de demonstratie een teken te meer zijn dat bij velen 'ons volksbestaan in een verregaande staat van ontbinding verkeert. Ik neem mij derhalve voor om in de kerkdienst die ik op zondagmorgen 22 november hoop te leiden, de Here God voor ons tot dusver vrije en veilige volksbestaan te danken en te bidden.
Want er staat bij het verloren gaan daarvan veel meer op het spel dan wij doorgaans beseffen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief