De betekenis van de kunst in ons (dagelijks) leven
1981-01-09
Het thema van de hieronder volgende beschouwing is wat je noemt "uit nood geboren", want de meeste mensen, met name christenen, zijn geen kunstenaars en ervaren ofwel in 't geheel geen relatie tussen hun leven en de kunst ofwel zij ervaren deze als uiterst problematisch.- Jaargang 25
- nummer 1
Daarvoor zijn een groot aantal oorzaken aan te wijzen en heel summier wil ik daar toch wel iets over zeggen.
In de eerste plaats heeft de kunst -en ik spreek dan over de beeldende kunst, de niet-toegepaste 'vrije' kunst - zich in de tijd van de Renaissance ontworsteld aan de kerkelijke voogdij en hebben ook de Reformatoren uit de 16e eeuw zoals Calvijn en Zwingli de kunst uit de sacrale en liturgische ruimte gebannen en haar een ondergeschikte plaats als legitiem handwerk toegekend, waardoor de saecularisering van de kunst zeker werd versneld.
Voor veel christenen heeft dit tot de consequentie geleid dat alles wat met het "beeld" te maken heeft - en daar valt behalve de kunst tegenwoordig ook de fotografie, de film, de televisie en andere massacommunicatiemiddelen onder - werelds, zondig, niet tot eer van God en daarom verdacht werd geoordeeld.
Voor vele christenen is de kunst ook vandaag nog een volkomen gesloten boek waar men niets van af weet, waar men zich niet in durft te begeven, en waarvan men wellicht hooguit een aantal gefrustreerde verlangens heeft overgehouden.
Een andere oorzaak is gelegen in het feit dat de kunst zich met name in de tijd van de Verlichting als pseudo-religie begon te openbaren, juist omdat het officiële christendom steeds meer was uitgehold en door de bijbelkritiek steeds meer aan liberalisering was blootgesteld.
Met name in de Romantiek is de idee van de kunstenaar als goddelijk geïnspireerd genie ontstaan, waarbij de massa van het gewone sterfelijke volk zich aan de ziel van de kunstenaar kon voeden en zijn kunst-openbaringen kon aanbidden.
Ondanks de pluriformiteit van onze huidige samenleving en zelfs ondanks veel kritiek uit allerlei lagen der bevolking is dit "concept" van kunst en kunstenaar ook vandaag nog zeer gangbaar en wordt het zelfs op sommige kunstacademies gepropageerd, ook al is men zich zelf daar vaak nauwelijks van bewust.
Niet in de laatste plaats moet de kunst ook steeds meer wegwijken uit ons huidige onderwijssysteem.
Met onze nadruk op intelligentie en rationeel denken hoeft het geen betoog dat artistieke vakken als tegenpool worden ervaren, dat zij als niet erg relevante vakken worden getolereerd, zelfs tot in het eindexamenpakket. In de kunst kan niets gemeten worden, is de smaak van een ieder volkomen legitiem, en kunnen dus ook geen rapportcijfers voor dergelijke "irrationele" processen worden toegekend. Steeds meer begint het duidelijk te worden dat het kunstonderwijs - en dat begint reeds op de middelbare scholen! - een zaak voor begaafd geboren specialisten is. Met andere woorden: niet alleen ons protestants christelijke volksdeel is onvoldoende op de hoogte van wat kunst is, hoe zij functioneert en wat haar specifieke taak is, maar eigenlijk het gehele Nederlandse volk loopt hier achter. Hier wreekt zich het feit dat Nederlanders van huis uit een handelsvolk zijn, geïnteresseerd in koopwaar maar niet in algemene beschaving, in civilisatie. Andere volken zoals de Italianen en de Fransen, later ook de Duitsers en Engelsen, beschikten over een gedistingeerde aristocratie en de zgn. hofkunst werd er gestimuleerd. en kon er bloeien. Het maecenaat voor kunst was geen uitzondering. Niets van dit alles in Nederland.
Ondanks de energieke pogingen van het zgn. "Openbaar kunstbezit", de talloze uitzendingen over kunst en kunstenaars op radio en televisie, ondanks de grotere toegankelijkheid van onze musea en een weelderig vegeterend galeriewezen blijft de kunst toch een specialisme en een interessegebied voor weinigen.
De meesten van ons weten de kunst geen zinvolle plaats in hun leven te geven. (Dát is dan ook het uitgangspunt geworden voor dit verhaal.) Een laatste oorzaak voor de in het isolement, en in de marginale bestaansruimte van onze maatschappij geraakte kunst wil ik noemen, teruggaande op een discussie die reeds aan het einde der 19e eeuw begon.
Ik doel hier op de wereld van "het aesthetische" dat geen verplichtende macht over ons leven kan 'uitoefenen en derhalve tot vrijblijvendheid kan leiden. Met name de kunst is zo'n vrijblijvend terrein van het leven, oordeelden velen en moet dan ook geweerd worden. De afwijzing gold eigenlijk de van Plato daterende en overgeleverde samenhang tussen het schone, het goede en het ware - waardoor het mogelijk was ook de kunst als een ethische zaak te verdedigen, ja in sommige gevallen als profetisch getuigenis van de waarheid.
Het is waarschijnlijk duidelijk geworden dat de mysterieuze vaagheid die het begrip "kunst" omringt historisch, cultureel en sociaalmaatschappelijk verklaarbaar is. Ik zou deze vaagheid alleen bestendigen wanneer ik vervolgens een apologie voor de kunst zou gaan houden, want het zou een "oratio prodomo" zijn - alleen de welwillenden of zij die tóch al pro waren zouden applaudiseren. Wat ik daarentegen wél zou willen doen is een poging wagen om dit isolement van de kunst te doorbreken.
Daarom zal ik eerst iets over het (dagelijks) leven zeggen, vervolgens iets over de kunst - vanuit bijbels perspectief wel te verstaan - om tenslotte het verband tussen beide te verduidelijken.
Het leven
Ons (dagelijks) leven bestaat voor de meesten van ons uit een ontelbaar aantal routinehandelingen waarbij wij niet eens meer stilstaan.
De mens is een gewoontedier en ons dagelijks leven is daar een afspiegeling van. Toch zijn er heel veel stemmen die beweren dat ieder mens zich moet ontworstelen uit zijn strakke keurslijf waarin de kapitalistische maatschappijstructuur hem of haar gevangen houdt, met het oog op de vrijheid waarop ieder mens recht heeft. In onze tijd maken wij het mee dat op tijd opstaan, het stipt je houden aan de werktijden, het verantwoordelijk zijn voor je taken, het uitoefenen van je functies problematisch worden.
Het wordt ons aangepraat dat wij gefrustreerd zijn - en niet weinigen gaan zich dan ook gefrustreerd voelen.
Het ziekteverzuim neemt toe. Afspraken worden niet meer nagekomen, trouw begint te ontbreken.
Iedereen begint meer en meer zichzelf en zijn eigen normen tot maatstaf van zijn handelen aan te nemen.
Onvrede en onvrijheid zijn het gevolg.
Met name ook vanwege de steeds groter wordende vrije tijd, de lange weekeinden waarin iedereen van zijn saaie beslommeringen kan bijkomen. De vrije tijd wordt het privaatdomein van de mensen waarin zij vluchten omdat zij geloven daarin en dán pas te kunnen leven en zichzelf kunnen zijn. Evengoed zou ik natuurlijk het huwelijk kunnen noemen dat óók voor velen onaanvaardbaar voor de realisering van het eigen-ik wordt bevonden en wordt ontbonden. Ik wil er slechts mee illustreren dat er veel symptomen zijn aan te wijzen waarin de mens met de onmacht wordt geconfronteerd zijn eigen leven als zinvol te ervaren. Maatschappelijk, sociaal, economisch (vanwege de groeiende werkeloosheid), psychisch, en ook religieus dreigt de mens alle banden te verliezen die nodig zijn om integraal en zinvol binnen een menselijke samenleving te functioneren. Het menselijk leven, het dagelijkse leven is velen een kwaal geworden waaruit men niet kan ontsnappen, of waarvan men niet kan genezen.
In zijn aangrijpende boek 'De vergaderzaal' waaraan hij 20 jaar lang heeft gewerkt, beschrijft A. Alberts hoe het leven een soort doorlopende vergadering is geworden waarin iedereen zich aan de spelregels moet houden en alleen formele futiliteiten een rol spelen, terwijl diep-menselijke emoties onder tafel worden gewerkt, worden verdrongen en de mens als mens sterft.
In de Bijbel wordt ons het leven geheel anders afgeschilderd.
Uit de synoptische Evangelieën blijkt duidelijk dat ons menselijk leven op aarde niet los gezien kan worden van het eeuwige leven; en dat het ons uiteindelijk en ten diepste om dit eeuwige leven te doen moet zijn.
Wij kunnen ons aardse leven zien als een voorstadium, een voorfase, een soort voorbereiding op dit eeuwige leven en is dus geen doel in- zichzelf maar altijd heenwijzing.
Niemand komt op aarde helemaal klaar met zijn leven, ook al kunnen stervenden vrede hebben met hun heen-gaan, niemand bereikt zijn of haar bestemming volkomen - en daar kán een stuk frustratie in meekomen, vooral als het perspectief op het eeuwige leven gaat ontbreken!
Het leven is dan ook wel eens geformuleerd als een 'pelgrimage'.
Het heeft te maken met ons vreemdelingschap op aarde, de onthechting, het niet volledig opgaan in het 'hier en nu' (vgl. Hebreeën 12 : 1-15).
Johannes heeft het heel kras uitgedrukt in Jezus' woorden: Wie zijn leven liefheeft, maakt dat het verloren gaat, maar wie zijn leven haat in deze wereld, zal het bewaren ten eeuwigen leven (Joh. 12: 25, vgl. Gal. 6 : 8).
Wij kunnen het verband tussen ons leven op aarde en het eeuwige leven beschreven zien in Marcus 10: 17-31, Lucas 18: 18-30 en Mattheus 19: 16-30. Het eeuwige leven wordt als een erfdeel gezien, als een loon dat men mag ontvangen en waarnaar men mag streven als de dure prijs die onze Here Jezus Christus voor ons behaald en gewerkt heeft (Joh. 3: 14-16) en die ons bij het oordeel, bij het einde der tijden al dan niet wordt toegekend.
Zo is ons leven op aarde een wandelen voor Gods aangezicht en wie de waarheid doet (dát is leven) gaat tot het licht, nadert de volheid, de intieme daadwerkelijke gemeenschap met God, en met alle heiligen (vgl. 1 Joh. 3 : 18,2 Joh. 4, Jak. 2: 14-26).
Het is bepaald geen vanzelfsprekende zaak dát men het eeuwige leven zal beërven. Ons leven en vooral ons geloof dat onze levenswandel motiveert, is er de toetssteen van (vgl. Joh. 3 : 36, 1 Joh. 3: 15).
Jezus zegt: Voorwaar, voorwaar (dat mag men verstaan als: pas op, luister goed), Ik zeg u: wie mijn woord hoort en Hem gelooft die Mij heeft gezonden, heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel, want hij is overgegaan uit dood in het leven.
Radicaler en dwingender kán het niet. Het is haast luguber om te vernemen dat Jezus ons leven op aarde vergelijkt met de dood en dat Hij ook van de begraven doden zegt dat ze zullen luisteren naar de stem van de Zoon van God en zo zullen opstaan tot het (eeuwige) leven (Joh. 5 : 24-29).
Het leven naar Gods geboden (vgl. Joh. 12 : 49, 50), het vieren van het Heilig Avondmaal (vgl. Joh. 6 : 52-59, Joh. 4: 13, 14) kortom ons leven uit het geloof in God is het onderpand van het eeuwige leven en het is dit uitzicht op de realiteit van het eeuwige leven - het zien van en verkeren met God - dat ons dagelijkse leven stuurt en richting geeft ergens naar toe.
Daarom komt het erop aan dat wij niet alleen zo goed mogelijk, proberen te leven, maar vooral dat wij ernaar streven volkomen IN HEM te leven. Dat ons leven een instrument in Gods handen is en dat Hij er iets mee doet.
Als wij Christus liefhebben, mogen wij er in dit leven op aarde al naar streven de volheid in Hem, de intensiteit van het mensenleven vanuit de ervaring van de zinvolle gerichtheid op het eeuwige leven, te be-leven. Want het streven van de mens naar geluk - een typisch MENselijk verschijnsel overigens HOEFT niet te ontaarden in een volstrekt ego-centrisme, een opgaan in je zelf, maar kán juist ook te maken hebben met het beeld-van-God dragen en met het vóórleven van een door God bedoeld leven, voor onze medemens.
Als wij God dienen met ons hart, ons verstand, onze ziel en kracht, dan komen er meestal veel emoties los. Als een mens volledig 'open' gaat voor God, als hij God en daardoor zichzelf leert kennen, zijn kracht en zwakheden leert inzien, zijn sociale verdedigingsmechanismen, zijn angsten en onzekerheden mag inleveren, dan ervaart hij iets van het weer HEEL worden van zichzelf, van het menselijk wezen zoals God dat bedoeld had, en dat door Christus' offer weer is vrijgemaakt.
Maar het is nu juist dit uitzicht op het eeuwige leven, en het ervaren van de glimpjes daarvan in dit, ons aardse leven, dat Paulus in zijn brief aan de Romeinen spreekt over de schepping die aan vruchteloosheid is onderworpen, en zucht in barensnood totdat het rijk der vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods voorgoed zal aanbreken (Rom, 8 : 18-23). Daar héb je diezelfde frustratie weer, maar nu in een volledig ander perspectief gezet.
Een perspectief dat categorisch ontbreekt bij mensen die in het 'hier en nu' willen opgaan en daarin des te meer gefrustreerd raken.
De breuk" die wij in ons leven ervaren tussen het "in Christus zijn" en het nog niet "alles in allen zijn" van God is anderzijds ook weer niet zó merkwaardig als wij er enkele gegevens uit Genesis over het menselijk leven naast zetten. Zo lezen wij in Genesis 1 : 26-30 dat God de mens schiep als man en vrouw, als het sluitstuk van de schepping, als de Kroon der schepping die erover werd aangesteld om te heersen, te onderwerpen, te bewaren en te ontplooien. Het menselijk leven, hun plaats als man en vrouw twee-eenheid in de schepping, was goed in Gods ogen.
In Genesis 2 : 7 lezen wij hoe God de mens formeerde tot stof uit de aardbodem en hem de levensadem inblies zodat het schepsel mens een levend wezen werd. In Genesis 3 lezen wij de paradijsepisode. In het paradijs staat de boom des levens en de boom des doods (de boom der kennis van goed en kwaad) waarvan de mens op straffe des doods niet mocht eten.
Als wij deze feiten met elkaar in verband brengen zien we dat het menselijk leven een van God gegeven geschenk is, als volstrekte tegenstelling tot de dood. De dood is dan verwijdering van God, afwezigheid van God.
Leven uit Gods hand is in feite eeuwig leven omdat het de dood vrijwillig niet aan zich toelaat. Het leven is ook levensbeginsel, vruchtbaar: het krijgen van kinderen, nageslacht.
Vóór de zondeval is het menselijk leven dus paradijselijk leven, leven voor Gods aangezicht en in Zijn directe nabijheid. Vóór de zondeval is het menselijk leven: eeuwig leven.
Door het eten van de boom der kennis van goed en kwaad verspeelt de mens nu het voorrecht van het leven in Gods nabijheid, en maakt God het de mens onmogelijk nog van de boom des levens te eten, eeuwig te kunnen blijven leven. Na het verlies van zijn onschuld wordt de mens de toegang tot het eeuwige leven ontnomen doordat God het paradijs voor de mens toesluit.
Voortaan is het uit met de gelijkwaardige verhouding tussen man en vrouw, voortaan is ook de schepping vanwege de zondeval vervloekt en aan vruchteloosheid onderworpen.
De mens wordt weer meer met zijn neus op de harde werkelijkheid gedrukt, namelijk het stof waaruit hij is genomen en tot waar hij zal wederkeren.
Het is een onzinnige vraag of er wel vergankelijkheid bestond in het paradijs. Natuurlijk had het mensenleven een begin en einde, maar het cardinale punt is juist dat, er géén verschil bestond tussen leven en EEUWIG leven!
Er was in het paradijs geen verwijdering tussen God en mens, maar innig contact. Wij hebben - als nakomelingen van Adam en Evanog wel weet van deze oorspronkelijke staat van het menselijk leven, maar wij hebben er geen zicht meer op, TENZIJ wij door de geest van God wedergeboren worden, TENZIJ het Christus is die in ons leeft.
Daarom kunnen wij ook uit het scheppingsverhaal leren dat het de mens niet gegeven is de kloof te dichten die door zijn eigen toedoen tussen God en mensen is ontstaan, maar dat God alleen zelf dit kan, en dat Hij dit door zijn Zoon Jezus Christus ook gedaan hééft, op Golgotha.
Zo mogen wij uit de Bijbel de oorsprong, de feitelijke staat en afloop van ons menselijk leven vernemen, en heeft ons leven een heilshistorisch perspectief gekregen.
Wanneer wij als 'nieuwe schepping' in Christus voor Gods aangezicht mogen leven en onze persoonlijkheid, onze eigenheid pas goed tot zijn recht kan komen, dan betekent dit ook dat al onze menselijke eigenschappen en al onze talenten ontplooid dienen te worden.
Het is niet zó dat een geestelijk mens voortaan alleen "geestelijk" voor Gods aangezicht mag leven, met uitschakeling van al zijn andere vermogens. Integendeel, juist die andere vermogens krijgen door de geestelijke band met God hun eigen en geïntegreerde plaats binnen het kader van de individuele levensontplooiing.
Als wij érgens aan andere mensen zullen kunnen duidelijk maken wat het betekent om in Christus vrij, en waarachtig mens te zijn, dan hieraan, dat al onze menselijke vermogens, onze zintuigen en gevoeligheden BETER en VOLLEDIGER kunnen functioneren - namelijk tot eer van God en ten dienste van de medemens - dan bij de niet-gelovige mensen die immers zichzelf koste wat het kost moeten handhaven.
WIJ daarentegen GEHEEL ANDERS! (Ef. 4: 20) .
Als wij de Here God dienen met geheel ons verstand, betekent dit óók dat wij de roeping hebben om eersteklas wetenschappelijke arbeid te verrichten, onpartijdiger en nauwkeuriger dan wie ook maar, tot eer van God.
Als wij God dienen met geheel ons hart, dan is onze eredienst er één van binnen, integer en uit één stuk en zonder schaamte of aanzien des persoons. Wij leven dan niet uitsluitend voor hulp aan de derde wereld, maar zien ook in onze naaste omgeving om naar onze nabije naaste. Wij noemen niet alleen de naam des Heren, maar leven er ook naar. In ons is géén bedrog.
Als wij de Here dienen met geheel onze ziel betekent dit óók dat wij onze waarneming, onze perceptie, onze gevoeligheid, ons inlevingsvermogen en onze creatieve expressievermogens tot eer van God mogen ontplooien - op straffe van een orthodox maar steriel en levenloos christen-zijn zoals het tot op vandaag de dag maar ál te vaak voorkomt.
Voor vele christenen heeft het leven immers zijn smaak en kleur verloren ...
Een ieder zal naar ik hoop zelf wel kunnen invullen wat het betekent de Here met geheel zijn kracht te dienen, met zijn gehele fysieke inzet (zie Deut. 6 : 5 - Matth. 22 : 37 - Marc. 12: 30 en Lucas 10: 27).
Vanuit het bijbelse zicht op het menselijke leven behoren dan ook artistieke talenten ontplooid én gewaardeerd te worden, niet alleen door begaafde specialisten, maar ook door diegenen die géén kunstenaars-opleiding volgen, natuurlijk voorzover hun eigen capaciteiten strekken. Waar artistiek talent onontgonnen gebied blijft, heeft de satan en heeft in hem de wereld des te méér kans om zo'n gebied geheel aan de invloedssfeer van het Evangelie te ontfutselen en het anti-messiaans te misbruiken. Daarom is het gevoelsleven, het inleveringsvermogen en uitbeeldingsvermogen van de mens niet zomaar een vrijblijvend spelletje, zonder verdere consequenties, maar ook hier geldt het heilige ernst, want de inzet is een strijd op leven en dood, letterlijk en figuurlijk.
Waar het mij om gaat is de totale mens, de mens als totaliteit die ondeelbaar is, maar vele onderscheidingen kent. Mattheus 26 : 41 en 1 Thess. 5 : 23 laten zien dat het de kracht van de mens uitmaakt als hij op al deze onderscheiden wijzen kan functioneren. Maar daaraan vooráf is dan de keuze beslissend of de mens voor Gods aangezicht WIL leven.
(wordt vervolgd)