Beproefde trouw (6)

1982-05-14
  • Jaargang 26
  • nummer 19
Je zou misschien beter kunnen zeggen: 75 jaar getuigen. Er van spreken, dat 't niet goed is met een kerk, waarin zoveel richtingen als om strijd hun eigen doelstellingen propageren. De Bond wilde niet zo'n "richting" zijn, ze wilde de kerk weer kerk (gemeente van onze Heer) doen worden. Plaatselijk kon dat in vele gevallen zelfs ook nog. Er waren Ned. Hervormde gemeenten, die een "bondskarakter" vertoonden en op andere plaatsen - waar dit niet het geval was - stichtte men "evangelisaties" (zeg noodgemeenten) en daarin kwam het gereformeerde karakter van prediking en herderlijke zorg tot uitdrukking. Maar daarmee bleef het landelijk kerkgenootschap zichzelf en bleven de banden van de organisatie knellen. Vanwaar toch, vragen we ons af, die sterke binding van de Gereformeerde Bond met een kerkgenootschap, dat zij blijft veroordelen? Je krijgt op die vraag onderscheiden antwoorden, maar geen daarvan overtuigt. "De vaderlandse kerk" of als men voorzichtig is "de oudvaderlandse kerk" lijkt een motief te zijn (dat "oud" grijpt direct terug op Dordt 1618/9), maar welke betekenis heeft dat in het licht van de Schriften?

Drs. K. Exalto geeft op de vragen rondom de binding aan de kerk een aantal antwoorden in zijn bijdrage "De visie op de kerk" en hij bouwt die op door enkele "voormannen" te citeren, die in de 75 jaar Bondsbestaan leidende .posities ingenomen hebben. Hij vangt aan met te constateren "De kerkelijke kwestie, en daarmee nauw verbonden de visie op de kerk, is binnen de Gereformeerde Bond altijd een der meest aangelegen punten geweest. De mannen van de Bond zijn namelijk altijd van twee kanten aangesproken en ook wel aangevallen op hun kerkelijk standpunt. Natuurlijk allereerst vanuit de kerk waartoe zij behoren; maar verder ook vanuit de afgescheiden kerken. Vanuit hun eigen kerk werd hun steeds de vraag voorgelegd of zij wel voluit hervormd zijn, en vanuit de andere hoek vroeg men hun steeds of zij, met name in hun kerkopvatting, wel voluit gereformeerd zijn (... ) het "gewoon hervormd" zijn en toch voluit "gereformeerd" te willen wezen, bracht geen geringe spanningen en moeilijkheden met zich mee". (96/7) De eerste voorzitter van de Bond was prof. dr. H. Visscher. Van hem zegt de schrijver dat hij "tot op zijn oude dag heeft gekend de worsteling om de kerk, en om het echte gereformeerde kerkzijn. En dan altijd in continuïteit met de kerk der vaderen, waaraan hij met hart en ziel zich verbonden gevoelde". (102) Zijn gedachten zijn als volgt samengevat: "Een volkskerk is noch bijbels noch gereformeerd; reorganisatiepogingen die een volkskerk beogen, moeten dus worden afgewezen; de kerk der belijdenis is de gemeenschap der ware belovigen; deze kerk handhaaft haar belijdenis; deze kerk der belijdenis bevindt zich in de Hervormde Kerk, maar valt niet zonder meer met haar samen; een uitweg in de overigens uitzichtloze kerkelijke situatie biedt een modus vivendi, (... ) een opsplitsen van de plaatselijke gemeenten en dus ook van heel de Hervormde kerk in modale gemeenten". (104) (modaal/modaliteit = een eigen type vertonend, in dit verband een andere naam voor "richting"). Met het eerste deel van dit citaat komt prof. Visscher dicht in de buurt van Afscheiding en Doleantie. Toch verwerpt hij die, want "De Afgescheidenen menen te hebben gehandeld in gehoorzaamheid aan de Belijdenis, maar het tegenovergestelde is het geval. Hun heengaan was een eigenmachtige daad, eigenwillige godsdienst, een weglopen van onder Gods oordelen, een verscheuren van het lichaam van Christus. Zich onttrekken aan het juk is wel het gemakkelijkste, maar daarmee is Gods kerk niet ontkomen aan de oordelen Gods.
Dit is dan ook niet Gods weg". (113) Hier passen wel enkele vragen en dan wel als eerste of je wel kunt spreken van "gehoorzaamheid aan de belijdenis" in 1834? In de Acte van Afscheiding tref je vele geciteerde Schriftplaatsen aan, maar eerst daarna is er beroep op de belijdenis. En vervolgens, zijn onze broeders toen "heengegaan" of zijn ze "heengezonden"? Ze zijn uit ambten gezet, vervolgd, buitengeworpen.
Een geheel andere figuur, waar de aandacht op valt is dr. J. G. Woelderink, een man bij de ouderen onder ons bekend. Zijn boek "Het Doopsformulier" verscheen in 1938 en is in de jaren van de vrijmaking en daarna velen tot steun en troost geweest. Hij is de man, die in de kring van de Gereformeerde Bond het individualisme bestreed en krachtig opkwam tegen piëtistische en doperse stromingen. Het Verbond Gods was voor hem een realiteit en zijn prediking getuigde ervan. De HERE komt met Zijn Evangelie van genade en houdt dit ons voor. Enkel geloof en vertrouwen op Hem, een aanvaarden van zijn beloften, is ons geboden. Daarbij mogen we àlles verwachten van onze Middelaar, die alle gerechtigheid volbracht heeft. Hij streed daarmee méér voor de rechte Evangelieboodschap dan dat hij zich met het kerkgenootschap en de nodige reorganisatie en reformatie bezighield.
En voor zover hij dit laatste wél deed, kwam hij buiten de Bond te staan, omdat hij aan het eind van zijn leven (hij overleed in 1956) meende mee te moeten gaan met de nieuwe koers in de Ned. Hervormde Kerk.

Drs. Exalto concludeert tenslotte "Er zit in de Gereformeerde Bond een zekere ontroerende trouw aan de kerk der vaderen. Maar tegelijk ook, bij alle struikelingen, trouw aan de Belijdenis. Die twee met elkaar combineren is niet gemakkelijk.
De kerk maakt het haar kinderen niet gemakkelijk. Het is een gedurig leven in conflicten. Maar niet zonder zegen. Op de kerkelijke houding van de Gereformeerde Bond zal wel altijd kritiek te leveren zijn. De positie van de Bond is kwetsbaar. Maar het is een positie die principieel verantwoord is. De mannen van de Gereformeerde Bond hebben getracht in hun bezinning die principiële positie te verwoorden. Daarin legden zij soms verschillende accenten. Maar in de trouw aan Schrift en Belijdenis en aan de erve der vaderen waren zij één. Het blijft de Gereformeerde Bond, zolang hij bestaat, gaan om de hele kerk, maar dan wel haar genézing. En tot die hele kerk behoren ook de eigen gemeenten. De Gereformeerde Bond vervult in de Hervormde Kerk geen heersende maar een dienende taak". (153/) Voor ons blijft echter ook na lezing van deze bijdrage de vraag bestaan: waarom al die last van een (verdorven) kerkgenootschap meegesleept?, waarom de verantwoording gedragen van onschriftuurlijke Woordverkondiging in een kerkelijke gemeenschap, die blijk geeft zich niet te willen bekéren tot de Waarheid in Chirstus?, waarom niet als. christgelovigen ànderen gezocht en getracht sámen verder te gaan, zoals artikel 28 van de Ned. Geloofsbelijdenis (ja, die veelgeroemde belijdenis in de kringen van de Bonders!) aangeeft?
We hebben het antwoord daarop in het boek "Beproefde trouw" niet gevonden.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief