Het volgen van Jezus (4)

1981-11-27
  • Jaargang 25
  • nummer 43
Niet altijd heeft de verwachting van de wederkomst van Christus de juiste aandacht. Nu eens is ze stiefkind, dan weer troetelkind. Wil de toekomstverwachting een motief tot heiliging en troost zijn, dan moeten we "het NU" zien in het licht van "STRAKS". Immers het heil in het Nieuwe Testament is rijk, maar draagt een voorlopig karakter: de eersteling-gave is de oogst nog niet. Het Koninkrijk, dat God in Jezus Christus op aarde gevestigd heeft, moet nog voltooid worden, zo zagen we in de laatste overdenking n.a.v. Luk. 9: 57-62. Die verwachting van wat God nog doen zal, moet evenals wat God gedaan heeft en nu nog doet, onze aandacht hebben, onze geloofsaandacht!
Als we dan het eerste hoofdstuk van Paulus' eerst brief aan de Thessalonicenzen lezen valt op de blijde verbazing die er uit spreekt: Paulus heeft maar kort in Thessalonica gewerkt, maar het werk van God heeft zich heel rijk ontplooid.
Daar dankt Paulus voor, want het is bepaald niet gemakkelijk gegaan,er was zware verdrukking van hen, die het Woord aannamen (vs. 6). Maar toch bloeiden in de gemeente van Thessalonica het geloof, de hoop en de liefde, zo zeer zelfs, dat er van de gemeente een roep uitgaat in de omgeving. Broeders, die bij Paulus komen vertellen ervan: er is bekering gebleken en die bekering vindt haar spits in het verwachten van de Zoon van God uit de hemelen. Die bekering was tot stand gekomen door de kracht van Woord en Geest (vs. 5). Bekering begint, zo gezien, met luisteren, waardoor er vreugde en bevrijding, geloof, hoop en liefde in je leven komen; bekering gaat gepaard met je afkeren van de afgoden (vs. 9) en je toekeren tot de levende God: van afgoden heb je niets te verwachten, maar de God, die waarachtig leeft, geeft vreugde en leven: Hij spreekt en doet spreken; Hij leeft en doet leven. Hem te dienen is vreugde, is leven. Bij die bekering hoort dan ook het verwachten.
De genade van de bekering blijkt de drie dimensies van het leven: verleden, heden en toekomst, te raken.
Verwachten, een grondwoord uit de Bijbel betekent, zo gezien, steeds meer tot het heil van God bekeerd worden.
In dat woord verwachten zitten ook weer verschillende trekken: er zit iets in wat neigt naar ontevredenheid: het eigenlijke is er nog niet. Ook iets dat neigt naar onmacht: we kunnen zelf die toekomst niet dichterbij brengen. Ook verlangen speelt er in mee, maar tenslotte ook zekerheid: immers we weten ervan; het is ons beloofd en daarom zal het ons bezig houden. Die verwachting is uiteindelijk vruchtbaar voor het geloofsleven, geeft er een zekere spanning aan en is tegelijk een rustpunt.
De Zoon van God uit de hemelen verwachten is: Jezus verwachten, die uit de doden is opgewekt.
Net als op andere plaatsen in het Nieuwe Testament wordt ook het heil van de verwachting teruggebogen tot Pasen.
Door Jezus uit de doden op te wekken heeft God een nieuw begin gemaakt: Daar is de toekomst begonnen, toen Jezus opgewekt is. De naam Jezus gebruikt Paulus niet vaak alleen, maar meestal samen met de naam Christus of de titel Here. Als de naam Jezus alleen gebruikt wordt is dat om nadruk te leggen op Jezus' verbondenheid met ons. Jezus, als onzer één. Hij overwon en vanuit Zijn overwinning is er nieuwe verwachting. Hij, de eersteling, waarborgt de volle oogst. In Hem hebben we het nieuwe begin gezien. Het verwachten van de gemeente is niet een onbestemd heimwee, maar heeft een vaste en blijvende grond in de levende Jezus. Hem mogen we verwachten als de voleinder van Zijn begonnen verlossing, want Hij is geen Verlosser in ruste: Hij is nog steeds bezig mensen te trekken, te leiden, te leren en te bewaren. Hij gaat Zijn werk voltooien in ons, aan ons, in Zijn kerk, in Zijn wereld. Het begin is er door
Hem, de voleinding niet minder. Hij is onze hoop. Op Hem is onze verwachting gericht. Zijn grote dag komt dichterbij.
Hem mogen we verwachten, als een kind, dat tenvolle vertrouwt op wat het beloofd is. Hem mogen we verwachten, als een bruid, die in liefde naar haar bruidegom verlangt.
De bruid zegt: Kom, en de Geest zegt het haar voor (Openb. 22: 17). Hem mogen we verwachten als een 'knecht, die zijn taak uitvoert, terwijl hij wacht op de terugkeer van zijn Heer. Werkend waken en wakend wachten, zo mogen we Hem uit de hemelen verwachten.
Van het komen van Jezus en van het komen van de toorn, van het gericht, wordt in één adem gesproken. Met de komst van Jezus komt ook de laatste dag. Waar de zonde 'Opaarde gekomen is, komt het gericht op ons toe, waarin de toorn van God over de zonde tot openbaring komt. Gods toorn, die ons het hart doet beven, want wie kan voor Hem bestaan? Wie heeft er uit zichzelf de kracht, de mogelijkheid om die op ons toekomende vreselijke toorn te doorstaan?
Jezus wordt hier genoemd degene, die ons verlost van die toorn. Hij is daarmee bezig, nu, en gaat daarmee door tot de jongste dag. Tot dat verlossend werk behoort, dat Hij Zichzelf een plaats maakt in ons leven. Hij leert ons ook, dat we uit onszelf voor die toorn niet kunnen bestaan.
Buiten de gemeenschap met Hem zullen we beschaamd staan in Zijn toekomst. Dan zal de toorn ons wegvagen.
Over die toekomst wordt nu al beslist. Jezus kennen en verwachten is: steeds meer tot Hem bekeerd worden "van alle afgoden tot de levende en waarachtige God en Zijn Zoon Jezus." Dan worden we trouwens intussen niet ongeschikt voor het leven nu. Nee, werkend waken en wakend wachten of zoals Luther het zei: kwam Jezus morgen, ik zou vandaag nog een boompje planten. Of, zoals de apostel Petrus het zegt (2 Petr. 3: 11): Hoedanig behoort gij dan te zijn in heilige wandel en godsvrucht! Wij, die God mogen kennen en mogen liefhebben, die mogen weten,van Zijn gang in de wereld, die de tekenen van Zijn aanwezigheid ook in ons eigen leven mogen zien, hoe verwachten wij Hem?!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief