Hoe werkt een kerkeraad? (2)

1981-11-27
  • Jaargang 25
  • nummer 43
De vorige keer eindigde ik mijn artikel met de gedachte: zouden Kerkeraden misschien daarom soms onbevredigend werken, omdat zij een verkeerd zelf-beeld hebben.
Het is onder mensen al zo dat iemand, die een verkeerd beeld van zichzelf heeft, een moeilijk mens is.
Precies zo kan het gebeuren dat een Kerkeraad daarom niet bevredigend werkt omdat zij te weinig beseft wie zij eigenlijk is.
Daarover wil ik in dit artikel breder met u nadenken.
Wat leert de Schrift ons over Kerkeraden?
Het opvallende is dat een nader onderzoek van het N.T. op dit punt nauwelijks iets oplevert.
Het woord "Kerkeraad" komt zó nergens voor. Wel lezen wij één keer in het N.T. iets over een groep, . een college van ouderlingen nl. in 1 Timotheus 4 : 14 schrijft Paulus aan Timotheus: Veronachtzaam de gave in u niet, die u krachtens een profetenwoord geschonken is onder handoplegging van de gezamenlijke oudsten. Er staat in het Grieks voor de onderstreepte woorden: "presbyterion" en inderdaad zijn er vertalingen zoals die van prof. Brouwer die dit vertalen met "raad der oudsten". Toch ligt het méér voor de hand om hier alleen maar te denken aan een gezamenlijk optreden van alle oudsten bij het bevestigen van Timotheus in zijn ambt.
Zij hebben hem samen de handen opgelegd. Daar verwijst Paulus naar. Er zijn hier geen conclusies aan te verbinden alsof er dus een Kerkeraad bestond, die dus alleen bestond uit ouderlingen en die dus de gemeente regeerde etc.
Het blijft opmerkelijk dat het N.T. ons niets leert over de Kerkeraad als zodanig. Zeker: er wordt gesproken over diakenen (1 Tim. 3) en over oudsten, ook over oudsten, die goede leiding geven en zij die in het bijzonder belast zijn met prediking en onderricht (1 Tim. 5 : 17), wat bij ons de predikanten zijn, maar nergens wordt een omschrijving gegeven van een college, die als Kerkeraad moet opereren.
Wat mogen wij hieruit afleiden? Dat er in de N.T.ische gemeenten geen Kerkeraden waren? Dat lijkt mij een onjuiste conclusie. Waarschijnlijker is dat de oudsten en diakenen ook zo hun tijden hadden dat ze met elkaar overlegden en baden voor de gemeente. Het is moeilijk om je iets anders voor te stellen.
Ook al weten wij dat niet: toch denk ik dat daar ook wel anderen bij geweest zullen zijn: evangelisten en profeten (Ef. 4 : 11) en bijv. vrouwen als Phebe (Rom. 16 : 1, 2) en Prisca en Aquila, die immers medearbeiders in het Evangelie genoemd worden (Rom. 16: 3 vgl. Phil. 4: 3).
Toch valt er in de Schrift geen enkel licht op dit overlegscollege - of zo u wilt deze raad. Daaraan verbind ik de conclusie dat de Schrift in het N.T. veel meer aandacht geeft aan personen, die met bijzondere gaven en in speciale bedieningen in de gemeente werkzaam zijn dan aan een collectiviteit of een college.
Daar komt nu opnieuw de uniekheid van het lichaam van Christus uit: Zij is niet als een onderneming of een staat of een school, zodat wij haar structuren meer aan zulke in de samenleving werkzame organisaties zou moeten ontlenen, maar zij is onvergelijkbaar en uniek.
Waar vinden wij een openbaar lichaam met een onzichtbare voorzitter?
Waar is een groep in de wereld werkzaam onder leiding van een onzichtbare Heer?
Het is de Heer zelf die rechtstreeks het lichaam draagt, en leidt en voedt en stuurt en Hij doet dat door Zijn Woord en door geestesgaven en bedieningen, die alleen aan personen gegeven worden en niet aan een college of een raad. Deze personen samen vormen de gewrichten en de pezen die heel het lichaam dragen en bijeenhouden, door de kracht van de liefde (Efeziërs 4 : 16).
Het beeld, dat zich vanhieruit aan mijn oog ontvouwt is niet een pyramide, met Christus als het Hoofd aan de top en daaronder de Kerkeraad en dàn de basis, maar veel meer een onzichtbaar netwerk van draden die allen van het éne Hoofd Christus uitgaan en die als het zenuwgestel en de bloedsomloop van een lichaam alle leden direct en rechtstreeks onmiddellijk vanuit het Hoofd bereiken en voeden en prikkelen en sturen.
"Eén is uw Meester en gij zijt allen broeders", dat heeft Jezus de discipelen geleerd. "Laat u ook geen leidslieden noemen, want één is uw Leidsman, de Christus" (Matth. 23 : 8-10).
Is er binnen dit veelkleurig geheel van het lichaam van Christus dan wel plaats voor een Kerkeraad?
M.i. niet als een soort kerkelijk bestuur, dat zoals alle besturen gaat regeren, maar wel als een samenbundeling van bedieningen en ambten die gezamelijk het lichaam mogen dienen en voeden. Tot één van deze diensten behoort ook: het goed kunnen regelen en het met wijsheid leiding kunnen geven (Rom. 12: 7, 8).
Als deze conclusie juist is, dan zou een Kerkeraad zich bij haar werk sterk bewust moeten zijn van het geestelijk karakter van haar werk.
Hoe wil de Heilige Geest de gemeente door onze bediening bouwen?
Wij zouden bij iedere Kerkeraadsvergadering de voorzittersstoel leeg moeten laten staan, om er symbolisch mee uit te drukken dat dáár de voorzitter is, van wie wij bij ieder onderdeel van het agendum voor leiding en stimulans en overzicht afhankelijk zijn.
Dat leidt mij tot een aantal praktische opmerkingen over het werken van een Kerkeraad, die met dit zelf-beeld aan het werk gaat.
Geen topbestuur dat regeert, maar het dienende geestelijke draagvlak van de gemeente. Een Kerkeraad zou dit dieper kunnen beleven door aandachtig tijd te nemen voor gezamelijke bijbelstudie en gebed. De éne Kerkeraad zal dit wellicht kunnen doen door een apart week-end samen te beleggen, waarbij bijv. de mannen hun vrouwen en de vrouwen hun mannen meenemen. De andere Kerkeraad zal dit in de eerste helft van hun avond kunnen doen - of er zo nu en dan eens een aparte avond voor uittrekken.
Bovendien zou het gebed - of als dat kan - gemeenschappelijk gebed een belangrijke plaats mogen innemen, niet aan het begin en het eind - maar gewoon ook midden in de avond, en ook als er op een bepaald punt speciale moeiten zijn of er geen eenstemmigheid kan worden bereikt. Bestuurlijke zaken zouden zo veel mogelijk moeten worden gedelegeerd aan een paar leden van de Kerkeraad die daar speciale gaven voor hebben. Daar hoeft niet per se de dominee onder te zijn.
De onderwerpen op een agendum van een Kerkeraad zouden iets moeten weerspiegelen van deze instelling, zoals: hoe worden onze samenkomsten tot plaatsen waar de Here kan werken en waar niet alleen de ouderen, maar ook de jongeren bijv. van 12-15 jaar iets aan hebben en waar niet alleen de studerenden maar ook de werkenkende jongeren zich aangesproken weten. Hoe kan de Here werken door ons heen in onze stad of ons dorp? Zijn er versteende tradities die als een hinderpaal de van buiten tot ons komende belangstellenden in de weg staan? Wat doen wij aan de bevordering van de eenheid van de Kerk? Hoe dragen wij nu het Woord van de Heer uit in de vragen waarvoor de samenleving ons stelt - en de volkeren-samenleving?
Hoe vieren wij het Avondmaal naar de Schrift? Hoe bevorderen wij de beoefening van de gemeenschap in de Kerk als zij een groter lichaam geworden is? Is er kinderwerk in de gemeente? Studerenden, militairen, verpleegsters hebben een heel ander en onregelmatig leven; hoe onderhouden wij banden met hen?
Deze vragen zouden met vele anderen kunnen worden aangevuld.
Waar het mij om gaat is dit, dat de echte vragen van ons gemeente-zijn in een houding van leven en zoeken naar de Here zelf toe moeten worden aangezet, om dan ook te gaan opmerken wat Hij ons geeft op ons gebed aan gaven die in deze noden voorzien - in en buiten dit samenwerkingsverband van oudsten en diakenen.

Tot slot: vanuit deze op het N.T. gebaseerde gedachten over de Kerkeraad zou er ook een vernieuwing moeten plaatsvinden van de formuleringen van art. 30-32 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Ik denk dat de huidige vorm van de Nederlandse Geloofsbelijdenis er toe bijdraagt om de Kerkeraad te zien als bestuurscollege dat de Kerk moet regeren zoals de senaat het land regeert en een schoolbestuur een school. Zo lees ik in art. 30: "Wij geloven dat deze ware Kerk geregeerd moet worden naar de geestelijke politie die ons onze Here geleerd heeft in zijn Woord, etc.
Het woord politie is het oud-Nederlandse woord voor "bestuur" en het woord "raad", dat in het Frans luidt: "senaat" is ontleend aan de burgerlijke besturen. De nadruk op het regeren staat op gespannen voet met Mt. 23 : 11 en de omschrijving van de ambtsdragers als "regeerders" is in het N.T. niet terug te vinden (art. 32).
De hele opzet van art. 30-32 is er een die nog steeds de sfeer verraadt van de middeleeuwse Kerk waar over de gemeente werd gedacht als een pyramide - van bovenaf, met hiërarchische ambtsopvattingen.
Dit staat op gespannen voet met het N.T. dat ons leert de gemeente te bezien van onderop, vanuit de gaven die de Heer aan ieder lid wil geven - en waarmee wij ieder - met Hem verbonden - het geheel mogen dienen in plaats van regeren (een woord dat van art. 30-32 ontbreekt).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief