Wijsheid (1) - naar aanleiding van 1 Kor. 2: 6-16).
1982-04-23
In 1 Korinthe 2 wordt gesproken over de ware wijsheid. Om dit bijbelgedeelte goed te verstaan moeten we wel even letten op het voorafgaande. Paulus heeft de gemeente van Korinthe zelf gesticht (Hand. 18:1-17; 1 Korinthe 2:1-5). In de grote plaats Korinthe is een gemeente ontstaan van joden en heidenen. Wat zegt 1 : 26 over de gemeenteleden?- Jaargang 26
- nummer 16
Paulus is als hij deze brief gaat schrijven niet erg gerust. De gelovigen in Korinthe zijn nogal tevreden met zichzelf. Zij toch hebben de Geest ontvangen, de Geest der vrijheid? Kunnen zij zelf niet uitmaken wat wel mag en wat niet mag? Deze manier van denken leidde echter tot allerlei vrijbuiterij.
In 4 : 8 zegt Paulus dan ook: 'reeds zijt gij verzadigd, reeds zijt gij rijk geworden...' Men weet het allemaal wel, zo denkt men. Voor hun weten, voor hun kennis moet desnoods het evangelie van God uit de weg gaan.
Paulus ziet de fouten, maar hij blijft de mensen in Korinthe aanspreken als 'geroepen heiligen' (1 : 2). Al zijn ze nog zo eigenwijs, Paulus blijft de gemeenteleden zien als heiligen. Zó alleen kan hij ze echt blijven benaderen en dat wil hij. Paulus begrijpt dat achter de houding van de gelovigen in Korinthe de Griekse levenshouding zit. De Grieken zoeken wijsheid (1 : 22, 23) en proberen door hun denken en dóórdenken de dingen te doorgronden. Zo proberen ze vanuit hun lagere wereld op te klimmen naar de hogere wereld, de wereld van het goede en het betere. Op deze weg van beneden naar boven is voor het kruis geen plaats, op deze weg van het-zelf-weten en het-zelf-wel kunnen is geen plaats voor genade. Daarom wijst Paulus er op dat als er geroemd moet worden God moet worden geroemd (1: 31). God zond immers Zijn Zoon en die Zoon was 'de wijsheid Gods' (1 : 24). Lees 1: 26-29 eens en probeer Gods boodschap voor jezelf en de gemeente te formuleren.
In het denken van de Grieken was geen plaats voor een kruis. Daar wisten de Griekse wijsgeren geen raad mee. Dat kruis was voor hen een dwaasheid, terwijl het voor de joden een aanstoot was (1 : 23), maar voor Paulus is het de inhoud van het evangelie (2 : 2). Paulus weet dat zijn woorden echte wijsheid tot inhoud hebben, wijsheid zijn (2 : 6). Hij weet ook dat naar wereldse maatstaven zijn woorden dwaasheid zijn. Wie zou hij bedoelen met de 'beheersers dezer eeuw, wier macht te niet gaat'? De inhoud van zijn spreken is geweldig. Zijn woorden onthullen een 'geheimenis', het grote geheim van God dat Hij allang verborgen heeft gehouden, maar dat Hij nu geopenbaard heeft aan allen die het willen zien. En wat is nu dat geheim precies? Lees Efeze 1 : 7-14 eens door en probeer dit geheim in een paar woorden samen te vatten. Dat geheim van God is alleen te verstaan in het geloof (8 en 9). Paulus verwijst hier naar gedeelten uit Jesaja 64: 4 en Jesaja 65: 17.
Je moet deze verzen eens nalezen, dan valt het je op dat Paulus nogal vrij citeert. Tussen deze wijsheid van God en de wijsheid van de griekse wijsgeren is geen enkel verband, geen enkele overeenstemming.