De betrekkelijke waarde van het nationale (2)
1981-12-18
God, Nederland en Oranje- Jaargang 25
- nummer 46
"Komt bij onze waardering van het nationale als zodanig niet een plus als we het over de néderlandse nationaliteit hebben?" Met die vraag zijn we de vorige keer geëindigd.
Daarover zullen we het nu moeten hebben. We kunnen de vraag ook anders, meer prikkelend stellen: is er bij ons niet zoiets als 'God, Nederland en Oranje', zodat ten onzent het nationale een directe heilswaarde vertegenwoordigt? Nu behoor ik niet tot degenen die over deze trits alleen maar cynisch weten te doen. Achterom kijkend moeten we vaststellen dat het wel degelijk iets heeft voorgesteld. Het waren ook niet de beste tijden in onze vaderlandse geschiedenis dat ons volk nee zei tegen het huis van Oranje.
Wij maken voorts een duidelijke fout als we die slogan zo uitleggen dat onze vaderen blijkbaar geen onderscheid wisten te maken tussen kerk en staat, religie en politiek.
Het valt mij tenminste op dat men in Nederland veel voorzichtiger is met het brengen van de nationale vlag in de kerk dan bijvoorbeeld in angelsaksische landen. Dat gaat terug op een diep ingeworteld besef dat wij op dit terrein de dingen bijzonder goed uit elkaar moeten houden.
"Ten eynde een yeder het zijne in des Heeren vrees aen weder zijden doende ... " - zo drukt de oude Dordtse Kerken-ordening zich uit in het artikel (28) dat de verhouding tussen kerk en overheid regelt. Dit is gezegd in een tijd dat de vaderlandse burgerij als zodanig 's zondags in de kerk zat en ik vind het knap dat men toen zo maat heeft weten te houden en men van kerkelijke zijde in beginsel inderdaad geen aardse macht heeft begeerd.
Niettemin was er daarnaast het besef dat ons vrije volksbestaan iets met het evangelie te maken had, zoals we daarvoor ook veel aan de inzet van het huis van Oranje te danken hebben. Dáár ligt de oorsprong van de drieslag: God, Nederland en Oranje. Dat daar in de loop van de geschiedenis veel fratsen mee uitgehaald zijn ontken ik niet, maar ik moet ook eerlijk zeggen dat ik daar niet veel voorbeelden van weet. Bij degenen die er storm tegen liepen was de ideologie altijd veel duidelijker aanwezig, is mijn indruk.
De secularisering
In onze dagen echter lijkt aan het 'God, Nederland en Oranje' een definitief einde te zijn gekomen. Dat ligt niet aan de Here God, ook niet zo zeer aan het huis van Oranje, maar aan het nederlandse volk. Dat heeft zich geseculariseerd. Zeker in wat ik wel eens de republiek Amsterdam noem probeer ik me dat duidelijk voor ogen te houden, maar ach nee, je kunt het toch niet tot de hoofdstad beperken. Als volk in z'n geheel staan wij niet meer in een doorleefde betrekking met God. Ik bedoel hiermee niet te pleiten voor een staatsinrichting zonder het geliefde koningshuis - het woord 'republiek' van zoëven zou daaraan kunnen doen denken - nee, laten we het alsjeblieft houden zoals het nu is, maar aan die drieslag van voorheen is nu toch een einde gekomen.
Nederland is geen christelijk land meer. We gaan met een dimensie minder verder. Het lijkt me noodzakelijk dat we dat als christenen goed tot ons laten doordringen en het ook in z'n consequenties doordenken. Ik meen dat dat onder ons nog onvoldoende gebeurt. Uit verschillende opstellingen en gedragingen blijkt dat wij er eigenlijk nog niet aan willen. Laat ik er eens een paar noemen.
Het I.K.V.
In de eerste plaats dan wel het streven om met behulp van een verpolitiekt en verdund evangelie alsnog een greep te doen naar ons volk om daarover een nieuwe christianisering en clericalisering op te richten.
In dat licht zie ik de acties van het I.KV. bijvoorbeeld. Het opvallende daarvan is dat een van huis uit kerkelijke beweging het nederlandse volk en masse in beweging krijgt.
Dat is bij de anti-kernwapen-demonstratie duidelijk gebleken. Van hieruit is men nu wel geneigd het feit van de secularisering te ontkennen.
Je kunt dan ook in die kringen horen zeggen: wat secularisatie? Als de kerk maar eens ophield te zeuren over achterhaaldheden als zonde en vergeving, oordeel en genade; als ze maar eens inspeelde op de actualiteit; op wat nu de mensen echt bezig houdt, dan zou je eens zien hoeveel invloed de kerk op de samenleving kan hebben. Dan zou blijken dat de kerk een machtsfactor van de eerste orde is. Ik vind dat een voorbeeld van terughijgen naar de tijd dat de kerk meer publieke invloed had dan nu. Men wil die invloed terug hebben en probeert dat te bereiken met behulp van een evangelie-boodschap die zo versneden is dat men niet eens behoeft te geloven om er mee in te stemmen.
Het binnenste van de Bergrede: weerloosheid tegenover de boze vanuit de geborgenheid in Christus, stelt men buiten het geloof om aan de orde en beveelt die aan als een model voor politiek handelen - wat natuurlijk op niets anders dan nationale zelfdoding kan uitlopen.
Project-1982
Nog een voorbeeld van 'er niet aan willen' is m.i. 'Project-1982', de evangelisatie-compagne die voor het volgend jaar in voorbereiding is en waaraan ook kerken uit ons verband deelnemen. Natuurlijk wil ik het christelijk getuigenis in onze samenleving niet tot zwijgen brengen - gesteld al dat dat mogelijk zou zijn.' Wat ik wil aanvechten is de mening die er achter kan zitten dat wij in dit tijdsgewricht met behulp van het evangelie een wending in ons volksbestaan zouden kunnen teweeg brengen. Ik geloof niet dat ons volk op. het evangelie zit te wachten.
Enkelen bekeren zich nog.
Grootscheepse acties zijn daarom teveel op de maat van 'vroeger' gesneden.
Ik heb er zelf in het verleden aan meegedaan, maar ik heb er geen enkel resultaat van gezien.
Wel komt er af en toe een gemeentelid met een vriend of kennis of collega bij mij langs met de vraag of ik die in de christelijke leer wil onderwijzen. Hetgeen ik met graagte doe. Ook op het gebied van de evangelisatie dringt het dus, zo wil ik zeggen, te weinig tot ons door dat de secularisatie in onze samenleving een voldongen feit is geworden en dat we al in de tweede generatie daarvan zitten. Wij kunnen niet eens meer aanknopen bij vage beseffen van een vroegere christelijke opvoeding. Nog eens, ik wil daarmee niet zeggen dat er geen taak tot evangeliseren meer zou bestaan, maar het moet vandaag m.i. toch meer via de mond-op-mond-beademing.
Politieke evangelisatie
Er is nog iets dat hieronder valt en dat zou ik de politieke evangelisatie willen noemen. Een goed voorbeeld daarvan vinden we in de geschriften van prof. dr. B. Goudzwaard. Zijn jongste boek 'Genoodzaakt goed te wezen' zal nog in ons blad door drs. W. Rietkerk worden besproken, maar ook ik wil er hier na geïnteresseerde lezing een opmerking over maken. Dat moet nu trouwens erg globaal en daarvoor mijn excuses.
Met de taaie volharding dan, een gereformeerde eigen, trekt Goudzwaard ook in dit boek weer te velde tegen de ideologieën en idolatrieën of afgoderijen die in ons politiek-economisch-militair stelsel rondwaren. Niet zelden kom ik van zijn analyses onder de indruk. Toch vraag ik me af wat hij er mee wil bereiken. Zou het niet mogelijk zijn dat zijn scherpe kritiek gebruikt of beter misbruikt gaat worden door maatschappij-kritische krachten die een omverwerping van het stelsel waarin we verkeren beogen? En stel dat hun dat lukt, zal dan wat daarvoor in de plaats komt beter, christelijker zijn dan het huidige? Wij mogen dat niet verwachten. De kritiek van Goudzwaard gaat m.i. uit van een vooronderstelling die ontbreekt, namelijk van een nederlands volk dat zich onder het Woord schikt. Daar op die plaats immers mag men een gevoeligheid verwachten voor een beschuldiging als van afgoderij. Maar Nederland heeft die plaats bewust verlaten. Het is voor mij eerlijk de vraag of daaruit geen consequenties voortvloeien die we ons tot dusverre niet hebben ingedacht.
Bijvoorbeeld dat wij ophouden dit stelsel waarin wij verkeren onder bijbelse kritiek te stellen en er onze kracht meer in gaan zoeken een christelijke 'techniek' te vinden om met dit stelsel in al z'n hachelijkheid tóch om te gaan. Luisterend bijvoorbeeld naar Jezus' advies in Luk. 16, om ons vrienden te maken met behulp van de onrechtvaardige mammon - een zeer bruikbare raad die wel een scherpe maatschappijkritiek bevat maar daarin toch niet opgaat. Of we kunnen ook letten op Paulus' aanwijzing in 1 Cor. 7 : 31 dat we van de wereld gebruik zullen maken zonder haar ten einde toe te gebruiken. Ook dit is een opmerking die getuigt van kritische afstand gecombineerd met lakonieke souplesse. Want dr. Goudzwaard heeft wel aangetoond dat onze samenleving van afgoderijen vol is, maar niet dat deze afgoderijen zich dwingend opleggen aan een ieder die met dit stelsel zoals het is werkt.
En precies daarom loopt er voor ons christenen toch een begaanbare weg naar voren, ook als deze samenleving niet verandert. We zullen ermee móeten omgaan; we zullen - zo is mijn overtuiging - er ook mee kunnen omgaan.
Al moeten wij ons meer dan te voren vertrouwd maken met de gedachte dat ons voor het maken van rechte slagen in toenemende mate slechts kromme stokken ter beschikking zullen staan.
Jeremia 29
Waar ik vandaag met nieuwe ogen naar kijk dat is naar de brief die de profeet Jeremia gestuurd heeft aan de joodse ballingen in Babel. De realiteit van de ballingschap, de afbraak van de jeruzalemse zekerheden, het eindpunt van het beschermde tijdperk voor Gods volk - daar wilden de mensen van toen ook niet aan. In Jeruzalem waren profeten die zeiden (en de echo van hun boodschap was ook in Babel te horen) dat de ballingschap slechts van voorlopige aard zou zijn. Binnen nog twee jaren zou zich de oude toestand weer hebben hersteld. Deze profetie bewerkte dat men in Babel ging zitten omkijken naar het verleden. Met zijn brief wilde de profeet Jeremia daar een eind aan maken. De Here God had hem geopenbaard dat de ballingschap zeventig jaar zou gaan duren. Dat wil zeggen dat pas de klein- en achterkleinkinderen aan terugkeer zouden kunnen denken. Daarom nu zegt Jeremia tegen de Joden: mensen, gaan jullie in vredesnaam iets doen!
"Bouwt huizen en woont daarin, legt tuinen aan en eet de vrucht daarvan; neemt vrouwen en verwekt zonen en dochters, neemt vrouwen voor uw zonen en geeft uw dochters aan mannen, opdat zij zonen en dochters baren. Zoekt de vrede voor de stad waarheen Ik u in ballingschap heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot de HERE, want in haar vrede zal voor u (enige) vrede gelegen zijn.' (Jer. 29: 5-7).
Voor Israël is de ballingschap een soort secularisatie geweest. De houding van Gods volk tegenover het nationale werd vanwege de ballingschap op een nieuwe noemer gebracht.
De nationaliteit van Babel waartoe Israël ging behoren was haar minder eigen dan het vroegere vertrouwde Jeruzalemse bestel, waarin nog theokratische idealen konden worden gekoesterd. Het verlies van het vroegere was gevoelig en men kan het zich goed indenken dat het volk er aanvankelijk niet aan wilde. Maar de profeet Jeremia mag een perspectief bieden: in Babels vrede zal er vrede voor u gelegen zijn. Pak dus maar aan en zet je er maar voor in! Wat positief is dat! Was Babel dan niet een staat vol afgoderij? Zeker was dat het geval en bovendien gebeurden er op het maatschappelijke vlak verschrikkelijke dingen. Voor de overwonnen volken voerden ze daar in Babel een deportatie-politiek waar het thuislanden-beleid kinderspel bij is. Zoekt de vrede voor de stad en bidt voor haar - ach, eigenlijk niet verschillend van het apostolisch voorschrift om voor de romeinse overheden te bidden (1 Tim. 2 : 1 vv). Stel je voor: bidden voor het romeinse stelsel dat z'n rotheid overduidelijk bewezen had in het vonnis van Pilatus over Jezus. Daar zou toch geen rechtgeaarde christen ooit meer iets mee te maken willen hebben? Tenzij dan op grond van de lakonieke redenering dat iedere overheid beter is dan geen overheid.
Welnu, dit wàs hun redenering.
De Joden
Wij kunnen vandaag als christenen veel leren van het wereld-Jodendom.
Niet het Jodendom zoals het zionistisch gegroepeerd is, maar zoals het eeuwenlang in de verstrooiing heeft geleefd en nog leeft. We zullen het nu niet hebben over de houding die door de overheden tegenover hen is aangenomen, maar letten op hun eigen opstelling. In het algemeen hebben zij in de landen waar zij kwamen te wonen loyale burgers willen zijn, die zich beschikbaar hielden voor al de taken die in een gemenebest moeten behartigd worden.
Tot zelfs de militaire taken toe (Dreyfus). Tegelijk waren zij er zich van bewust dat ze in religieus opzicht een heel ander ijzer in het vuur hadden. Maar met die religieuze droom in het hart zochten ze toch de politieke vrede voor de steden en landen waar ze kwamen. Als minderheid.
Ja, zegt iemand, maar als minderheid hadden ze op die samenleving weinig invloed. Is dat zo? Eén van de namen van ons Amsterdam komt bij hen vandaan: Mokum.
En al is dat geen officiële naam, het zegt over die invloed heel wat. Haman de Jodenhater was van hun betekenis voor de perzische samenleving trouwens ook goed op de hoogte. Dat blijkt als hij zijn verschrikkelijke voorstel doet om de joodse minderheid uit te roeien. Koning Ahasveros die aanvankelijk gedacht moet hebben dat zijn grootvizier gek geworden was, wordt door Haman namelijk als volgt gerust gesteld: " ... dan zal ik tienduizend talenten zilver afwegen en ter hand stellen aan hen wier taak het is die te storten in de schatkist van de koning" (Esther 3 : 9b; zie ook 7 : 4b). Aha! denk je dan als je dat leest, zo'n minderheid toch! En om van hieruit nu een geweldige gedachtensprong te maken: ik vind het niet zo vreemd dat de synagoge hier te lande nogal aarzelingen had om aan de anti-kernwapen-demonstratie mee te doen. Dat kwam niet enkel omdat het gebeuren op sabbat plaats vond, nee, daar stak ook het besef achter (door afschuwelijke ervaringen gevoed) van wat er op het spel staat als we ons tegenover de vijanden van onze vrijheid weerloos maken. Niet voor niets begonnen de rabbijnen meteen over de Jodenvervolgingen in Rusland te praten.
Maar eigenlijk bedoelde ik deze zijsprong naar de demonstratie nu niet. Ik wil nogmaals zeggen dat we veel van het Jodendom kunnen leren als het er om gaat als minderheid in een geseculariseerde wereld en in een lang niet vlekkeloos stelsel te verkeren en mee te helpen het in stand te houden, al was het alleen maar uit vrees voor het alternatief.
De synagoge heeft nooit veel energie gestoken in maatschappij-kritiek; het besef een minderheid te zijn Was doorvoor te sterk. Maar wel waren haar leden bedreven in het goed gebruik maken van de meest verschillende politieke systemen.
Onze politieke taak
Onze houding tegenover het nationale is anders geworden dan vroeger.
Het is ons minder eigen geworden, we zien er duidelijker de betrekkelijkheid van in. Maar dat wil niet zeggen dat we de waarde ervan nu straffeloos zouden kunnen ontkennen of laten vallen. Dat is het model waarmee de Evangelischen of Evangelikalen op onze tijd van secularisatie reageren. Zij laten - zo is mijn indruk - de politieke dimensie van ons geloof wat schieten, omdat we op dat veld toch uitgepraat zijn. Het valt niet te ontkennen dat er bij hen op deze manier energie vrij komt. De politiek de rug toekeren geeft een hele zorg minder.
Je raakt dan zelfs een blok aan het been kwijt. Toch is het geen juist reageren op ons tijdsgewricht. Het is waar dat we op het gebied van het georganiseerde politieke leven veel van onze invloed verloren hebben en wat er nog van rest gaat zienderogen achteruit. Toch betekent dit niet dat we de samenleving en haar noden aan zichzelf of aan anderen zouden mogen overlaten.
Wij dienen juist nu in een opperste gevoeligheid mee te leven met het politieke en maatschappelijke gebeuren om ons heen om op ieder moment in te kunnen springen wanneer op onze verantwoordelijkheid en deskundigheid een beroep wordt gedaan. We moeten niet vergeten dat christenen inzoverre zij met hun Heer leven geen angst kennen. Deze vreesloosheid zal in de toekomst een nog schaarser artikel gaan worden dan het nu al is. Denk eens in: geen angst voor gevaarlijke vijanden, geen angst voor gevaarlijke wapens (die er immers zijn; men zou de mensheid uit moeten roeien om ze echt uit te bannen) en geen angst voor gevaarlijke energie! Overheden die hun verstand gebruiken zullen belang bij ons hebben, want van de groeiende paniek in de samenleving wordt niemand wijzer. Zo voorzie ik echt nog wel politieke taken voor Gods kinderen in een geseculariseerde wereld. Ze zullen in misschien zeer moeilijke situaties 'de vrede voor de stad' mogen zoeken en daarin hun liefde voor land en volk kunnen tonen. De lezer kan van mij weten dat ik daarbij denk aan de bijbelse voorbeelden van Jozef in Egypte en Daniël in het perzische rijk. Maar achter hun brede schouders gaan voor mij veel kleine Jozefjes en kleine Daniëltjes schuil: christen-mannen en -vrouwen, op eenvoudige posten gesteld, die met liefde tot het vaderland en in vertrouwen op God de vaak onooglijke taken en verantwoordelijkheden van de samenleving behartigen. En die daarom ook zuinig zijn op het nationale, al kunnen zij zich daar veel minder mee vereenzelvigen dan vroeger wel het geval is geweest.
Maar het blijft voor hen een betrekkelijke waarde vertegenwoordigen.
En zij verdedigen die met in hun hart het betere Vaderland.