Nogmaals Oud en Nieuw

2008-07-25
  • Jaargang 52
  • nummer 15
Het rapport van het Vrijgemaakte Deputaatschap Dienst en Recht (zie de Persschouw in Opbouw van 15 februari) blijft de gemoederen bezighouden. Dat is ook wel inherent aan de opzet van het rapport, waarin een serie houdingen tegenover elkaar worden gezet, en aangeduid als ‘oud’, resp. ‘nieuw’. Het gevolg is dat het totaalplaatje behoorlijk herkenbaar is, terwijl er op onderdelen natuurlijk best het een en ander aan te merken valt. En dan gaat ieder aan de haal met z’n eigen stukje gelijk.
In Nader Bekeken van april komt dr. H.J.C.C.J. Wilschut nog eens terug op o.a. het gedeelte van het rapport over de tucht. Eerst maar even een belangrijke passage hierover uit het rapport.
De oude opvatting van de tucht:

Bij het toezien op kerkmensen wordt gestreefd naar duidelijkheid en controle.
De bedoeling hiervan is de gehoorzaamheid aan Christus te stimuleren (waarom bijv. inzake kerkelijke huwelijksbevestiging strikte afspraken gelden die anders-kerkelijken, doopleden en/of samenwonenden uitsluiten).

Nieuw is:
Het wordt geaccepteerd dat bij het toezien op kerkmensen vaak rafels blijven bestaan. Mensen wordt zo veel mogelijk vertrouwen gegeven in de hoop dat ze daardoor (beter) op weg blijven naar Christus (waarom bijv. al meer ertoe wordt overgegaan kerkelijke huwelijksbevestiging te gunnen aan anders-kerkelijken, doopleden en/of samenwonenden).

Het commentaar van Wilschut: Bij opzicht en tucht zijn liefde en geduld geboden. Geestelijk kwetsbare mensen hebben soms tijd nodig om naar gehoorzaamheid toe te groeien. Je kunt ook niet in één keer alles bereiken. Soms moet je genoegen nemen met een compromis, waarbij je met minder genoegen neemt dan eigenlijk zou moeten (bijv. je neerleggen bij echtscheiding zonder bijbelse grond; wel bewaak je dan de regel van 1 Kor. 7:11). Bij hardnekkige onbekeerlijkheid grijp je in en ga je uiteindelijk tot tuchtoefening over. Ook dan echter zonder dopers rigorisme, en met veel geduld. Maar steeds is handhaving van de bijbelse norm uitgangspunt en inzet.
Naast de persoonlijke verantwoordelijkheid is er de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de gemeente onder leiding van haar ambtsdragers. Samen hebben we te waken voor de heiligheid van Christus' tafel (zie antw. 82 HC). () Dus houd je als kerkenraad (met alle lek en gebrek die aan mensenwerk eigen is) de gemeente aan de bijbelse en kerkelijke regels (en vergeet bij de kerkelijke regels de bijbelse achtergrond niet!). Neem nu het voorbeeld van de kerkelijke huwelijksbevestiging. Waarom geen kerkelijke huwelijksbevestiging met een anders-kerkelijke? Nogal wiedes: een anders-kerkelijke kun je als kerkenraad niet houden aan z'n jawoord. Die anders-kerkelijke valt niet onder jouw kerkelijk opzicht en tucht, en dus kun je wederzijds geen verbintenis aangaan. Waarom geen kerkelijke huwelijksbevestiging voor doopleden? Omdat het formulier kerkelijke mondigheid veronderstelt, dat je als belijdend lid op je mondige keus kunt worden aangesproken. In de maatschappij kun je als onmondige geen rechtsgeldige overeenkomsten aangaan. Als kerkelijk onmondige kun je het in de kerk ook niet. Geen kerkelijke huwelijksbevestiging voor samenwonenden?Dat lijkt me geen algemene regel. Waarom zou dat niet kunnen na openlijke schuldbelijdenis?De nieuwe praktijk, die 'rafels' accepteert en vertrouwen geeft, lijkt wel sympathiek. Wat eraan ontbreekt, is bijbels-kerkelijk denken. Het gaat helemaal niet om vertrouwen/ wantrouwen. Er zijn dingen die uit de aard der zaak nu eenmaal niet kunnen. Daarbij is het een vertekening dat er in de vroegere praktijk die gelukkig niet alleen iets van vroeger is - sprake zou zijn van alles of niets. Inderdaad, het startpunt is de bijbelse norm, en het doel om die voor 100% te handhaven. Maar daarbij werd en wordt wel degelijk rekening gehouden met menselijke beperkingen. Al is er een grens aan de inschikkelijkheid. Er zijn zonden die niet onweersproken en onbestraft mogen blijven. Dat lijkt me gezonder dan de zgn. nieuwe praktijk: hoe breng je mensen bij de norm, beter iets dan niets. Dan wordt de mens uitgangspunt, en ga je vooral naar de haalbaarheid van de norm kijken. Het vertrekpunt tussen oud en nieuw is verschillend. In plaats van dat je de mens vanuit het Woord benadert. () Over tuchtoefening is het laatste woord binnen de kerken nog niet gesproken. In bepaalde opzichten kon de situatietekening (nieuw) van deputaten nog wel eens te gunstig zijn. Om maar eens iets te noemen: wordt er bij samenwonen nog in alle kerken tucht geoefend? Als je gespreksfora op internet mag geloven, is dat lang niet altijd meer het geval. Dat geeft reden tot zorg. Tucht hoort bij de kenmerken van het kerk-zijn. En er staat zoveel op het spel: Gods eer, het behoud van mensen, het heil van de gemeente. Tucht is tot genezing, de 'uiterste remedie' - het laatste wat de kerk kan doen voor iemands behoud. Niet voor niets komt de tucht in de HC ter sprake in het hoofdstuk van de verlossing (antw. 85 HC).

Inderdaad: het laatste woord over de tucht is nog niet gesproken. Daarom in het volgende nummer van Opbouw nog iets meer over ditzelfde onderwerp.

Drs. Menko Biewenga is predikant van de NGK in Enschede.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief