Dr. B. Goudzwaard, "Genoodzaakt goed te wezen"
1981-12-18
Graag vestig ik de aandacht op deze recente publicatie van de aan Opbouw-lezers niet onbekende prof. Goudzwaard.- Jaargang 25
- nummer 46
Bij Kok, Kampen, verscheen dezer dagen een boek van 110 pagina's over het onderwerp dat in de ondertitel wordt genoemd: christelijke hoop in een bezeten wereld.
De IKON-televisie besteedt er in de zondagmiddagen om 5.00 uur alle aandacht aan door prof. Goudzwaard over dit boek en de visie die daarin tot uitdrukking komt, aan het woord te laten. Dat biedt een bijzondere mogelijkheid om heel het Nederlandse volk aan te spreken op haar verantwoordelijkheid in het midden van deze "bezeten wereld".
Ik ben daar bijzonder verheugd over en sta er tegelijk ook verbaasd van dat dit kan. Dat het vandaag in ons land nog mogelijk is om een zo breed publiek met een zo door en door christelijke visie op onze samenleving te confronteren. Ik weet wel: er zullen er ook onder de lezers van Opbouw zijn, die dit meesmuilend zullen lezen - want de christelijke visie op de samenleving van Goudzwaard is onder ons niet bij iedereen populair.
Ook H. de Jong zal in dit blad wel andere dingen over dit boek gaan schrijven als ik nu doe.
Toch blijf ik bij mijn vreugde en verbazing over dit boek en het brede gehoor dat het krijgen zal.
Ik zal u uitleggen waarom, door de inhoud van dit boek kort samen te vatten. De titel luidt: "Genoodzaakt goed te wezen". Het is het slot van een citaat van Groen van Prinsterer uit 1831.
"Van allen verlaten is men gerust, wanneer men God tot bondgenoot bezit. Mogt nu slechts het gedrag der natie doen zien, dat zij de waarde en ook de voorwaarden van dat bondgenootschap kent. Het is somtijds alsof Holland afgezonderd en voorbereid wordt om krachtig deel te nemen aan de grote worstelstrijd waarop de tegenwoordige wereldcrisis, naar het schijnt, uitlopen moet.
Het wordt in zeker opzigt genoodzaakt goed te wezen".
Zoals u ziet zijn de laatste woorden tot slot van het boekje geworden.
Het citaat is de uitdrukking van het geloof van Groen van Prinsterer dat als een land en volk ook in zijn publieke optreden haar kracht zoekt in het Verbond met God, het dan wel eens een roeping onder de volkeren zou kunnen krijgen.
Dat is het wat Goudzwaard drijft en waarom hij dit boekje schreef. Over de inhoud van dit boekje is hiermee nog niet veel gezegd. De inhoud zou wellicht beter te omschrijven zijn met de woorden "Christendom en ideologie".
Vier ideologieën worden in dit boek beschreven:
1. de volksideologieën die hun kracht zoeken in het bereiken van het ene doel van het behouden en bewaren van de eigen nationale zelfstandigheid (soms met hulp van ras-, bloed- en bodemtheorieën);
2. de revolutie-ideologie die van het met geweld omverwerpen van de onderdrukkende structuren' haar einddoel maakt;
3. de welvaartsideologie die het zoekt in de vergroting van het materiële welzijn en
4. de veiligheids-ideologie die zozeer de beveiliging van bestaande verworvenheden tot zijn doel maakt, dat het daarbij ieder middel legitiem vindt.
In een helder geschreven hoofdstuk vooraf (2) wordt eerst uiteengezet wat een ideologie is en aan welke punten je haar herkent:
1. Het doel wordt verabsoluteert.
2. De middelen om het doel te bereiken worden aan dit doel ondergeschikt gemaakt. Het doel heiligt de middelen.
3. De normen (bijv. naastenliefde) worden omgebogen naar dat doel.
4. Er worden offers geëist!
5. Naar het te bereiken doel en de medewerking daaraan wordt een vijandsbeeld ontworpen.
Volgens Goudzwaard is onze samenleving in de greep van de bovengenoemde vier ideologieën. Hij schrijft dat niet op een superieure toon, alsof het hem niet zou aankleven, maar wel op een indringende wijze, zodat geen lezer ontkomt aan de vraag: ben ik ook zelf niet op één van deze vier punten van mijn welvaart en mijn eigen volksbestaan, mijn drijfveer om een rechtvaardige wereld te realiseren of mijn verlangen naar veiligheid ongemerkt ten prooi gevallen aan afgodendienst.
Eigenlijk is dit de teneur van heel zijn boek: wij zijn in diepe onoplosbare problemen gekomen omdat wij ergens in onze Westerse geschiedenis de door ons gestelde doelen hebben losgemaakt van het Verbond en de Thora. Dat wordt nu zichtbaar in de macht die de door ons gekozen doelen en de daarbij gebruikte middelen op ons uitoefenen. Zo gaat het met een afgod. "Eerst is er de mens, die een afgod maakt. Hij schept het beeld zoals hij dat wenst. Maar daarna wordt de mens in toenemende mate afhankelijk van zijn eigen schepping" (blz. 24). Dan worden de rollen omgekeerd en gaat de grote machine, die aan het werk gezet is om ons doel te bereiken, over ons heersen en onder ons zijn slachtoffers maken grote communistische bureaucratische machtsapparaat, en tegen de ongelofelijk ingewikkelde en technisch verfijnde "machine" van onze welvaartsstaat en tegen de "perfectionering en uitbouw van een vernietigingsarsenaal dat ons letterlijk en figuurlijk al lang boven het hoofd is gegroeid. Een God is opgestaan en angst en hypnose zijn zijn terreurmiddelen. En hij vraagt offers bij stromen. Ondragelijke, financiële offers, maar mogelijk ook mensenoffers, zoals een oudtestamentische Moloch" (blz. 75).
Ziet Goudzwaaard geen verschil tussen een communistische ideologie en een westerse welvaartsideologie? of veiligheidsideologie. Jazeker: de één (bijv. het communisme) is een volgroeide ideologie met alle monsterachtige trekken. De ander is een ideologie-in-wording en draagt al veel trekken ervan. Zo herken je bijv. in de onontkoombare dwang die de wapenwedloop met zich meedraagt het kenmerk van een ideologie.
Maar volgroeid is deze veiligheidsideologie niet.
Toch hebben alle ideologieën één ding gemeen en dat is de verafgoding van het gezette doel, dat los komt te staan van bijbelse normen en legitieme middelen. Het wordt een doel dat zich verzelfstandigt tegenover God.
Eigenlijk is heel het boek één grote geleerde preek over het eerste gebod, dat Luther tegelijk ook het grote gebod noemde: gij zult geen andere goden naast Mij hebben.
Nu mijn mening: ik zit met de grote vraag hoe het komt dat deze visie van Goudzwaard niet alle "bijbelgetrouwe"
christenen overtuigd heeft, tot nog toe?
Zou dat komen omdat er aan onderdelen van die visie best wel wat af te dingen is?
Zoals de gelijkschakeling van deze vier ideologieën. Met woorden wijst Goudzwaard deze gelijkschakeling af (zie blz. 57 en 79). Toch kan door de opzet van dit boek de gedachte versterkt worden dat de "consumptiemaatschappij" in het Westen en .de "communistische heilstaat" in het Oosten (etc.) toch uiteindelijk één en dezelfde soort ellende zijn, zodat het niet uitmaak of we onder de één of onder de ander zitten. Nogmaals: dit zegt Goudzwaard niet - tenslotte is in een consumptie-maatschappij de individuele vrijheid van de burger niet gedood, zoals in de politiestaat in het Oosten wèl. Alleen soms is hij wel eens zó overgekomen. Lees daarom dit boek, dan zult u dit bezwaar zien wegsmelten. Er zijn zeker nog wel meer vragen op onderdelen te stellen bijv. op zijn waardering voor Weinreb, ook al vond ik diens uitleg van Esther ook mooi.
Toch denk ik niet dat in deze genoemde punten de oorzaak ligt van een aarzeling t.o.v. Goudzwaard van zijn eigen geestelijke achterban.
Om eerlijk te zijn snap ik het niet helemaal. Zou het misschien toch kunnen komen doordat wij niet bereid zijn om in onze eigen boezem afgodendienst te herkennen? Dat wij menen dat het gevaar altijd aan gene zijde van de Pyreneeën ligt, zoals Pascal al zei?
In ieder geval: om met Goudzwaards eigen woorden te spreken: de vloer moet open. Wij hebben een mooie gepolijste vloer gelegd over de politieke verdeeldheid tussen de christenen.
Die vloer moet opengebroken - om dan te ontdekken dat er loodzware gewichten onder liggen: verslaving aan doelen die op zichzelf soms goed zijn, maar die worden losgemaakt van de Heer zelf.
Graag had ik dat nog breder en meer toegescherpt onder woorden gebracht gezien bijv. op de manier waarop H. Thielecke dat doet n.a.v. Johannes 5: 26: Voorwaar gij zoekt Mij, niet omdat gij tekenen gezien hebt, maar omdat gij van de broden gegeten hebt en verzadigd zijt.
H. Thielecke zegt: "God en niet de mens is de Heer van het Rijk van God. De Heer echter is méér dan zijn Rijk. Wie dit Rijk tot utopie maakt, stelt het boven de Heer". Dan zoeken wij wel de gave maar niet de Gever, wel de redding, maar niet de Redder. Waar dat gebeurt, ontsporen onze doelen en worden ze nagestreefd als zelfstandige ons gelukkig makende idealen. Zo worden idealen tot idolen (Der Evangelische Glaube s. 579 e.v.).
Als Goudzwaard erin slaagt om dit alles met wellicht nog grotere scherpte te zeggen, zal het hem m.i. wel de aanhang van "Hervormd Nederland" doen verliezen.
Maar aanhang of geen aanhang: deze dingen die in dit boekje ter sprake komen, moeten gezegd worden en laten wij hopen en bidden dat dit boekje en Goudzwaards presentatie ervan de ogen van de mensen inderdaad opent voor de erkenning: wij zijn verkeerde wegen ingeslagen - om met schuldbelijdenis terug te keren en wellicht te worden gebruikt als een gistend gist onder het volk - en als volk in zijn geheel onder de volkeren.
Er zit onder deze strenge analyse van onze samenleving een diep verwortelde hoop verborgen en een zekerheid dat ook in 1981 er nog grote dingen mogelijk zijn bij God.
Ik wens u goede kerstdagen bij de lezing van dit boekje van G. Goudzwaard, keurig uitgegeven bij Kok, Kampen en verkrijgbaar voor f 12,90.