Correspondentie

1982-05-14
  • Jaargang 26
  • nummer 19
Misschien gaat het u - beste lezer, lieve lezeres - wel net als mij. Als ik iets lees moet ik altijd opletten, dat ik andermans woord niet door mijn zeef haal. Dat ik eerlijk open sta voor wat hij zegt - zonder hem te laten zeggen wat ik gedacht had dat hij zou zeggen als hij mij was geweest.

Wel, u kent dat verschijnsel? Dan kunnen we praten.

Soms krijg ik op mijn babbel in deze kolom reacties, die ik nauwelijks kan thuis brengen. Dan heeft iemand woorden van mij gelezen, die ik zelfs niet gedacht heb; of meent mij standpunten te mogen aanwrijven, die mij van mijn stuk zouden brengen. Een enkele maal overkwam mij, dat - toen ik aantoonde enige gewraakte volzinnen gezegd noch gedacht te hebben mij ijskoud geantwoord werd: uw woordkeus is wel zo voorzichtig, dat u niet te vangen bent.

Niet te vangen? Onder een hoedje! De kwestie is maar: in welke sfeer en met welke bedoeling correspondeert men. In een vertrouwende sfeer zult ook u wel bereid zijn, elke verkeerde zin in te slikken, voor hij uitgebracht is. Maar in een slangenkuil vol politiek of idealistisch geweld zou iemand drie maal nadenken, voor hij een woord liet vallen. En dan niets terugnemen.


Nu valt dat in de regel wel mee. Verreweg de meeste briefschrijvers zijn bezield van begrip, ook als zij het niet met de geachte schrijver eens zijn.
Er zijn van die lezers, die nu en dan opbellen en op geen vijf minuten internationale babbel beknibbelen. Er zijn ook lezers, die op bepaalde feestdagen een bloemenkaart sturen met een leuke bemoediging. Er zijn zelfs lezers die mijn blik vestigen op neventerreinen, die ik onbewerkt liet liggen. Dát zijn onze beste medewerkers. Ze zetten me aan het werk, wat ik eigenlijk mijn lezers had willen doen.

Ja, die contacten worden dezerzijds hogelijk op prijs gesteld. Zelfs bijval is welkom - correspondentie nog meer. Met veel van onze relaties en vrienden is geen correspondentie of ontmoeting meer mogelijk. We zijn al blij, enkele redactievergaderingen per jaar te kunnen bijwonen, maar de jaarvergadering van onze persvereniging kunnen we al weer niet meemaken.
Niet dat ik hen vergeten ben (het geheugen is vrij goed, dank u) maar het kan eenvoudig niet. Vaak denk ik aan bepaalde vrienden en schrijf als het ware voor iemand persoonlijk. Maar werken, studeren, schrijven, jagen, vissen, tuinieren en kerkwerk, alles vraagt zijn bestemde tijd en ook hier hebben de dagen maar 24 uur.

In februari wijdde ik drie artikelen aan "Het verstoorde leven" van Etty Hillesum. Ik kreeg er enkele brieven op, die ik u gedeeltelijk doorgeef. De eerste is van een vriend, die me zelf op dat boek attent maakte:

wil ik je alvast mijn hartelijke instemming betuigen met de eerste twee artikelen. Het derde zal ongetwijfeld navenant zijn. De titels zijn voortreffelijk en dus ook de wijze, waarop je het boek benadert. Me dunkt, dit moest onder ons veel meer gevonden worden. Er zullen er stellig ook wel over vallen. Het zij zo.

Na deze welwillende bijval een welwillend kritische reactie van een lezeres:

Het eerste artikel heb ik ademloos uitgelezen, de twee laatste boeiden me veel minder. Het boek zelf boeide me tot de laatste bladzijde - irriteerde me ook, vanwege al deze openheid, die zij nooit zo bedoeld heeft naar buiten te laten komen, geloof ik. We voyeren allemaal een beetje. Worden er toch ook wel beter van, dat ook. Deze vrouw zelf irriteert zeer zeker niet - haar leven heeft volheid bereikt ondanks de beperkingen, waarmee zij in dit leven gezet was.

Maar wat doet de gemiddelde lezer met uw serie? U verheerlijkt naar mijn idee de mate van ontwikkeling van deze vrouw, maar moeten we allemaal dát bereiken, dát zijn? Dan zeg ik "nee". Dat kan niet en dat hoeft niet. Was het Paulus niet, die zei dat er leraren, zieners enz. nodig zijn?
Onze lieve Heer heeft mensen van allerlei soort, kunde, niveau en ervaring nodig. Uw artikelen laten, kunnen mensen laten zitten met insufficiëntiegevoelens. Wijs een volgende keer eens op die velerlei soorten van bestaan, die er kunnen zijn. Etty was onpraktisch, labiel, niet geschikt om een gezin te hebben en kinderen op te voeden. Niet geschikt om in 't openbaar haar zegje te doen en zo voort. Uw lezers, lezeressen - wat zeggen die er van? Herkennen ze zich in deze vrouw? Moeten ze ook zo? Kortom: ik las liever het boek dan uw artikelen. Een volgende keer beter.

De eerste schrijver kwam weken later op zijn brief terug:

ik ben je nog een eindwaardering schuldig van je bespreking van E.H. Nu, die vind ik voortreffelijk, vanuit een liefdevol begrip geschreven. Bij zo'n boek kan je alleen maar eerbiedig zwijgen en danken. En er uit leren.

Het is een boek, dat je onmiddellijk uit honderden (zo niet uit duizenden) aanspreekt tot in je ziel. Dank nogmaals voor je bespreking.
Het boek heeft nu een 6e druk - maar het heeft geen diepe indruk gemaakt, geloof ik, op een bredere laag van ons volk. Daar is het te fijn voor en te vierkant (ingaande) tegen de geest van de tijd, die van niets meer vervreemd is dan van het gebed en de verborgen omgang met God.

Zo'n paar brieven doen meer dan goed. Ze wijzen soms op tekortkomingen, die aanvulling of correctie behoeven. Ze spreken soms een amen uit op een privé-geloofsbelijdenis. In elk geval geven ze een echo op je stemgeluid en dat is een teken van leven.

Een van onze beste lezers schreef me, dat hij met waardering voor mijn "De meest bekende farao" ervan overtuigd bleef: dat de uittocht van Israël niet in de 13e eeuw maar in de 15e moet worden gedacht. Hij beriep zich op niemand minder dan wijlen prof. B. Holwerda, die van de Amerikaanse prof. Garstang de onweerlegbare bewijzen had aanvaard, dat Iericho rond 1400 v.C. een dramatische verwoesting heeft ondergaan. Dat zou de exodus op het midden van de 15e eeuw brengen.

Ik ben er niet bij geweest en heb niemand nagesproken. Wat ik schreef was mijn eigen constructie, op grond van de laatste oudheidkundige gegevens.
Onder die laatste noemde ik vier moderne boeken; ik zou er Keller's "De Bijbel heeft toch gelijk" nog aan kunnen toevoegen (p. 152). Deze boeken kunnen het natuurlijk alle mis hebben, al moeten deze geleerden even goede gronden voor hun datering hebben - als de Schriftgelovigen, die geneigd zijn de O.T. geschiedenissen vroeger te dateren. En met veel eerbied en waardring voor wijlen prof. B. Holwerda (naar wie ik veel en vaak heb geluisterd) - de gegevens van prof. Garstang zijn inmiddels 30 jaar oud! Juist in de laatste decennia is in het nabije Oosten ontzaglijk veel ontdekt en gevonden.

De opgravingen in Israël zijn vooral na 1960 van de grootste betekenis geweest.
We hebben de 49 verwoestingslagen van Jericho persoonlijk bezichtigd; door een knappe gids werd gezegd dat juist van de val ten tijde van Jozua niets, maar dan ook niets, terug te vinden was. De opgravingen in Egypte staan niet stil. Juist de laatste jaren stromen nieuwe gegevens binnen: niet alleen het graf van Farao's dochter is blootgelegd - ook de baard van de Sphinx van Gizeh bijvoorbeeld is gevonden. (Waar? In de kelders van het museum te London - hij werd ons onlangs voor de BBC getoond.)

Daarom zonden we, met behoud van respect voor degenen die de Bijbelse oudheid vroeger dateren dan de moderne wetenschapsmensen, onze ogen wel willen open houden voor wat langzamerhand een communis opinio is geworden voor veel deskundigen. Misschien hebben deze gelijk; misschien heeft onze beste lezer wel gelijk. Daarom geven wij zijn stem door. Een laatste opmerking gold ons verzoek om correctie, indien de Bijbel wèl de dood van Farao in de Schelfzee vermeldt. Die correctie kwam: in psalm 136 : 15 wordt gezongen dat de Heere Farao met zijn leger in de Schelfzee stortte; en in psalm 106 : 11 dat de wateren Israëls tegenstanders bedekten, dat geen van hen over bleef.

Letterlijk genomen heeft het gebed bij ons doopsformulier dus gelijk, wanneer het zegt dat Farao met al zijn volk in de Rode Zee verdronken is. Maar een psalm is een psalm - geen geschiedschrijving; dat hoeven we toch niet meer aan te tonen? "Al Farao's volk" en "al Israëls tegenstanders" waren veel en veel meer dan die maximaal 1800 man, die bij de Rode Zee omkwamen. En bij ons weten kent Egypte's geschiedschrijving geen enkele farao, die bij het najagen van een slavenvolk de dood heeft gevonden. Niet in de 13e eeuw, niet in de vijftiende.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief