Enige opmerkingen over het Avondmaal
1981-11-27
Meer mag de lezer in dit artikel niet verwachten. Dus geen les over het Avondmaal. Geen verhaal over de transsubstantiatie of consubstantiatie (zoals wij op de catechisatie nogal breedvoerig hoorden verklaren). Maar bespreking van misverstanden, die ik in m'n pastorale praktijk wel tegenkwam.- Jaargang 25
- nummer 43
Laat ik er een paar noemen waarmee ik in aanraking kwam.
Jaren geleden vertelde mij een hervormde collega, dat omstreeks Pinksteren een 50 jonge broeders en zusters belijdenis van geloof zouden afleggen.
Ik kende de "ligging" van z'n gemeente en dus vroeg ik hem: Hoeveel van hen zullen de daarop volgende zondag aanzitten aan de tafel van de Here. Z'n antwoord was, dat het er mogelijk 5 zouden zijn of ten hoogste 10. Meer waren er naar zijn mening ook niet toe gerechtigd. Op mijn vraag wat er dan meer nodig was om deel te mogen nemen aan het Heilig Avondmaal dan geloof? en dat deze broeders en zusters toch gelóófsbelijdenis deden? antwoordde hij, dat deze jonge mensen nu aan het einde van het catechisatieonderwijs waren gekomen en dat ze nu lidmaten van de kerk waren in volle rechten. Maar dat dit niet wilde zeggen, dat ze nu avondmaal mochten vieren. Hij vond dit vrij normaal.
Ik vond en vind het nog een abnormale zaak.
Voor een paar jaar beleefde ik het volgende. Bij de viering van het Avondmaal zaten er naast ons een oude moeder met twee dochters uit Canada, bij haar gelogeerd. Het was mij bekend, dat zij belijdende leden van een kerk waren. Ik meen van de vrijgemaakte kerk in Canada. Ik reikte aan die zusters de schotel en de beker over. Maar zij namen niet van het brood en dronken niet uit de beker, doch gaven deze door aan haar moeder. Toen ik na afloop van de dienst haar vroeg, waarom zij aan de nodiging van de Here geen gevolg hadden gegeven, was het antwoord: Maar we zijn toch geen leden van deze kerk. Maar, zo zei ik, toch wel van de éne Kerk van de apostolische belijdenis? Ik kon haar niet overtuigen, dat zij met ons de dood des Heren hadden moeten verkondigen.
Mogelijk was hun doen wel gereformeerd, maar m.i. niet goed.
Nog een geval. Ergens is kanselruil van de do's van de Ned. Geref. Kerk en van de Chr. Geref. Kerk. Ze erkennen elkaar als kerken van Christus.
Streven naar volledige eenheid. In de vakantie kerken beide gemeenten enkele zondagen gemeenschappelijk. Maar die éne zondag van de viering van het Avondmaal niet. Ik meen dat sommige chr. geref. broeders en zusters daar nog niet aan toe waren. Begrijpelijk vind ik het wel. Maar niet zoals het hoorde te zijn. Heeft men dan toch niet één geloof en één Here en één Heiland? Het lijkt er wel op. Maar dat dit zo moet blijven denk ik niet.
Naar ik uit goede bron vernam gebeurde ergens het volgende: Enkele jongelui legden belijdenis af van hun geloof. In dezelfde dienst werd ook het H. A. bediend. Nu had die gemeente contact met een gemeenschap in de buurt, die in een ander verband was opgenomen. Ik noem maar man en paard: de Ned. Geref. Kerk had contact met een Chr. Geref. Kerk in de buurt. Tot de viering van het H. A. werden toen genodigd de leden in volle rechten (de formulering doet er niet toe) van de Ned. Geref. Kerk èn die van de Chr. Geref. Kerk. Vermoedelijk vonden de meeste aanwezigen dit heel normaal. Maar niet allen. Er waren namelijk een aantal vrienden en vriendinnen aanwezig van de jongelui, die belijdenis aflegden.
Ze hadden meen ik samen een bijbelclub. Maar ze waren geen leden van één der genoemde gemeenten. Ze waren wel belijdende leden van een kerk. Ze kwamen bij een van de jongelui koffie drinken na de dienst en vroegen enigszins verwonderd, waarom zij niet waren genodigd. Ze begeerden ook de dood van de Here mee te verkondigen.
Mij werd later gevraagd wat ik daarvan dacht. M'n antwoord was: Het is voor mij vanzelfsprekend, dat dit een zaak van de betrokken kerkeraad was. Maar naar mijn mening moeten genodigd worden allen, die geloven in de Here Jezus en dus leden zijn van de éne heilige, apostolische Kerk.
Toen ik dit met een jongere college sprak, zei deze: In het formulier, dat werd voorgelezen, is gezegd: "Allen, die alzo gezind zijn, die wil God gewis in genade aannemen, en voor waardige medegenoten van de tafel Zijns Zoons in Jezus Christus houden". Dat zijn dus allen, die in de Here Jezus geloven, hun zonde en ellende kennen en van zins zijn naar Gods geboden te leven. Allen staat er. Dus niet: alleen de leden van deze of die kerk. Als de HERE die allen nodigt aan Zijn tafel, waarom zullen wij het dan niet doen?
Het is mij bekend wat sommigen zullen tegenwerpen. Wie controleert dan of allen die deelnemen, wel gerechtigd -zijn? Is het dan niet mogelijk dat een ongelovige of iemand die onder censuur staat zou toegaan? In theorie is dat wel mogelijk, maar kunt u zich voorstellen, dat iemand zo maar avondmaal zou willen vieren, terwijl hij er niets van gelooft? Ik kan mij zulk een dwaas niet voorstellen. En als het zou voorkomen, dan is dat toch voor z'n eigen verantwoordelijkheid. Bij de manier van viering in menige kerk (allen blijven op hun plaats in de banken zitten) is toch eigenlijk ook geen toezicht? Vroeger was het gewoonte dat een vreemdeling een briefje moest hebben van de kerk van zijn inwoning. Maar wat zei een briefje van bijv. een massale kerk van Amsterdam? Alleen dat hij of zij op een lijst stond of op een kaart in de kaartenbak. Meer niet!
Maar krijgen we dan geen open avondmaalstafel? En kan ieder maar toegaan? Ik zou zeggen: "allen-die-alzo-gezind zijn" mogen met ons de dood van de Here Jezus verkondigen. Dus niet "iedereen", wat hij of zij ook maar gelooft of niet gelooft. Maar die in de Here Jezus geloven en dus hun zonden kennen en willig en bereid zijn om naar het Evangelie te leven, durf ik niet weren. Als de Here ze niet weert, dan mogen wij het zeker niet doen. Dat is mogelijk wel geen gereformeerde gewoonte, maar wel naar de regel van het Evangelie. Naar mijn bescheiden mening, zeggen we dan.
Maar nu een ander onderwerp, dat met het voorgaande wel in nauw verband staat. Met de viering van het H. A. schijnen (of blijken) wel veel broeders en zusters moeite te hebben. Ze zijn trouwe kerkgangers. Zijn overtuigd dat de Bijbel van kaft tot kaft Gods Woord is. Ook geloven ze dat de Here Jezus de Heiland der wereld is en dat bij niemand anders redding te zoeken of te vinden is. Maar ze hebben geen vrijmoedigheid om de dood van de Here te verkondigen tot Hij komt. Waar komt die onvrijmoedigheid vandaan?
In de eerste plaats ligt de oorzaak in een misverstand omtrent het H. A.
Men schat het Heilige Avondmaal heiliger en hoger dan de verkondiging van het Evangelie en de Doop. Maar ook het Woord is heilig en de Doop evenzo. Het is een merkwaardige zaak, dat velen de verkondiging van het Evangelie zeer getrouw aanhoren. Terwijl zij in een Avondmaaldienst weg blijven. Even vreemd is het, dat ouders met de Doop van hun kinderen geen moeite hebben. Ze zouden hen voor geen geld ongedoopt willen laten. En ze beantwoorden de aan hen gestelde vragen met vrijmoedigheid.
Maar met het Avondmaal hebben ze grote moeite en áls ze het meevieren, doen ze dat vaak met "vreze en beving" zal ik maar zeggen. Of ze blijven weg. Maar het Woord of het Evangelie is even heilig als het Avondmaal.
En met de Doop staat het evenzo. Want het Woord is Gods Woord en de Doop is door God ingesteld. Het enige verschil met de verkondiging van het Evangelie is, dat die verkondiging of prediking te horen is. Terwijl het Avondmaal een zichtbaar en tastbaar Evangelie is. En zullen beide ons ten goede komen, dan is de enige voorwaarde, dat we de beloften geloven en naar de eisen leven. Als we zó gezind zijn, dan is de blijde boodschap ons een kracht Gods tot redding. En is het zichtbare Evangelie ons een bevestiging en zegel bij het hoorbare. Een ander verschil is er niet.
Maar, zo hoor ik iemand denken: Bij het Avondmaal hebben we onszelf te beproeven. Dat ontken ik niet. Maar dacht u dat we maar 4 of 6 keer of 12 keer per jaar ons te toetsen hebben? Het zou niet best zijn als we het daarbij lieten. We zullen ons alle dagen bezinnen over ons leven.
We hoeven ons niet telkens weer af te vragen of we wel geloven of nietgeloven.
Maar wel of wc uit het geloof leven. Deden we kwaad? Dat zullen' we dan met naam en toenaam belijden. Deden we goed (dat mogen we toch ook weten?) dan zullen we daarvoor danken. En we zullen niet in een zonde blijven, maar opstaan tot een nieuw leven. In afhankelijkheid van de Here, die het willen en het werken in ons leven werkt.
Zodat wij onze redding werken met heilige zorgvuldigheid. Zoals het de Here behaagt. Daar heeft Hij lust in. Dat doet Hem plezier, zal ik maar zeggen.
Ja maar, hoor ik menigmaal (en ons "ja maar" is zelden goed) is mijn geloof wel groot genoeg en is mijn zonde niet te groot en is mijn schuldbesef wel diep genoeg en mijn bekering wel radicaal genoeg? Ik wil de weervraag stellen: waar eist de Here een machtig sterk geloof? En waar zegt de Schrift, dat we in dit leven al de volmaaktheid bereiken? Zeker zegt de apostel in de brief aan de Korinthiërs, dat zij zich te toetsen hebben. Maar hij schrijft niet: en als jullie dat gedaan hebben, dan blijven jullie natuurlijk weg. Wel neen, zelfs aan die Korinthiërs, aan wier viering nogal wat mankeerde, schrijft hij: eet van het brood en drink van. de beker. Wel na met met een verkeerde gewoonte gebroken te hebben.
Maar dan toch: men ete en drinke. Terwijl ik velen heb ontmoet en nog tegenkom, die wegblijven. Er mankeerde aan die Korinthiërs nogal wat.
Leest de brieven maar eens over. Tot zelfs bij die viering van het Avond maal waren misstanden. Aan de viering ging waarschijnlijk een zgn. liefdemaaltijd vooraf. Daar ging het niet ·liefderijk toe. De rijken namen eigen royale voorraad mee en de armen aten hun sober maaltje op. En als dan de rijken dik en verzadigd waren en de armen nog trek hadden, ging men Avondmaal vieren. Ze moesten zichzelf nu maar keuren en zich afvragen: kan dat zo? Die misstand moesten ze eerst opruimen - desnoods door eerst thuis te eten - en dan op waardige wijze Avondmaal vieren. Zulk een misstand als in Korinthe kan onder ons wel niet voorkomen. Maar als er een misstand is, in het algemeen of persoonlijk, dan zullen we ons moeten toetsen en ons afvragen: kan dat zo? En zo niet, dan die misstand uit de weg ruimen. Maar dat moeten we niet alleen doen bij de nadering van de Avondmaalszondag, maar vandaag nog. Maar als de Here aan Zijn tafel nodigt, waar halen wij dan de moed vandaan om weg te blijven?
Een andere tegenwerping is: iemand kan zich toch een oordeel eten en drinken en zich bezondigen aan het lichaam en bloed van de Here? Stellig kan dat, daarvan spreekt de apostel. Door op onwaardige wijze Avondmaal te vieren. Maar we kunnen ons ook een oordeel eten en drinken door ons leven lang het Evangelie aan te horen, zonder daar ernst mee te maken. Want ook door het horen en aanvaarden van het Evangelie krijgen we te doen met lichaam en bloed des Heren. Als we volhardend dat Evangelie voor kennisgeving aannemen, dan vergrijpen we ons ook aan lichaam en bloed van de Here. En door het hoorbare Evangelie te geloven, eten en drinken we ook. Op Geestelijke wijze. Aan het A vondmaal verandert brood en wijn niet in lichaam en bloed van de Here.
Als dat zo was, zou het Avondmaal wel veel verschillen van het hoorbare Evangelie. Maar dat leert de Schrift ons niet. Het gaat om dezelfde Heiland. Alleen op verschillende wijze. Hoorbaar én zichtbaar.
Ja maar, de vraag is toch of m'n schuldbesef wel diep genoeg is en of m'n geloof wel groot genoeg is en of m'n lust om de Heer te vrezen wel groot genoeg is. Moeten we dan met ons sterk geloof bij de Here komen en met ons grondeloos-diep schuldbesef en onze goede prestaties? Ons geloof zal kleiner of groter zijn naarmate we ons daarin geoefend hebben.
En ons schuldbesef zal ook meer of minder diep zijn, naarmate we gezondigd hebben. Er zullen wel mensen zijn die menen, dat Psalm 51 altijd door ons gezongen moet worden. Maar die psalm is gedateerd.
David had nogal wat uitgehaald. Bathseba en Uria ontstolen. De gevolgen van z'n zonden getracht te verbergen. Toen dat niet lukte, Uria gedood.
Dat hij dán bidt: HERE, neem uw Heilige Geest niet van mij. En dat hij dan spreekt van bloedschuld en zonde die hem wondt, is terecht. Als wij in zonde zijn gevallen, erg soms, dan mogen en moeten we spreken als David. Het komt er niet op aan hoe groot ons geloof is of hoe diep ons zondebesef is en hoe groot onze liefde tot God en de naaste is. Wie maakt dat uit? Als een en ander er maar is.
We mogen komen tot het Avondmaal als zondaren, maar als zondaren die aanvankelijk verlost zijn. Roemend in Gods grote genade.