GOED IS HET LEVEN (3)
1981-12-18
Wordt hier niet zoiets als een kerstlied geboren?- Jaargang 25
- nummer 46
Een lied, een lofzang:
Wie nooddruft heeft, hij hope:
een herder is de Heer.
Hij doet de toekomst open,
het leven neemt een keer.
Het leven neemt een keer.
Want is dit nog dezelfde Naomi als aan het begin van het boek? Is dit nog dezelfde vrouw, die eigenlijk geen stap meer vooruit deed en alleen nog maar een beetje voortsukkelde, zonder hoop, zonder verwachting, verbitterd?
Noem me maar Maria, zegt ze, want veel bitterheid heeft de Almachtige me aangedaan. Daarmee zegt ze niet alleen iets over alles wat haar is overkomen. Ze verraadt tegelijk de bitterheid in haar hart, die elk lichtpuntje negeert: als het zó donker geworden is in je leven, dan móet alles ook donker zijn. Daarom is zij het ook niet die de mogelijkheid om aan brood te komen aangrijpt. Het enige wat ze doet, is, dat ze Ruth haar gang laat gaan als die het initiatief neemt: nou ja, ga dan maar.
Maar als Ruth dan terugkomt, dán gebeurt het. Want Ruth brengt een overvloed thuis die maar niet aan stom geluk te danken kan zijn: daar moet een gulle gever achter zitten, iemand die zijn oog op Ruth geslagen heeft.
Dat is dus de eerste ontdekking: we zijn toch niet alleen.
Er zijn toch nog mensen die iets om ons geven.
En dan is er meteen ook de tweede verrassing: niet alleen dat er mensen zijn, maar vooral dat God er ook is. God, die ons dus toch niet alleen maar bitterheid aandoet, die zijn goedertierenheid niet aan ons onttrokken heeft. Aan ons, levenden, niet. En aan onze doden ook niet.
Want als Naomi de naam hoort van de man die Ruth zo geweldig geholpen heeft, dan is ze stomverbaasd: hij is een losser. En een losser is iemand die b.v. een uitzichtloze weduwe toch weer voorthielp. Of: die het op zich nam, een kinderloos gestorven man toch nog een kind te geven.
Een losser, - een redder in nood die, als je toekomst op de een of andere manier is afgesneden, je toch weer meeneemt op de weg naar morgen en overmorgen en naar het heil van God dat zeker komen zal, ook voor jou, of je nu levend bent of dood.
Want tegen het heil van God kan niets op. Je mag dan nog zo definitief aan je eind gekomen zijn, maar Gods goedertierenheid máákt je weer heel.
Als Naomi dat ontdekt heeft: ja, maar God is er toch en God is voor ons altijd een God van heil, - dan is ze opeens een ander mens geworden. Dan sukkelt ze niet langer voort, maar dan gaat ze bewust op weg. Want ze ziet weer perspektief.
Welk perspektief? Eigenlijk slechts dit ene: Ruth, vertrouw je nu maar helemaal aan die man toe. En laat het verder aan hem over. Hij zal je wel duidelijk maken, wat je doen moet.
Laat het maar aan hem over.
Aan Boaz. Ja, maar achter Boaz staat Jahwe. Achter deze losser staat de God die zo, via een mens, via een van zijn kinderen, ons leven een keer doet nemen en de toekomst voor ons open doet.
Naomi heeft de overvloed aan koren in Ruth's armen gezien.
En toen heeft ze God gezien. God, die dat ene teken, dat hele kleine teken misschien, gaf en het haar zo merken liet: ik denk aan je, ik houd mijn oog op je geslagen, - echt, je bent niet alleen.
Eén klein teken. Maar daarmee werd 'Opslag alles anders.
Natuurlijk, de omstandigheden waren nog even beroerd.
Maar in die ellende is toch God aanwezig. En als dat waar is, dan sta je op uit je apathie, dan wordt je uit je verbittering losgescheurd en dan ga je weer lopen.
En waar je dan uitkomt? Dat mag God weten. Maar Hij zál het dan ook wel weten. Hij zal wel alles zo maken, dat je je verwonderen moet.
Zo wordt midden in de nacht van bitterheid de lofzang geboren: Hoe helder straalt de morgenster, en straalt mij tegen van zo ver, de luister van mijn leven.
Die lofzang klinkt misschien niet zo uitbundig omdat alles wat je overkomen is nog steeds loodzwaar drukken blijft.
Maar ze is er niet minder om.
En het kerstfeest is er niet minder om, als je het eigenlijk niet vieren kunt, omdat je geslagen bent en misschien zelfs verslagen, maar het toch vieren mag, omdat je zeker bent van Gods heil.