Iemand had twee kinderen...
1982-04-23
Heilige huisjes- Jaargang 26
- nummer 16
Mattheüs vertelt als enige evangelist de gelijkenis van de twee zonen.
U weet wel: de ene zei ja en deed nee, de andere zei nee en deed ja. Hij koppelt die gelijkenis aan de vraag naar Jezus' bevoegdheid. Jezus' recht van spreken (en optreden) kwam in geding bij overpriesters en oudsten, nîet de vraag of zijn optreden terecht of ten onrechte was. De reiniging van de tempel was eraan voorafgegaan. En ook valt te denken aan Jezus' manier van onderwijs: want Hij leerde hen als gezaghebbende en niet als hun schriftgeleerden (Mt. 7 : 29). Dat laatste is de conclusie na de zgn. bergrede (Mt. 5-7). Daarin werden heel wat heilige huisjes in het heilige land omvergehaald. Zo goed als in het Heilige Huis de tafels der wisselaars en de stoelen der duivenverkopers waren omgekeerd (21 : 12). Heilige huisjes omverhalen lijkt een aantrekkelijk karwei. Maar de meeste slopers en kerkkrakers doen het uit wraakzucht, uit rancune. En met leedvermaak: zelf hebben ze er niets bij te verliezen. Ze hebben de kerk openlijk of in hun hart allang de rug toegekeerd. Ze slopenniet om te kunnen bouwen, maar uit lust om af te breken. Jezus daarentegen had er alles bij te verliezen. Niet maar zijn "populariteit", maar zelfs zijn leven. Ook brak Hij geen heilige huisjes af om aan vernielingsdrang uiting te geven. Hij brak af om het oorspronkelijk bouwwerk in ere te herstellen: het huis van zijn Vader, overkoepeld door de spanten en binten van het wóórd van zijn Vader. Hij wilde maar één ding: terug naar het wezenlijk gehoor geven aan de Schriften (5 : 17). Het zou goed zijn als kerkelijke progressieven en conservatieven zich daaraan spiegelden. Dat bespaarde ons veel vals (res)sentiment. En verwarring. En onduidelijkheid. En onenigheid.
Het zwarte schaap
Jezus had het (hen!) door. Hij vertelde ze een gelijkenis en liet hen zelf het antwoord geven (niet dat het hielp ...); wie van de twee heeft de wil van zijn vader gedaan?
't Doet mij denken aan die zeer rechtzinnige gemeente ergens heel ver weg. Ze hadden een nieuwe predikant beroepen. En de kerkenraad verzocht de gemeenteleden hem te schrijven: kom over en help ons! Nu geviel het dat er één zwart schaap onder de kudde was - althans volgens het oordeel der orthodoxe broederen. Maar dat zwarte schaap dacht: de kerkenraad heeft ons een verzoek gedaan, en ik moet de opzieners der gemeente eren, respecteren. Die beroepen predikant is weliswaar niet de man van mijn keuze - maar nu de kerkenraad het ons opdroeg, behoor ik te schrijven. Dus schreef hij. En in zijn brief vertelde hij eerlijk waarom hij schreef èn dat hij het zwarte schaap der gemeente was.
De predikant nam het beroep aan en kwam na verloop van tijd in zijn nieuwe gemeente. Hij maakte kennis - en belandde op een goede dag ook bij die ene briefschrijver: ja, dominee - ik ben dat zwarte schaap dat u heeft geschreven. Het antwoord; weet u dat u de enige bent geweest die mij geschreven heeft? Je zou kunnen vragen: wie heeft de wil van de kerkenraad gedaan? De láátste van wie je het zou verwachten…
Er gebeuren nog wonderen
De laatste(n) van wie je het zou verwachten - dat is ook waar het bij Jezus' toepassing op uitdraait. Hoor maar: voorwaar, Ik zeg u, de tollenaars en de hoeren gaan u voor in het Koninkrijk Gods.
Kijk maar naar jullie reactie op Johannes de Doper. Zelf had Jezus hem daarnet ter sprake gebracht met de wedervraag: was de doop van Johannes uit de hemel of uit de mensen? Van Godswege of uit eigen belang en eerbejag? Uit boze opzet weigeren ze antwoord te geven (21 : 23-27). Nu voert Jezus hem aan als getuige tégen hen: "Johannes heeft u de weg der gerechtigheid gewezen en gij hebt hem niet geloofd." Hoewel ze zich braaf lieten dopen door hem (3 : 7 v.v.) - maar de dáád van bekering en geloof bleef uit... "De tollenaars en de hoeren echter hebben hem (wel) geloofd (metterdaad)".
Zij namen Johannes' woorden serieus, zowel het eerste als het tweede deel: bekeert u, want het Koninkrijk Gods is nabij gekomen. En Jezus besluit: "doch hoewel gij dat zaagt ... " Let wel: ze kregen wonderen te zien - bekering van notoire, diepgezonken zondaars; dat moest hun toch als "herders" wel aanspreken...! "Doch hoewel gij dat zaagt, hebt gij later geen berouw gekregen en ook in hem geloofd (metterdáád)". Ze bleven onbekeerd en onbekeerlijk in hun veilige heilige huisjes.
Kijk eens in de spiegel!
- 't Moet vreemd zijn te zien dat verstokte boosdoeners tot inkeer komen en geëerde hoogwaardigheidsbekleders zich blijven inbeelden rechtvaardigen te zijn, die geen bekering nodig hebben. Voor hen blijft een zwart schaap een zwart schaap - niet dat 't ze raakt. .. Ze hebben hun heilige huisjes die ze koesteren, die hun isolement vormen. Waarvan zou kunnen gelden: my (holy) home is my castle. Ze hebben dikke muren om zich heen opgetrokken - het zwaard van het Woord schampt af op hun pantser. Ze laten zich door niemand gezeggen - zelfs niet door Jezus. Wat is het beeld van de kerk in de twintigste eeuw? Waarom maakt bijv. het Leger des Heils veel kerkmensen steeds weer jaloers en onzeker?
Een kerk die lééft is een kerk, die reageert op "de wet en de profeten" die niet "ontbonden" worden, maar tot in het hart vervuld. God past zijn Woord niet aan voor sommige mensen - ook niet als mensen (behoudziek of vernielzuchtig) dat wèl doen. Wie niet reageert op het evangelie, mag zich spiegelen aan Jezus' gelijkenis: "en hij antwoordde en zei: ja, heer, maar hij ging niet". De dáád verraadt de werkelijke reactie of het niet-reageren. Dat ligt niet aan het evangelie - dat zie je aan die tollenaars en hoeren. Die namen Johannes serieus en begrepen dat het God ernst is - met de zonde. En met de vergeving. Wie dat eerste niet serieus neemt, blijft ook onbewogen door het tweede. In dat geval blijft Gods barmhartigheid een gesloten boek. Door onwil. En niet door onmacht van het evangelie. Want dáárin staat nog steeds, dat God de wereld zó heeft liefgehad. dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft (metterdaad), niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe (Joh. 3: 16).