De heilige Schrift en haar uitlegging (slot)
1982-04-30
- Jaargang 26
- nummer 17
Het vooroordeel
In mijn artikel van 8 januari j.l. stelde ik dat een wetenschappelijk vooroordeel ons niet mag beïnvloeden bij de exegese van de Schrift. Ik had daarbij duidelijk de natuurwetenschap op het oog. De 'theologische wetenschap' liet ik bij mijn bespreking van dit vraagstuk buiten beschouwing.
Ir. Plooy voert nu tegen mij aan dat ik dit ten onrechte deed.
Want ik zeg dat we de Schrift niet met een wetenschappelijk vooroordeel moeten lezen omdat zij geheel op het peil is betrokken. Alle in de Schrift vermelde feiten staan daarmee in betrekking. Maar ik voeg daaraan toe: dàt is voor de exegese het enige wettige vooroordeel. Ik geef dus toe dat een onbevooroordeelde exegese onmogelijk is en verzwak daarmee mijn stelling dat we de Schrift onbevooroordeeld moeten lezen en verstaan, aldus ir. Plooy.
Hier nu zou ik struikelen, want de kwestie ligt niet zo eenvoudig als ik doe voorkomen. Want hoe weet ik dat de Schrift geheel op het heil betrokken is? Dat staat nergens in de Schrift, zegt ir. Plooy, maar is het resultaat van een theologische bezinning op de Schrift. Mijn vooroordeel - het enig wettige volgens mij - is dus evenzeer van wetenschappelijke oorsprong als vooroordelen (uit de natuurwetenschap voeg ik hier in) die ik bestrijd. Ik wil echter met klem ontkennen dat mijn vooroordeel van wetenschappelijke oorsprong is en te danken is aan een theologische wetenschappelijke Schriftbeschouwing.
Het is een zaak van eenvoudig luisteren naar de Schrift zelf. Jezus Zelf zegt tot de Joodse leidslieden: Gij onderzoekt de Schriften, want gij meent daarin het eeuwige leven te hebben, en deze zijn het die van Mij getuigen (Joh. 5 : 39, vgl. ook Luc. 24 : 27). Petrus leert ons: De profeten hebben geprofeteerd van de voor u bestemde genáde, terwijl zij naspeurden, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lijden, dat over Christus zou komen, en van al de heerlijkheid daarna (1 Petr. 1 : 11, zie ook vers 12). Dat de Schrift op ons heil betrokken is, vinden we niet minder duidelijk uitgesproken in 2 Tim. 3: 16. Het getuigenis van Jezus is de geest der profetie, zegt Openb. 19: 10. Ir. Plooy kent al deze teksten natuurlijk net zo goed als ik. Maar ik begrijp eerlijk niet hoe hij met het oog op dit onmiskenbaar duidelijk spreken van de Schrift over zichzelf kan spreken van een vooroordeel van wetenschappelijke oorsprong, vrucht van theologische bezinning op de Schrift. Dit woord theologisch dan gebruikt in wetenschappelijke zin. Zou iemand willen zeggen dat genoemde en andere teksten als b.v. ook Hand. 10: 43 alleen op het Oude Testament slaan, dan zou ik er op willen wijzen dat het Nieuwe Testament het woord is van de apostelen, wier opdracht het was van Christus te getuigen (Hand. 1 : 8, vgl. ook Joh. 21: 31 en 21: 25). Een àndere zaak is dat in de praktijd het gelovig luisteren naar de Schrift in zijn algemeenheid, dus afgedacht van het zo juist genoemde vooroordeel, altijd(?) op een of andere manier beïnvloed is door de neerslag van theologische kennis in onze geloofskennis. Ik citeer hier ir. Plooy. Het vraagteken achter het woord 'altijd' is alleen van mij. Het gelovig luisteren naar de Schrift is nooit volstrekt voor-theoretisch, zegt hij. Ik erken dat niemand als een onbeschreven blad papier zich met de Schrift bezig houdt. We komen als regel in de kerk en via de kerk tot de Schrift. En wat brengt dat allemaal niet mee! Ook het mede gevormd zijn door het onderwijs in de belijdenis van de kerk. En we kunnen van die belijdenis zo hoog opgeven als we willen en haar erkennen als het gelovig aanspreken van de Schrift, in die belijdenis vinden we naar mijn overtuiging toch mede een neerslag ook van theologische kennis van eeuwen in de kerkgeschiedenis.
Maar die belijdenis zegt zelf dat zij staat beneden de Schrift, art. 7 van de N.G.B. en zij is in de kerk altijd apellabel aan de Schrift geacht. Daarin ligt de erkenning dat de Schrift haar eigen uitlegster is.
Sacra Scriptura sui ipsius interpretes 1). Het is de tragiek van de na de grote Reformatie opkomende orthodoxie dat zij dit beginsel onvoldoende heeft ter harte genomen en laten doorwerken. Zo kon de Schrift gebonden worden in een theoolgisch systeem en in haar exegese bepaald worden door een tot heerschappij komende dogmatiek, een vervanging van het oorspronkelijk aangehangen beginsel van de analogie des geloofs als principe bij de Schriftverklaring.
Principieel gezien was dit een terugval in de Roomse idee van de traditie alsmede bepalend voor de exegese. Er moet alleen gezegd worden dat dit een praktijk was, die streed met het beleden beginsel! En om dat beginsel gaat het in ons gesprek. Wat in de praktijk gebeurt is nooit norm!
Gezegd moet evenwel óók, dat de Schrift zèlf zich niet laat binden. Paulus zegt in 2 Tim. 2 : 9, als hij zelf in de gevangenis is: maar het Woord van God is niet gebonden.
Dat volbrengt zijn zegetocht over de wereld wel. En dat blijkt ook telkens weer. Elke reformatie bewijst dat. Menselijke bedenksels en ook wetenschappeijke ideeën leggen het dan af tegen de levende kracht van het Woord. De Heilige Schrift legt dan weer met nieuwe kracht zichzelf uit! Of beter, de Heilige Schrift die de eerste auteur van de Schrift is, breekt alle banden, die mensen ook met hun feilbare theologische wetenschap de Schrift hadden aangelegd, stuk, en doet de Waarheid met nieuwe glans stralen. Niet los van de Schrift, maar in en door de geschreven letter van de Schrift in het brengen tot een nieuw verstaan.
Vanuit de eenheid der wetenschap, waartoe ook de theologische wetenschap behoort, komt ir. Plooy verder tot de conclusie dat de exegese der Schrift ook niet van de resultaten van de overige wetenschappen kan worden geïsoleerd. De Heilige Schrift kan volgens hem niet worden verstaan zonder een vooroordeel, dat op zijn minst door de resultaten der wetenschap beïnvloed is. Blijkbaar bedoelt hij hier het woord wetenschap in algemene zin.
Ik laat dat nu. maar rusten omdat hij hier voortbouwt op een door mij naar ik meen aangetoond te hebben, onjuiste stelling. We zouden bovendien wel erg veel overhoop moeten halen, terwijl ir. Plooy hier wel beweert, maar nalaat zijn stelling aannemelijk te maken.
Bijbel en wetenschap
De verhouding van wetenschap en exegese is veel ingewikkelder dan ik onze lezers heb doen willen geloven, schrijft ir. Plooy, alles samenvattend.
En dat heeft gevolgen voor onze beoordeling van de evangelische wetenschap, meent hij. Blijkbaar is dat de zaak, waar het hem in laatste instantie om gaat: Evangelische wetenschap, die een beroep doet op de Schrift, is mogelijk. Ik wil beginnen met te zeggen dat ik dat nergens heb ontkend of bestreden. Mijn enig doel was de exegese vrij te houden van beïnvloeding door resultaten van de natuurwetenschap. Dat is natuurlijk geheel iets anders dan het omgekeerde: de natuurwetenschap vrij te houden van beïnvloeding door de Heilige Schrift! Ik bestreed alleen inzake het vraagstuk van Bijbel en wetenschap de wéderzijdse afhankelijkheid. Dat is daarom ook niet: het zo scherp mogelijk willen trekken van de grens tussen de Bijbel en het wetenschappelijk onderzoek Het lijkt me niet nodig te herhalen wat ik over deze zaak schreef. Maar een enkele verduidelijking is misschien niet overbodig.
Ik wees op het gevaar dat creationisten kan bedreigen met hun nadrukkelijk spreken over de betrouwbaarheid van de in de Schrift meegedeelde feiten op het gebied van de natuur. De Bijbel deelt ze ons mee in de omgangstaal, om met ir.
Plooy te spreken. Maar gemakkelijk kan de sprong gedaan worden naar de wetenschappelijke interpretatie ervan, zo merkte ik op. En dat kan zich wreken als een boemerang op de exegese zelf. Daarin dringt zich dan gemakkelijk een uit de natuurwetenschap geboren vooroordeel binnen. Als voorbeeld noemde ik de stelling dat de zondvloed een wereldwijde catastrofe moet zijn geweest en niet slechts de toen bewoonde aarde betrof. Exegetisch is hier geen zekerheid te geven, schrijft Aalders in de Korte Verklaring. Voor veel moderne creationisten is deze stelling echter een geloofsartikel! Hier is een dictaat van de natuurwetenschap en niet van de Schrift zelf. Maar op deze wijze lopen we gevaar de Schrift zelf te trekken in de gevarenzone van een wetenschap, die deelt in het betrekkelijke van alle menselijke kennis.
Ir. Plooy betoogt dat de mensen in de omgangstaal spreken over feiten die zij kennen en beleven. Dezelfde feiten worden geanalyseerd in de wetenschap. Dit geldt ook voor de feiten, waarover de Schrift spreekt. Maar hierbij moet wel aangetekend worden dat het hier meegedeelde 'feiten' betreft, door de wetenschap vaak niet te achterhalen, zodat zij moet afgaan, althans gedeeltelijk, op de mededeling ervan. Hierbij komt dan de vraag op of die mededeling zich daartoe leent? Is zij volledig genoeg? Leent zij zich als daad Gods voor wetenschappelijke analyse?
Dan is er ook de vraag in hoever er van feiten sprake is, van reële feiten en niet van een bepaalde voorstellingswijze. Met andere woorden: heel de problematiek van letterlijk en figuurlijk in de zin van een bepaalde figuur) komt hier terug. Ir. Plooy voelt hier wel iets van, want hij schrijft: "Het is duidelijk dat men van mening kan verschillen over de vraag, of een bepaalde uitspraak in de Schrift is bedoeld als duiding van een feit". Terecht! Mijn misschien niet geheel duidelijk uit de verf gekomen bezwaar tegen bepaalde creationisten met hun nadruk op de feiten, was dat dit te gemakkelijk gebeurt en dat dan vanuit natuurwetenschappelijk oogpunt wordt geïnterpreteerd.
Ir. Plooy erkent dat in rekening moet worden gebracht dat de Schrift niet is geschreven om feitenkennis over te dragen, maar om het héil te verkondigen. Hij voegt daar dan echter aan toe: "Het laatste is echter niet zo'n principieel punt als wel eens gedacht is"!, overigens zonder nadere toelichting. Ik geloof echter dat dit nu juist van alles beheersende betekenis is. Want wat heeft het lezen van de Schrift met een natuurwetenschappelijke bril in plaats van met een religieuze al niet meegebracht. En wat heeft een, al reeds verouderd, wetenschappelijk vooroordeel in de exegese, al niet teweeg gebracht. De mening daarbij dat Gen. 1 een 'natuurhistorisch getrouw' verslag zou bieden van Gods scheppingsdaden, heeft geleid tot allerlei exegetische capriolen en theorieën, die hebben gevoerd tot een schier eindeloze strijd.
Er is daarom naar ik geloof nog alle reden om te zeggen dat de Bijbel geen handboek voor de wetenschap is en te herinneren aan het woord van Augustinus: Er wordt in het Evangelie niet gezegd dat de Here gesproken heeft. Ik zend u de Heilige Geest, die u zal onderwijzen over de loop van de zon en de maan. Want Hij wil Christenen maken, niet mathematici. Natuurlijk is hiermee niet alles gezegd en kan ook dit woord misbruikt worden.
Maar het kan toch dienen als een waarschuwing wanneer we van ir. Plooy horen dat de wetenschap de exegese der Schrift mag beïnvloeden. We leven in een tijdperk van geweldige overschatting van de wetenschap. Daar zullen ook de christelijke wetenschappers zich van bewust moeten zijn en wij allemaal. Ik word toch wel een beetje bang en niet een klein beetje ook wanneer ik van ir. Plooy lees dat de werkelijkheid waarover de Schrift spreekt, in wetenschappelijke termen is uit te drukken. En ik blijf vrezen voor een boemerangeffect.
Tenslotte: Ik heb met grote aandacht en belangstelling het helder geschreven artikel van ir. Plooy gelezen en hoop er recht aan gedaan te hebben.
1) Ook Scriptura Scripturae interpretes: De Schrift is de uitlegster van de Schrift.