Evangelisatie (2)
1982-05-14
De vorige maal had ik het over de indruk die ik wel eens krijg dat de christelijke gemeente van vandaag omgeven is door een dubbele rand: die van de afvalligen en verderop die van de heilbegerigen, en ik stelde de vraag of de tijd niet gekomen is om een tunnel te graven onder die eerste rand door om zo bij de tweede te komen. Ik oriënteerde mij voor deze figuur op het Nieuwe Testament en wel met name op het boek Handelingen. Het is met deze oriëntatie op de Schrift dat ik me ook nu nog wat verder wil bezig houden.- Jaargang 26
- nummer 19
Ook wel mede met de bedoeling om te wijzen op het eigenaardige van de bijbel dat hij het verleden beschrijvend tegelijk met het heden bezig is.
Twee teksten
Ik noem dan twee teksten die samen iets gemeenschappelijks hebben en tegelijk onderling aanmerkelijk verschillen. De ene tekst is Hand. 2:40 "En met nog meer andere woorden getuigde hij en hij vermaande hen zeggende: Laat u behouden uit dit verkeerde geslacht". De andere komt uit een brief van Paulus, Phil. 2 : 15: " ...opdat gij onberispelijk en onbesmet moogt zijn, onbesproken kinderen Gods te midden van een ontaard en verkeerd geslacht, waaronder gij schijnt als lichtende sterren in de wereld". De ene tekst gebruik ik als startpunt, waar ik van uit wil gaan; de andere als mikpunt, waar ik terecht wil komen. De lezer zal al wel begrepen hebben wat het gemeenschappelijke van beide plaatsen is, namelijk dat het in Handelingen gaat over het 'verkeerde geslacht' en dat Paulus het heeft over het “ontaarde en verkeerde geslacht'. Beide uitdrukkingen gaan terug op een heel oud woord van Mozes in Deut. 32 : 5: "Verderfelijk hebben tegen Hem gehandeld, die zijn zonen niet zijn maar een schandvlek:' een verkeerd en vals geslacht". (En ook in een psalm (78 : 8) lezen we: " ... en niet worden gelijk hun vaders, een weerbarstig en weerspannig geslacht, een geslacht onstandvastig van hart en welks geest niet trouw was jegens God".) Petrus pastein de geest van Mozes - dit zware woord toe op het joodse kerkvolk van zijn dagen en Paulus op de wereld van zijn tijd. En dat leert ons al meteen dat in de ogen van de Here God kerk en wereld er even abominabel uit zien. Zodat er voor niemand reden is om na een teleurstellende ervaring met de kerk zich in een roze verwachting tot de we- , reld te keren. Zo'n valse romantiek kan de drijfveer tot evangelisatie niet zijn.
A en B zeggen
Maar daarover nu verder niet. Wat is het verschil tussen beide teksten?
In de eerste tekst zit een beweging: 'uit'; in de tweede gaat het over een toestand: 'te midden van'.
In het eerste woord worden we ergens uit weggeroepen, het tweede woord zet ons ergens neer. En het vreemde (waardoor beide woorden elkaar lijken tegen te spreken) is dat het in elk van de twee woorden gaat over datzelfde 'verkeerde geslacht': de ene keer worden we eruit weggehaald, de tweede keer worden we erin neergezet. Of gaat het in beide gevallen toch niet over precies hetzelfde “geslacht'? Inderdaad moeten we hier goed onderscheiden. De ene maal gaat het over een geslacht dat ondanks een zeer intensieve bearbeiding met het evangelie verkeerd is gebleven (of weer geworden), de andere keer over een geslacht op welks verkeerdheid de krachten van het evangelie nog niet zijn losgelaten. En ieder die de bijbel een beetje kent weet dat dit bij onze Hemelse Vader een geweldig groot verschil maakt. Uit het midden van de eerste kring van mensen neemt Hij de lamp van het Woord weg, om die neer te zetten bij de mensen van de tweede soort. Zo opgevat verdwijnt de schijnbare tegenstelling tussen de twee teksten om plaats te maken voor een sterke geestelijke verbondenheid. Wie a zegt, moet ook b zeggen, houdt het spreekwoord ons voor. Welnu, in de eerste tekst zegt God a en in de tweede b.
Geleidelijk proces
Toch nog iets meer over deze sterke geestelijke verbondenheid. De eerste tekst vinden we aan het slot van de bekende Pinksterpreek van Petrus. Men zou het niet zeggen, maar hij is er een soort van samenvatting van. Met dit woord geeft Petrus aan wat de teneur van de prediking van die hele dag en mogelijk van die eerste tijd in het algemeen was. In allerlei toonaard klonk het: 'laat u behouden uit dit verkeerde geslacht'. Zo
hakte God zich door de prediking van het evangelie een rest uit het volkstotaal van Israël uit. Niet dat nu de eerste gemeente vanaf het eigenste moment van haar ontstaan al geheel los was van het joodse volk. Dat heeft langer tijd in beslag genomen. Lukas tekent ons in het begin van Handelingen dit gebeuren als een geleidelijk proces van toenemende verscherping. Aanvankelijk was er nog de geduldige nodiging tot het heil en overheerste, bij alle duidelijkheid en dus zonder verdoezeling, de verzoenende toon. Ik denk hierbij aan Hand. 3: "En nu, broeders, ik weet dat gij uit onkunde gehandeld hebt, gelijk ook uw oversten ... " (vs. 17), en: "Komt dan tot berouwen bekering ... " (vs. 19). Maar allengs wordt de toon scherper: "En wij zijn getuigen van deze dingen en ook de Heilige Geest - Die God (alleen maar) aan hen geeft die Hem gehoorzaam zijn" (5 : 32). Tenslotte is het Stefanus geweest die aan de confrontatie een einde heeft gemaakt met zijn bekende rede die hij beëindigde met het ontzettende: “Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij verzet u altijd tegen de Heilige Geest; gelijk uw vaders zo ook gij!" (7 : 51). Dit woord, stevig onderbouwd als het was door het geheel van het voorafgaande bijbels-historische relaas, kostte Stefanus het leven.
Zijn martelaarsdood was hel start-sein van een meer gewelddadig optreden tegen de jonge gemeente: " ...Er ontstond te dien dage een zware vervolging tegen de gemeente van Jeruzalem; en allen werden verstrooid ... " (8: 1). Maar dit werd het begin van de prediking onder de niet-joden. "Zij dan die verstrooid werden, trokken het land door het evangelie verkondigende.
En Filippus daalde af naar de stad van Samaria ... " (8: 4, 5). De losmaking van het ene verkeerde geslacht was een feit; het gesteld worden te midden van het andere verkeerde geslacht ving aan.
Zware tekst
De apostel Paulus heeft in één van zijn brieven, dat eerste verkeerde geslacht, over deze joden dus van Judea een zeer scherp woord geschreven: " ...de Joden die zelfs de Here Jezus en de profeten gedood en ons tot het uiterste vervolgd hebben, die Gode niet behagen en tegen alle mensen ingaan, daar zij ons verhinderen tot de heidenen te spreken tot hun behoud, waardoor zij te allen tijde de maat hunner zonden vol maken. De toorn is over hen gekomen tot het einde" (1 Thess. 2 : 15, 16). Veel christenen zijn vandaag erg verlegen met dit woord. Onlangs heeft iemand er in een proefschrift nog over geschreven (dr S. Schoon, Christelijke presentie in de joodse staat, Kok 1982). Hij vond dat deze tekst (met andere) eigenlijk niet in de bijbel thuishoorde en nu hij er toch in stond kon hij maar het best dood gezwegen worden. Maar dat vind ik niet. We zouden, dunkt me, al een stuk verder zijn als we inzagen dat hier niet een ongenuanceerd oordeel over het jodendom in het algemeen wordt uitgesproken. M.L gaat het hier heel gericht tegen de joden van Iudea uit die tijd, over wie met de verwoestng van Jeruzalem inderdaad op een definitieve manier de toorn van God is gekomen.
Er is dus geen reden om twintig eeuwen na dato deze tekst als een scherpe steen het jodendom van nu nog achterna te gooien. De situatie van de hedendaagse joden is meer open. Maar behalve dat deze tekst het over bepáálde joden heeft is van nog meer belang dat Paulus met deze woorden een kenschetsing geeft van het afvallige kèrkvolk van die dagen. Daarom moet deze tekst helemaal niet dood gezwegen worden want we hebben hem nodig om de eigen situatie van de christelijke gemeente anno 1982 te verstaan. Paulus zegt dat deze joden van Judea 'ons', dat wil zeggen: de christenen, verhinderen tot de heidenen te spreken tot hun behoud. Het is wel waar dat de apostel dit later ook van joden buiten Palestina heeft meegemaakt, maar de definitieve wijze waarop hij hier spreekt maakt het toch onmogelijk bij deze passage aan hen te denken. Nee, hij heeft speciaal de joden van Judea op het oog die niet alleen met hun vervolgingen maar ook met hun theologie de christelijke gemeente lange tijd hebben geblokkeerd. Niet allen maakten zich als Stefanus op tijd daarvan vrij.
Pella
Wat was dat dan voor een theologie? Wel, iets soortgelijks als waardoor onze handen veelszins gebonden worden. Een theologie die aan de bijbel en aan het bijbelse geloof een politieke draai gaf waardoor de kaarten gezet werden op déze wereld en haar overleving. Bij de joden was dat de joodse wereld, maar door die bijkomstigheid moeten we heenzien. Het was een geheel verwereldlijkte theologie, onder woorden gebracht in Joh. 11 :48: "Straks komen de Romeinen en ontnemen ons onze plaats en ons volk". En het is deze geseculariseerde angsttheologie geweest, in gematigde en in geradicaliseerde vorm, die het jodendom
in het wilde avontuur van de joodse vrijheidsoorlog gedreven heeft. Veel joden-christenen zijn lange tijd door dit denken bekoord geweest totdat ze op het laatste nippertje het ten dode opgeschreven Jeruzalem hebben verlaten en naar het overjordaanse Pella zijn gevlucht.
Pella
Wij moeten vandaag ook naar Pella vluchten. Dat wil zeggen dat we ons radicaal onttrekken aan een gedachtewereld die nog wel bijbelteksten gebruikt maar niet bijbels meer is.
Om concreet te worden, dr o. Jager zegt in hetzelfde interview als waar ik het de vorige week over had: "Wanneer we niet zien dat de meerderheid van de mensen door een bevoorrechte minderheid wordt uitgebuit, en waar we de slachtoffers van ons maatschappelijk systeem niet zien, daar blijft de bijbel een gesloten boek". Laten nu de christenen die hun geloof willen voeden en afstemmen op de bijbel zèlf, hierop rustig en in alle duidelijkheid zeggen: "Dit is mijn geloof niet; teveel mensen verkeren in gevaar van voor eeuwig verloren te gaan dan dat ik me de luxe van een jarenlange discussie over dit verpolitiekte geloof kan veroorloven". Als wij evangeliserende gemeente willen zijn dan zullen we grondiger dan tot dusver ons van dit denken moeten ontdoen. Ook zelfs in die zin dat we ons de handen niet langer laten binden door de bestrijding ervan. "Ziet, wij keren ons tot de heidenen. Want zo heeft ons de Here geboden: Ik heb u gesteld tot een licht der heidenen, opdat gij tot heil zoudt zijn tot aan het uiterste der aarde" (Hand. 13: 46, 47). 'Licht der heidenen' - zo kom ik dan terecht bij de tweede tekst van het begin: " ...opdat gij onberispelijk en onbesmet moogt zijn, onbesproken kinderen Gods te midden van een ontaard en verkeerd geslacht waaronder gij schijnt als lichtende sterren in de wereld... ". Maar daarover de volgende keer.