Over het "Wilhelmus"

1982-04-30
  • Jaargang 26
  • nummer 17

Inleiding
In het volgende artikel zal ik iets over ons volkslied vertellen. Vooraf wil ik een paar opmerkingen maken over de geschiedenis van het lied zelf en over de plaats van het lied in de geschiedenis.
Ook komt de opbouw, de structuur, ter sprake, omdat die ten nauwste samenhangt met de inhoud.
En, uiteraard, ik zal een poging doen om nauwkeurig te lezen wat er staat.

Gezang 411
In het Liedboek voor de Kerken is het complete Wilhelmus opgenomen, geschreven in de tegenwoordige taal en niet meer in die van de 16e eeuw. Dat geeft natuurlijk het grote voordeel, dat het lied nu leesbaar geworden is voor iedereen. Of het daardoor ook meteen begrijpelijk geworden is, is een andere vraag. Daarom is het wellicht nuttig eens iets meer over ons volkslied te zeggen. Ik mag aannemen, dat in de meeste Nederlands Gereformeerde gezinnen zo langzamerhand het Liedboek voor het grijpen ligt. Daarom neem ik het Wilhelmus hier niet in zijn totaliteit over.
In het Liedboek staat erboven: 16e eeuw Valerius' Nederlandsche gedenck-clanck 1626. Het behoort echter tot een nog oudere bundel, nl. het Geuzenliedboek, dat waarschijnlijk stamt uit 1574. Maar dat betekent, dat het dus nog eerder geschreven is.
Eronder staat: Onbekend Nederlands dichter, 16e eeuw. De Interkerkelijke Stichting voor het Kerklied heeft blijkbaar niet kunnen besluiten in de onzekerheid omtrent het dichterschap een keuze te doen. Dat Marnix van Sint-Aldegonde nog altijd hoog genoteerd staat, zal in het volgende duidelijk worden.
Als u het Wilhelmus wel eens zingt in de kerk (maar pas wel op hoor: na het uitspreken van de zegen!), dan moet u ook eens letten op de laatste regel: u moet niet (meer) zingen: "hè - hè - bik - kaltijd ", maar heel gewoon "heb ik altijd ". Wat in uw bundeltje klein gedrukt staat, is eigenlijk onjuist, in de kooruitgave van de bundel is dat dan ook weggelaten. En waarschijnlijk hebben uw kinderen het op school al goed geleerd.

Uit de geschiedenis van het lied
In een dagboek, dat ene Willem Jansz Verwer in Haarlem bijhield tijdens het beleg door de Spanjaarden in 1573, schreef hij op 31 mei het volgende: "Een soldaat, sittende op stats muyren (an de Scaepekaeshuystoren bij die Ramen) ende sijn schiltwacht aldaer hebbende ende nergens af wetende, mogelick een liedeken singende aldus - want sij 't dick (="dikwijls - J.) in den mont hadden - Wilhelmus van Nassauwen ben ie van Duytsen bloet etc., worden miraculoselijcken sijn been afgescoten ende daeraf ghestorven". Op 1 december 1574 is er in Amsterdam een schippersknecht veroordeeld, omdat hij de eerste twee coupletten van het Wilhelmus gezongen had.
Het genoemde citaat is mogelijk de oudst bekende tekst waarin het lied genoemd wordt, en daaruit blijkt dat het toen al bekend en geliefd was, en uit het andere voorval zien we tevens dat het ook gehaat was. Het lied was in brede lagen van de bevolking, maar vooral onder de soldaten, bekend. Trompetters bliezen het bij allerlei gelegenheden, b.V. in 1590, toen Prins Maurits Breda binnentrok, "doe blies en de Trompetten lustich, het liedeken eertyds ghemaect ter eere van den Prince van Oraengiën zijn Heer vader, Wilhelmus van Nassouwen, ben ick van Duytschen bloet" . Zo bleef het lied, althans de melodie, in herinnering. Of de woorden dat ook bleven?
Langzamerhand raakte het lied in onbruik, werd het bezien als een partijlied van Oranjegezinden, en tenslotte kwam het in het vergeetboek terecht, zodat na de Franse tijd naar een nieuw volkslied gezocht moest worden. Door een prijsvraag uit te schrijven hoopte men op iets groots. Een ziedaar, welk een succes leverde dit op: Als eerste werd erkend het brallende gerijmel van Tollens, een racistisch lied, dat het "Neêrlandsch bloed van vreemde smetten vrij" wilde houden. Het tekent de Nederlandse mentaliteit van die dagen. Aan het einde van de vorige eeuw kwam er een kentering in het oordeel. Toen koningin Wilhelmina gekroond werd, is haar het Wilhelmus toegezongen. In die "Psalmen en Gezangen voor den Eeredienst der Nederlandsche Hervormde Kerk" van 1938 kwam het voor onder nummer Gez. 301, en nu staat het dus ook in het Liedboek voor de Kerken. Als hoogtepunt in de laatste tijd mag ik nog wel noemen het feit, dat Koningin Beatrix in haar inhuldigingsrede het "Mijn schild ende betrouwen zijt Gij.: 0 God, mijn Heer" citeerde als een persoonlijk geloofsbelijden. Het Wilhelmus heeft voluit erkenning gevonden. Maar ik heb er wel mijn twijfels over of dit laatste geldt voor de hele breedte van ons volk van links tot rechts.

Een stukje vaderlandse geschiedenis
Als we het Wilhelmus goed willen begrijpen, is het nodig dat we weten in welke tijd het lied geschreven is. Daarom een beetje vaderlandse geschiedenis.
Het jaar 1568 rekenen wij als het begin van de 80-jarige oorlog. De hertog van Alva was al eerder begonnen met zijn onderdrukkende macht. Vluchtelingen hadden zich weggespoed, de zee op, of vooral naar Duitsland. Onder die laatsten bevond zich de Prins van Oranje.
Met hulp van zijn broers en anderen beijverde hij zich ons land te hulp te komen. Voor een groot deel op eigen kosten scharrelde hij een legertje bij elkaar. En u herinnert zich de overwinning bij Heiligerlee waar Graaf Adolf echter het leven liet, en kort daarop de nederlaag bij Jemmingen. In het zuiden probeerde de Prins opnieuw ons land binnen te dringen; hij trok over de Maas, maar Alva ontweek de slag en liet zich niet zien. Zo begon voor de Prins een rampzalige zwerftocht met een huurlingenleger, dat langzaam verliep en aan het muiten dreigde te slaan. De Prins trok zich opnieuw terug naar Duitsland, verarmd maar ondanks alles niet geheel ontmoedigd. En Alva beheerste het toneel en kon ongestoord (voorlopig!) zijn heerszucht botvieren in onderdrukking en uitpersing.
Het volk moet zich op dat tijdstip verlaten gevoeld hebben. Deed de Prins dan niets meer? Was er geen hulp meer te wachten? Pas in 1572 horen we weer van krijgshandelingen, toen nl. Den Briel, min of meer toevallig, en aanvankelijk tegen de zin van de Prins, in geuzenhanden terechtkwam.
Toch was er in die paar jaar wel iets gebeurd, al was het dan niet zo iets spectaculairs. Het volk en zijn leiders hadden zich, zij het voorzichtig en geleidelijk, hersteld uit hun positie van gelatenheid. Het was hier en daar tot onderlinge contacten gekomen tussen de steden.
Boodschappers waren naar de Prins en terug gereisd. En zo was ook op de Dillenburg het besef gegroeid, dat de situatie in de Nederlanden in gunstige zin aan het veranderen was. De moed en de durf keerden, zij het nog aarzelend, terug. En juist in die tijden was het, dat het Wilhelmus de ronde ging doen als een teken van hoop en een oproep tot moed. Over dat lied zelf zal ik de volgende keren het een en ander zeggen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief