Alle dingen nieuw
1981-12-18
Via de redactie ontving ik de nieuwe bundel gedichten van Geert Boogaard: "Alle dingen nieuw". Uitgever: Callenbach, prijs f 9,90. Nu heb ik ook kortgeleden het knappe "Alleflaatste interview met Maarten 't Hart" door Hans Werkman gelezen in het Nederlands Dagblad, Variant september '81 en toen heb ik me weer eens gerealiseerd hoe moeilijk het is een goede recensie te schrijven en hoe pijnlijk een criticus een auteur kan treffen. Maarten 't Hart heeft veel waardering voor Werkman (en ik trouwens ook) maar de meeste recensenten hebben het bij hem verkorven. Met schroom zet ik mij dan ook aan het van mij gevraagde werk zo'n bespreking rammel je maar niet in enkele minuten uit je schrijfmachine.- Jaargang 25
- nummer 46
Mijn allereerste indruk was (evenals bij: Er is haast bij het licht, een bundel van 1979) dat de rijmende gedichten de zwakste zijn. In dat opzicht heeft Boogaard niet het niveau bereikt van "Mijn eiken kansel" (1980) Jammer ... Ik hoop er straks nader op in te gaan. Er staan evenwel ook gedichten in die mij direct getroffen hebben. Laat ik er één overschrijven:
De film waarin het meisje
van vijftien doodgaat,
wil ik niet zien,
want meisjes van vijftien
moeten niet doodgaan.
Misschien is doodgaan
zo langzamerhand
iets voor mij,
hoewel ...
in ieder geval is het niets
voor kinderen.
Tranen van een vader
en een moeder om een kind,
wist ik niet te drogen.
Waarom vind ik dit nu een mooi gedicht?
Waar zit dat eigenlijk in? Laat ik het maar eerlijk zeggen: het komt door de schok (of het schokje) van de herkenning. Mooi is geen absoluut begrip, net zo min als b.v. prettig en leuk. Mensen kunnen iets mooi vinden, zonder dat het echt mooi hoeft te zijn: wie zal trouwens vaststellen wat werkelijk mooi is? Zijn daar bepaalde maatstaven voor? Nee, die zijn er niet! In het algemeen vinden mensen iets mooi, als zij het "herkennen". En het is natuurlijk heel goed mogelijk dat iemand pas na lang en aandachtig lezen een gedicht mooi gaat vinden of dat hij pas na een bepaalde uitleg gehoord te hebben, elementen gaat herkennen.
Ik kan me voorstellen dat een meisje van vijftien heel anders reageert op het gedicht dat ik hierboven overnam; zij zal waarschijnlijk niet veel herkennen, maar de predikant, de leraar, de vader en moeder die wél met het probleem te maken hebben gehad, die wél 'aan het graf van een jongen of meisje hebben gestaan, zij zullen het gedicht enkele keren lezen en bevestigend knikken. Wie kan die tranen drogen? Het doet je ook nog goed dat een predikant openlijk zijn onmacht durft uit te spreken. Ik vergeet het nooit, ik was pas leraar; een jongen uit de derde klas van de h.b.s. was al enkele weken afwezig. Ik liep eens bij hem thuis aan om te vragen hoe het met hem ging; de moeder barstte na mijn vraag in tranen uit. Ik moest binnen komen en ze vertelde me: dit was de derde zoon die op zijn vijftiende bepaalde ziekteverschijnselen kreeg, de beide andere jongens waren overleden en de dokters gaven ook nu weer géén hoop. Wat moet je dan zeggen? Ik wist die tranen niet te drogen. Diezelfde week ben ik nog bij Gerard in het ziekenhuis geweest; hij herkende me wel, maar had geen belangstelling. Hij had erge pijn en klaagde bij zijn moeder die hem in haar armen hield: "Moeder, help me toch". En moeder wist ook niets anders dan: "Alleen de dokters kunnen je helpen, jongen". Weer een week later stonden we aan het graf van Gerard. Nee, jongens en meisjes van vijftien moeten niet doodgaan.
Misschien zal iemand zeggen dat Boogaard ook had moeten denken aan de belofte dat God alle tranen van hun ogen zal afwissen. Maar Gerard kende God niet,zijn ouders "geloofden nergens aan", zoals dat dan heet.
Bij Bertie, die vorig jaar met zijn brommer slipte en die we ook enkele dagen later hebben begraven, lag de zaak wel anders hij wist wel dat hij het eigendom was van Eén die hem had gekocht. Voor zijn ouders was dat ook een grote troost, maar toch bleef het verdriet, toch waren er tranen. Wie zal die drogen? Nee, Boogaard, je hebt gelijk: zo'n jongen móet niet doodgaan. Niet op zijn vijftiende of zestiende.
Maar dat probleem, de onherroepelijke nadering van de dood, het blijft een moeilijke zaak!
Kijk maar naar het middelste deel van het gedicht. Als je tachtig bent, heb je dan vrede met de dood? In elk geval blijft de dood van die ándere op je drukken: op blz. 21 staat een gedicht waarin de schrijver terugkijkt op zijn leven, moeder leerde hem bidden, vader maakte met hem een som, later kwam er iemand die zijn eenzaamheid doorbrak, maar ook haar heeft hij moeten afstaan:
De dood is al een paar maal
langs gekomen en heeft daarbij
brutaal naar binnen gekeken.
Wee mij,
want zonder mijn liefste
ben ik niets.
Dit is geen poëzie in de trant van Nijhoff, Achterberg of Holst. Bij Boogaard geen virtuoze taalbeheersing, maar het uitdrukken van gevoelens in eenvoudige woorden op een eenvoudige manier. Geen diepzinnige beschouwingen die op allerlei manieren in het werk gestructureerd aanwezig zijn, geen literatuur voor de "highbrow", maar voor de aandachtige lezer die op de goede golflengte heeft afgestemd, is er veel te genieten. En dat laatste is en blijft een persoonlijke zaak. Dat geldt in feite ook voor degene die een recensie levert. Ik sluit mij aan bij de woorden van professor Gomperts: "Een van de factoren die bepalend kunnen zijn voor de hoeveelheid lezers die een boek krijgt, is juist het oordeel van de kritiek. De criticus moet zich daar niets van aantrekken, maar alleen oordelen naar de waarde die hij in het boek ziet. Zijn taak is dat hij zijn bevindingen meedeelt aan wie zich daarvoor interesseert". Wie dit artikel leest, wil weten wat ik van deze bundel gedichten vind; hij of zij wil dan ook nog mijn argumenten en overwegingen horen. Daarom spreek ik ook mijn persoonlijke waardering uit voor bepáálde gedichten.
Maar omdat ik eerlijk wil zijn, moet ik ook mijn aanmerkingen laten horen. Daarom herhaal ik: de rijmende gedichten zijn in het algemeen ook de zwakste. Het gaat bij literatuur niet alleen om wát er staat, het ook belangrijk hóe het er staat. Het volgende gedicht is m.i. mislukt.
Wat blijft er mij,
tot mijn verweer,
nog over?
Ik heb slechts dit:
Er is een God die zo ver
in Zijn ontferming
voor mij is gegaan,
dat Hij van verre groet,
al kom ik pover.
Ik zie best in de laatste regels het beeld van de verloren zoon. Maar geef mij dan maar de vorm die Geerten Gossaert daarvoor gekozen heeft:
... 't verrafeld vod van eertijds purperen pronk ...
Ik weet wel dat een dichter zó nu niet meer moet schrijven, maar de zeggingskracht (en trouwens ook de problematiek) is bij Gossaert toch oneindig veel sterker!
Het woord pover dat Boogaard aan het einde van zijn gedicht gebruikt, wordt ons opgedrongen door het woord over in de derde regel.
Het woord pover wordt normaliter ook zó niet gebruikt. Natuurlijk kan een dichter een woord juist een heel speciale inhoud en kracht geven, maar dat is hier ook niet het geval, onder meer door de storend gesuggereerde rijmdwang.
Bijzonder storend vind ik het einde van de vijfde regel: zo ver. Dat rijmt toch zeker niet?
Ik denk aan wat Hendrik de Vries schreef aan het adres van zijn vriend Eekhout:
als dit steek houdt,
berust het op een spreekfout.
Nee, zó krijgen we geen poëzie!
Er is veel meer over dit bundeltje te zeggen.
Een lijn of thematische structuur kan ik er niet in ontdekken; het gedicht over de militaire dienst past zéker niet in het geheel, maar er zijn ook mooie dingen in te vinden. Ik zou zeggen: Tolle, lege; neem en lees het zelf eens!