Katholiciteit en identiteit (slot)

1981-12-18
  • Jaargang 25
  • nummer 46
We willen nu onze gedachten ten slotte laten gaan over onze plaats en roeping in het geheel van de Gereformeerde Gezindte. Maar we kunnen dit slechts met enige vrucht doen wanneer we althans enig idee ervan hebben hoe het er op het ogenblik met deze Gereformeerde Gezindte voorstaat en wat er in haar aan de orde is.
Daarbij worden we dan getroffen door het ontstellende feit dat er in een bepaald deel een ongelooflijke snelle en haast onvoorstelbare afwijking is van wat altijd als het eigenlijke en kenmerkende van deze Gezindte is gezien en erkend: de volstrekte gebondenheid aan de Heilige Schrift als het betrouwbare en gezaghebbende Woord van God als de enige grondslag van geloof en leven en daarnaast de gebondenheid aan de Gereformeerde belijdenisgeschriften, als de uitdrukking van wat de Gereformeerde kerk 'als Goddelijke Waarheid gelooft en belijdt'. In de Gereformeerde Kerken in Nederland, die officieel vertegenwoordigd zijn in het Contact Orgaan van de Gereformeerde Gezindte, zijn sterke krachten aan het werk, die opening geven aan duidelijke Schriftkritiek, die de verzoening door het bloed van Christus vervangen door een alternatieve verzoeningsleer, die het brandpunt van Schrift en belijdenis: de rechtvaardiging van de goddeloze schuil laten gaan achter een horizontaal geduide opvatting van 'het heil' voor heel de wereld.
Daarbij is ook van een openlijke afval van en kritiek op de gereformeerde belijdenisschriften sprake.
Want wij leven in een tijd met andere vragen dan in de 16e eeuw.
Daarom hebben ‘de drie formulieren van enigheid hun tijd gehad'.
Ik geef nog één citaat van een hoogleraar: "In de zestiende eeuw zijn de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Heidelbergse Catechismus bijzonder belangrijk geweest. Zij gaven voor die tijd weer, wat wezenlijk was voor het geloof. In de andere situatie, waarin de kerk nu staat, kan men er weinig mee doen" 1). Allicht, want men is daar bezig over te gaan tot een ander "geloof"! Dat er in deze kerken van een groeiende(?) verontrusting sprake is, valt niet te verwonderen.
In de tweede plaats moeten we er oog voor hebben dat zich in de Gereformeerde Gezindte het verschijnsel voordoet van wat Van Ruler heeft genoemd het 'ultragereformeerde' in de 'rechtervleugel van het Gereformeerd Protestantisme'.

Dit ultra-gereformeerde loopt dwars door bijna heel de Gereformeerde Gezindte heen. We vinden het zowel in de Gereformeerde Bond in de Ned. Herv. Kerk, als in de oud-gereformeerde groeperingen, ook in de Geref. Gemeenten en hier en daar in de Chr. Geref. Kerken.
Zij wordt gekenmerkt door een onderwaardering van het historische heil en een eenzijdige benadrukking èn scheeftrekken van het innerlijke. 'Wat hebben we aan een historische Christus? Wat hebben we daaraan, dat hij in Bethlehem is geboren en op Golgotha is gestorven? De historische Christus moet nog eens de innerlijke Christus worden. Hij moet in het hart geboren worden. Daar moet hij sterven en opstaan. Dat en dat alleen is het waarachtig heil' 2). In plaats van te leven uit de werkelijkheid van de praedestinatie, zoals die door de roeping door het evangelie openbaar wordt en in Christus als de spiegel van onze verkiezing moet worden aanschouwd, leeft men uit een logisch bewerkte verkiezingsidee, die er toe brengt de zekerheid der verkiezing niet te zoeken in Gods genadige beloften, maar in zichzelf, in de 'kenmerken'.
Twijfel en onzekerheid is het gevolg.
Of ook, de zekerheid wordt gevonden in iets anders dan' in Gods genadige beloften, waarin door 't geloof werkelijke rust wordt gevonden. .Men zoekt die dus in een bijzondere openbaring of ook vooral in de gevoelservaring van God in het binnenste, die dan slechts voor een enkel ogenblik en ook voor een enkeling is weggelegd.
Er zou nog meer te noemen zijn, ik duid slechts enkele hoofdmomenten in de ultra-gereformeerde vroomheid aan. De harteklop van het geloof der Reformatie wordt hier niet meer gehoord, hoewel haar belijdenisschriften als uitdrukking van de zuivere leer worden erkend. Voor wat de toepassing van het heil betreft wordt daaraan echter een puur subjectivistische uitleg gegeven. Die wordt verder zó verabsoluteerd, dat eigen uitwerking als de alleenzaligmakende wordt beschouwd en degenen, die daarin niet meegaan, verketterd worden als licht tegenover zwaar, lichtvaardig tegenover het werkelijk ernstig nemen van de Waarheid, met als gevolg een steeds verder gaande versplintering van het kerkelijke leven in de Gereformeerde Gezindte.

Een geweldig struikelblok op de weg naar kerkelijke eenheid is in de derde plaats een statische kerkbeschouwing.
We vinden die in de Gereformeerde Bond voor wat betreft haar beschouwing van de Nederlandse Hervormde Kerk: zij is de oude vaderlandse kerk, waarmee niet gebroken mag worden en dit involveert blijkbaar voor de gereformeerde broeders in deze kerk ook, dat zij de instutataire eenheid ook met de loochenaars en bestrijders van de gereformeerde confessie niet op het spel durven te zetten door het toepassen van de leertucht, met hoe grote voorzichtigheid en lankmoedigheid ook.
Maar de gedachte van de eenheid van het verbond kan toch de dooreenmenging van belijders en bestrijders van het evangelie, van geloof en ongeloof niet dragen 3). Eenzelfde statische kerkbeschouwing vinden we overal, waar het eigen kerkelijk instituut praktisch als het enig ware wordt erkend - dat is heus niet alleen het geval bij de 'Vrijgemaakten'! - of waar men zich daarin gerust voelt door rechtmatig geachte beslissingen in het verleden, die tot afzonderlijk kerkelijk leven hebben geleid.
Wat is nu onze plaats en taak in deze zo verdeelde Gereformeerde Gezindte? In het reeds genoemde boek 'Tien keer gereformeerd' heeft drs. A. Vergunst, predikant van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland en Noord-Amerika, de volgende behartenswaardige woorden geschreven: "Het geïsoleerd zijn van elkaar en het daarenboven soms zo scherp staan tegenover elkaar heeft tot gevolg een krachtige bevordering van de ontwikkeling van een "eigen" identiteit van deze verschillende delen van de Gereformeerde Gezindte. Deze eigen identiteit wordt dan vooral gezocht en gevonden in de aanhoudende benadrukking van bepaalde facetten van de volle waarheid Gods of in het sterk beklemtonen van de noodzakelijke onderhouding van ook door de traditie bepaalde levensgewoonten" .
Wanneer we het woord 'benadrukken' aanvullen met 'scheeftrekken' 4) hebben we hier een treffende kenschetsing van veel dat in de Gereformeerde Gezindte aan de hand is. Dat de ontwikkeling van een eigen identiteit een historisch onvermijdbare zaak is, wees ik reeds in een vorig artikel aan. Hoe meer men langs elkaar heenleeft, hoe meer en gemakkelijk die eigen identiteit zich ontwikkelt, daarop wijst drs. Vergunst terecht. Als men haar dan ook nog zoekt te verster ken en duidelijk te profiteren, is het hek wel helemaal van de dam.
We komen dan steeds meer tegenover elkaar te staan. De vervreemding zal in elk geval toenemen.
Daarom is het elkaar ontmoeten en met elkaar spreken en waar mogelijk met elkaar contacten onderhouden wel een eerste vereiste om hieraan te ontkomen en verdere verwijdering en tegenstellingen tegen te gaan. Het Contact Orgaan van de Gereformeerde Gezindte, dat jaarlijkse conferenties organiseert en ook meewerkt aan publicaties, die onderlinge kennismaking kunnen bevorderen, doet in dit opzicht belangrijk werk, al is het ook nog zo weinig. En het zou m.i. toe te juichen zijn dat ook onze kerken en niet slechts een klein aantal individuele personen daaraan daadwerkelijk deelnamen. Niet om directe resultaten te verwachten op het gebied van de kerkelijke eenwording, maar als een eerste en bescheiden stap op de weg tot eenheid.

Het is echt menselijk en in overeenstemming met het hoge gewicht dat wij hechten aan eigen overtuiging, dat wij in die contactoefening onze eigen 'inbreng' zeer belangrijk achten en daarin het hoofdmotief voor contactoefeningen gelegen vinden.
Als we er dan een uitgesproken eigen identiteit op na houden en daarvoor ook sterk geporteerd zijn, wordt dat het uitstallen van de belangrijkheid van die eigen identiteit.
Is het niet echt christelijk de ander te willen doen delen in de zelf verworven rijkdom? In het eigen ontvangen bezit? Maar zo komt dan overtuiging naast, overtuiging te staan en wordt het contact gemakkelijk tot een strijden voor eigen overtuiging, om niet te zeggen voor eigen gelijk.
Het is daarom goed eens te letten op Paulus' inleiding op zijn brief aan de gemeente te Rome, die hij naar hij meedeelt, van plan is te bezoeken, natuurlijk om ook in die gemeente als apostel in het evangelie bezig te zijn. Hij schrijft zelf in vers 11: om u enige geestelijke gave mee te delen tot uw versterking.
We moeten er wel op letten dat hij spreekt van 'geestelijke gave', dat is door de H. Geest gewerkt en geschonken goed, zegt een uitlegger.
De apostel beschikt er niet over als het zijne, hij deelt het uit, naarmate zijn hand gevuld wordt; en altijd voor hen en voor hem is het gen a d e gave, charisma. Hier is dus bij Paulus geen enkele aanmatiging en hoogheid van gevoelen, terwijl hij toch apostel is en met apostolisch gezag kan spreken. Hij wil hen slechts bevestigen in het geloof met wat hij zelf ontvangen heeft van de Heilige Geest! Toch verbetert hij zichzelf door er aan toe te voegen, dat is zeggen: onder u mede bemoedigd te worden door elkanders geloof, van u zowel als van mij. Luisteren we eens naar de gulden woorden, die Calvijn hierover ter verklaring schrijft: "Met deze zedigheid is hij nog niet tevreden, maar stelt nog een verbetering daarbij, waarmede hij vertoont, dat hij niet zoo het leerambt zichzelven toeschrijft, dat hij niet wederkeerig bereid zou zijn van hen te leeren; alsof hij zeide: Ik zoek en begeer met de maat der gaven, die mij gegeven is, alzoo u te bevestigen, dat ook door uw voorbeeld mijn geloof blijmoediger en vaardiger worde, en dat wij alzoo onderling met elkander voortgang doen, Ziet, tot wat grooter matigheid dit godzalig hart zichzelve onderwerpt, zood at het niet weigert van grove beginners bevestiging te begeeren. En nochtans spreekt hij niet geveinsdelijk: want daar is niemand zoo arm en gebrekkig in de gemeente van Christus, dat hij niet iets zou kunnen voortbrengen tot bevordering van onze voortgang, maar wij worden - en hier komt de diepere mensenkennis van Calvijn duidelijk naar voren, G. J. - door boosheid en hoovaardigheid verhinderd, dat wij niet van alle zijden zulke vruchten verzamelen. Want onze hoogmoed en dronkenschap der ijdele eer is zoo groot, dat een iegelijk den andere veracht en verwerpt, en acht aan zichzelven overvloedig genoeg te hebben" 5).
Ongetwijfeld zijn deze verklarende woorden van Calvijn van een woord van de Schrift leerzaam en richtinggevend voor onze ontmoeting van elkaar in het geheel van de Gereformeerde Gezindte op de basis van Gods Woord en de daarop gegronde belijdenis geschriften.
Wie deze ontmoeting begeert om eigen identiteit uit te dragen, draagt niet weinig bij tot het doen mislukken van de echte ontmoeting.
De rechte houding is die van luisteren en spreken, van spreken en luisteren beide en in onderlinge wederkerigheid. Het moet bij zulk een ontmoeting gaan om de katholiciteit van de Gereformeerde belijdenis samen te ontdekken en kerkelijk - zo de Here wil - ook gestalte te geven. Niet om eigen identiteit - zo die er is en wat daarvan is - te doen zegevieren. Zij kan slechts hoogstens iets bijdragen tot het algemeen verstaan van de katholiciteit van dit belijden.
Bavinck heeft daaraan de bekende schone passage gewijd in zijn 'De Katholiciteit van Christendom en Kerk', te bekend om hier te herhalen.
En Van Ruler heeft in navolging van hem het zo uitgedrukt: "Het gereformeerde is de schoonste en rijkste vorm van het katholiekchristelijke".
Met dit katholieke karakter der gereformeerde confessie is het in strijd elkaar als behorend tot de Gereformeerde Gezindte in de kerkelijke gebrokenheid links te laten liggen en zo daadwerkelijk genoegen te nemen met een statisch kerkbegrip, dat eigen identiteit verheft tot norm en niet bedenkt dat Christus zijn kerk vergadert van dàg tot dág en daarbij ook ons in zijn genade mee vergadert èn ook gebruiken wil voor de rechte vergadering van alle “ware Christgelovigen".
Daarom zal "zolang de door Christus begeerde eenheid van zijn lichaam niet is bereikt iedere gelovige de institutair-kerkelijke gemeenschap waartoe hij behoort als een voorlopige" dienen te beschouwen 6). En dat niet omdat hij met de moderne theologie de belijdenis als voorlopig beschouwt omdat de theologie altijd 'onderweg' is, maar omdat alle gebrokenheid bij het belijden van dezelfde waarheid in strijd is met het katholieke karakter van de kerk. Wanneer eigen door afkomst en historie ontstane kerkelijke identiteit aan het katholieke karakter der belijdenis wordt ge toetst, dat is ten diepste aan de beleden Waarheid zelf en de Gereformeerde belijders werkelijk zich in onderlinge ontmoeting willen openstellen voor elkaar in werkelijk gereformeerde d.i. katholieke gezindheid, dan is er hoop voor het herstel van vele gedeeldheid in de gereformeerde Gezindte. Maar bedacht moet worden dat dit niet een zaak is van slechts kerkelijke voorgangers, maar van heel het gereformeerde kerkvolk. Een zaak in de eerste plaats van het gebed.

1) Dr. C. Augustijn in Kerk en belijdenis.
2) Zie voor een uitvoerige beschrijving van dit "ultra gereformeerde" het artikel van prof. dr. A. A. van Ruler in "Wapenveld" van febr./mrt 1971, waaruit ik citeer.
3) Vgl. voor het verdedigen van het blijven van de Gereformeerden in de Ned. Herv. Kerk tot op de dag van vandaag met behulp van deze gedachte Ir. J. van der Graaf in "Tien keer gereformeerd", pag. 64 V.v.
4) Deze aanvulling geeft Vergunst in het vervolg trouwens zakelijk zelf ook, pag. 23.
5) Ik citeer uit de Commentaar of Romeinen e.d. Donner. .
6) Zo prof. Veenhof in "Tien keer gereformeerd", pag. 49.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief