De betrekkelijke waarde van het nationale (1)
1981-12-11
De bedoeling van dit artikel is niet om achteraf nog eens te gaan kissebissen over het al of niet wenselijke van het artikel dat ik in de week voorafgaande aan de anti-kernwapen-demonstratie te Amsterdam in het dagblad Trouwen in Opbouw plaatste. Ik heb daarop natuurlijk verschillende reacties gekregen en de negatieve, zelfs de zeer negatieve, wonnen het in aantal van de positieve. Ik ga mij over het gebodene niet verdedigen, maar wil doorstoten naar een achtergrond daarachter om me daarover eens wat nader te verklaren. Hoe staat het eigenlijk met de christelijke waardering van het nationale?- Jaargang 25
- nummer 45
Voor wat betreft één kritiek wil ik trouwens een uitzondering maken en me daartegen toch verweren.
Dat gaat over wat de schrijver van de rubriek 'Vandaag' in Trouw van 24 november j.l. tegen mij meende te moeten zeggen. Hij verweet mij ongenaunceerdheid en sprak zelfs van een 'op de man spelen' en een onderuit halen van de demonstranten.
Ik reed volgens hem bepaald een scheve schaats. Maar de strekking van mijn stukje was dat ik de massaliteit van de. demonstratie niet vertrouwde. Ik haal voor de duidelijkheid twee belangrijke zinnen aan: " ... ja, nu ben ik geneigd veel van de toeloop van zaterdag dááraan toe te schrijven", en de zin die als conclusie kan gelden: "Voor mij zal daarom de demonstratie een teken te meer zijn dat bij velen ons volksbestaan in een verregaande staat van ontbinding verkeert".
De woordjes 'veel' en 'velen' vallen toch niet over het hoofd te zien.
Geen sprake van dus dat ik ongenuanceerd over de intenties van 'de' deelnemers geoordeeld zou hebben.
Ik wil hier ter aanvulling graag zeggen dat ik zonder meer aanneem dat andere 'velen' te goeder trouw aan de demonstratie hebben deelgenomen, bijvoorbeeld om hun bezorgdheid over de oorlogstoerusting in het algemeen uit te drukken.
Toch heb ik dat in het stuk zelf niet willen zeggen, want duidelijk zijn deze 'velen' op de 21ste november niet geweest. Men moet het de heer Faber nageven dat hij die duidelijkheid heeft nagestreefd door nee te zeggen tegen mensen die als sprekers een wat andere optiek dachten in te brengen. Dat is hem niet in dank afgenomen, maar het betekent wel dat hij nu recht heeft om de hele demonstratie als succes van het IKV naar zich toe te halen en haar uit te leggen als een geduchte onderstreping van de IKV-doelstelling: eenzijdige ontwapening als begin van tweezijdige ontwapening.
En als er nu zijn die zeggen: niets mee te maken; ik heb gedemonstreerd vanuit mijn eigen motieven (om zo te zeggen: onder mijn eigen spandoek) dan is dat voor mij een bevestiging te meer van de in het stuk gegeven indruk dat er op die zaterdag in Amsterdam niet een 'wij', maar een verzameling van 'ikken' zou demonstreren."
Het nationale
Maar is dat dan zo erg? "Wat wilt u toch met dat 'wij'?" Wat is -daar de waarde van? En vooral als dat 'wij' dan een nationale invulling krijgt, zijn er niet weinigen die behalve niet begrijpend ook nog bezorgd worden: riekt dat niet naar nationalisme? Dat we als christelijke gemeente een 'wij' vormen, ja, maar als volk? Iemand zei tegen mij: ik voel me veel meer christen dan nederlander. Hij bedoelde dat tegen mij in te brengen, maar ik kan het daar helemaal mee eens zijn. Het drukt ook mijn bedoeling precies uit. Ook ik voel mij veel meer christen dan nederlander, Tussen die twee begrippen is namelijk wel een verschil maar geen tegenstelling en iemand die met die opmerking zijn belastingformulier terugstuurt, krijgt het terecht per ommegaande retour. Ik wil zeggen dat het nederlanderschap en in het algemeen de nationaliteit een realiteit is die er recht op heeft dat we er recht aan doen. Ook als ze iets lastigs in zich bergt. We komen er dan niet verder mee als wij deze werkelijkheid karikaturaal van ons afduwen, het voorstellende alsof het nationale zonder meer tot nationalisme leidt. Daarvan mogen we dan wel een verschrikkelijk voorbeeld in onze herinnering meedragen: het nationaal-socialisme van vóór en in de tweede wereldoorlog, dat het nationale nationalistisch op de spits dreef met de heidense leer van ras, bloed en bodem, en het is terecht dat daarop tot in onze tijd toe heftig afwijzend gereageerd wordt, maar tegelijk ligt hier wel de verklaring voor het feit dat we het nationale niet meer evenwichtig weten in te schatten.
Negatief
Wat is dan het nationale? Soms kun je een verschijnsel wel eens naderbij komen door je voor te stellen wat er gebeurt als het er niet is.
De Bijbel komt ons daarin prachtig te hulp met de geschiedenis van Genesis 11, waar verteld wordt over de torenbouw van Babel. De nog ongedeelde mensheid die één van taal en één van spraak is loopt met de bouw van stad-en-toren storm tegen de hemel: laten wij ons een naam, maken opdat wij niet over de gehele aarde verstrooid worden. De HERE - die hier bij zijn verbondsnaam genoemd wordt!steekt daar een stokje voor. Zijn overweging is: Dit is het begin van hun streven; nu zal niets van wat ze denken te doen voor hen onuitvoerbaar zijn. De HERE verwart dan de taal, verstrooit de mensen en verdeelt de aarde (Gen. 10 : 25).
Hij verdeelt haar in begrensde gebieden, zo maakt het in het hebreeuws gebruikte woord duidelijk.
De politiek georganiseerde natie is geboren. Sindsdien, zo mogen we zeggen, heeft de Here God 'verdeeld en geheerst'. Zo, in deze verdeeldheid, kan Hij de aarde die in haar geheel onder de 'overste dezer wereld' staat, beter aan. Dat klinkt zwak, maar de tegenstander is ook zeer machtig, zij het niet almachtig.
De verdeling der wereld in talen en volken en naties is dus te zien als een nood-maatregel van de hemel om het opstandig samendrommen van de mensenkinderen tegen de HERE en tegen zijn Gezalfde af te remmen. Vandaar ook dat God zich hier laat noemen bij de naam waaronder Hij bij zijn volk bekend is: HERE. Want juist als Verlosser-God en terwille van zijn verlossingsplan neemt Hij deze krasse maatregel. Mozes heeft dat later op dichterlijke wijze uitgedrukt: "Toen de Allerhoogste aan de volken hun erfenis toedeelde, toen Hij de mensenkinderen van elkander scheidde, heeft Hij de grenzen der volken vastgesteld naar het aantal der zonen van Israël" (Deutr. 32 : 8). Wij trekken hieruit een correcte conclusie als we zeggen dat we juist als volk van God er belang bij hebben dat de grenzen van de woonplaatsen der volkeren bepaald ('be-paald') zijn en blijven (Hand.
17 : 26). Ik zeg niet dat het zonder die grenzen niet kan, maar het zal dan ,toch voor de gemeente in de wereld veel moeilijker zijn. Die grenzen zijn namelijk te vergelijken met brandmuren die het ideologische vuur dat in de mensheid woedt verhinderen, althans hinderen, om van het ene volk op het andere over te slaan. Het grote tehoop lopen tegen de Christus wordt er door afgeremd.
Schotjesgeest
Voor mijn catechisanten vergelijk ik het wel eens met een grote tankwagen zoals we die op onze wegen zien rijden. Ik heb mij laten vertellen dat zo'n tank in z'n binnenste een schottensysteem heeft waardoor het mogelijk is dat hij ook in half gevulde toestand over de weg vervoerd wordt. Anders zou bijvoorbeeld in een bocht of bij het stoppen de druk op de wanden zo groot worden dat het gevaarte uit de bocht of door z'n remmen vliegt.
Zo nu heeft de Allerhoogste het gevallen mensenhart een nationale schotjesgeest ingeplant. Ik zeg dit wat meesmuilend, omdat daar ook erg veel narigheid uit voortgekomen is. Het heeft ook veel bloed doen vloeien. Maar nog eens: denk je eens in wat er gebeurt rus dit verschijnsel er niet is. Wat is het alternatief?
Positief
Valt er niet ook nog iets positievers over te zeggen? Stellig. De bonte verscheidenheid van volk en stam en taal en natie heeft ook de menselijke ontplooiing gediend. Denk alleen maar eens aan de rijkdom van de verschillende talen. Dat wat in Genesis 11 verteld wordt is zozeer tot de schepping gaan behoren dat ook de herschepping er een weerslag van zal vertonen. Waarom ook de Openbaring (21 : 3) van de geredde mensheid op de nieuwe aarde zegt: " ... en zij zullen zijn volken zijn", een meervoud dus; waarmee de verderop voorkomende belofte overeenstemt dat de heerlijkheid en de eer van de volken in het nieuwe Jeruzalem gebracht zullen worden (vers 26). Ik weet wel, men kan zich afvragen of er niet ook zonder het oordeel van de verstrooiing en de verdeling verscheidenheid in de mensheid zou zijn ontstaan: een bodemgebondenheid van de mensen die er voor zorgt dat aan de landschappelijke variatie een ethnische veelkleurigheid beantwoordt, maar dat neemt niet weg dat de statelijke afgrenzing tot de rijkdom van die verscheidenheid ook wel heeft bijgedragen. We hoeven daarover dus niet enkel negatief te doen. Ik ben het dan ook niet eens met collega Algra wanneer hij in zijn Pastorale Notitie in ons blad van 27 november tegen mij opmerkt dat de Bijbel ons heus niet leert te spreken over 'het volksbestaan' om daaraan grote waarde te geven.
Toegegeven, we hebben het hier inderdaad niet over de grootste waarde, maar het volksbestaan vertegenwoordigt wel degelijk een betrekkelijk belang. Zowel in het negatieve als in het positieve heeft het betekenis voor het Koninkrijk Gods. Natuurlijk zal niemand zich in kerk en koninkrijk Gods mogen laten voorstaan op ras of volk. Dat lezen we inderdaad in het door ds. Algra aangehaalde Col. 3: 11: " ... waarbij geen onderscheid is tussen Griek en Jood, besneden of onbesneden, barbaar en Scyth, slaaf en vrije, maar alles en in allen is Christus". Maar zo goed als we van het mannelijk en vrouwelijk (dat in zulke reeksen ook wel genoemd wordt, Gal. 3: 28) in het nieuwe leven iets hopen terug te vinden, zo is dat m.i. ook met de nationaliteit hef geval. Zij heeft en houdt betekenis. Wanneer we in Handelingen 2 het tijdperk van de Geest binnenstappen, ontmoeten we meteen ‘Parthen en Meders en Elamieten en die inwoners van Mesopotamië zijn'. Wel hun spraakverwarring maar niet hun spraakverscheidenheid is opgeheven. Zij zijn daar, ieder met z'n eigen. taal waarin hij geboren is. Het feit dat het daar om Joden gaat, verscherpt nog het accent op hun nationaliteit.
Er waren daar in Jeruzalem 'volken' van Israël (Hand. 4 : 27) bijeen en dat heeft zijn weerslag gehad op de eerste gemeente en zal zijn weerslag nog hebben op de uiteindelijke gemeente.
Een plus?
Genoeg nu over het nationale als zodanig. Met de lezer meedenkend voel ik een vraag opkomen: komt bij dit alles niet een plus wanneer we het over juist de néderlandse nationaliteit hebben? Want Nederland is toch een christelijke natie?
Daarover wil ik in een afzonderlijk vervolgartikel iets zeggen.