Tussen twee vuren
1981-01-16
Aanknopend bij het slot van het vorige artikel kan ik het niet laten nog even door te gaan op het daar genoemde voorbeeld, om de lezer te laten horen wat ds Boersma daartegenin brengt. Ik had dus geschreven dat er in de bijbel twee overleveringen te vinden zijn aangaande de plaats waar moeder Rachel begraven ligt. Gen. 35 : 20 zegt: 'aan de weg naar Efrath, dat is Bethlehem’, terwijl 1 Sam. 10: 2 een plaats aanwijst in het gebied van Benjamin (Zelzah). Ds Boersma, die zijn artikelen-serie de titel heeft meegegeven: "Hoe gaan we om met de Bijbel?", gaat met dit bijbelgegeven als volgt om: "Ik mag ook bij deze teksten wel verwijzen naar de Korte Verklaring. Dr G. Ch. Aalders maakt zowel op Genesis als op Jeremia opmerkingen die de moeite van het overwegen waad zijn. Hij wijst er op, dat in 1 Sam. 10 : 2 wel als plaats van Rachels graf wordt aangewezen: "aan de landpale van Benjamin", maar dat dit wel opgevat kan worden als een globale aanduiding in de zin van: in de nabijheid van de grens van Benjamins stamgebied. Terwijl Genesis niet zegt dat Rachels dood en begrafenis plaats had in Efrath, maar aan de weg naar Efrath. Wij weten niet hoe groot de afstand was die deze plek van Efrath scheidde.- Jaargang 25
- nummer 2
Daarom hoeft er geen tegenstrijdigheid te bestaan tussen de mededeling in Genesis en die in Samuël."
Dit is nu een duidelijk voorbeeld van wat ik in de vorige artikelenreeks het sjoemelen met gegevens heb genoemd. Er is namelijk geen sprake van dat we de woorden "in het gebied van Benjamin", zoals we die in 1 Sam. 10: 2 vinden, kunnen ombuigen tot' aan de landpale van Benjamin', of 'in de nabijheid van de grens van Benjamins stamgebied'.
Vervolgens is het niet waar dat wij de afstand tussen dat Zelzah en 'Efrath, dat is Bethlehem' niet weten, want ten naaste bij weten we die wel degelijk. Zelzah lag namelijk ergens tussen Rama en Gibeah, bekende plaatsen zoals Efrath-Bethlehem. Wij weten dus met zekerheid dat iemand die van Zelzah naar 'Efrath, dat is Bethlehem' reisde, een afstand van ± 15 km moest afleggen en dat hij daarvoor over of langs de grote stad Jeruzalem moest. En zoals het nu grote onzin is om wanneer je in Monnikendam bent te zoeken naar een richtingwijzer waar Abcoude op aangegeven staat, zo met Amsterdam er tussen, zo is het een even grote onzin om in Zelzah te spreken over de weg naar Efrath, dat is Bethlehem'. Een blik in een bijbelse atlas had dr Aalders van dit gesjoemel af kunnen houden, maar je ziet hier duidelijk hoe een theorie van onfeilbaarheid de feiten naar haar hand zet. In naam van de gehoorzaamheid aan de Schrift wordt hier over de bijbel geheerst.
En natuurlijk, daar loopt bij dit voorbeeld geen bloed uit. maar ik begin zo langzamerhand door te krijgen dat dit soort Schriftbehandeling een onheilspellend voorteken is van hoe iemands verdere theologie er uit ziet, namelijk letterknechterig en onverdraagzaam. Het "dogma"
van de onfeilbaarheid van de Heilige Schrift leidt tot letterknechterij, tot onvermogen om te onderscheiden tussen hoofd- en bijzaken.
Laat mij ook eens waarschuwen! Ik word altijd maar gewaarschuwd, om niet te zeggen dat men anderen tegen mij waarschuwt. Laat ik dan eens duidelijk zeggen dat ik even bang ben voor mijn waarschuwers: waar blijven zij! En ik denk dat ik voor mijn vrees meer recht heb dan zij voor de hunne. Of slaat het soms ergens op dat men (zoals ds Boersma doet) broeders als dr Oosterhoff, dr Versteeg en ook mij op één hoop veegt met de Schriftkritici van de vorige en van deze eeuw?
Men kan toch beter weten? Alleen onverdraagzame letterknechterij kan broeders die gewetensvol aan een probleem werken (stil maar, ze doen ook nog andere dingenl) zo hard van zich afduwen.
Met het zogenaamde dogma van de onfeilbaarheid van de Heilige Schrift voor ogen is het goed ook eens te letten op hoe de Schrift met zichzelf omgaat. Dan zullen we meer vinden dan de bij ds Boersma telkens half aangehaalde tekst van 2 Tim. 3 : 16: "Al de Schrift is van God ingegeven ... " (Alsof deze plaats ook niet anders vertaald kan worden, zoals de N. Vert. doet. En zeker spreekt Paulus zich hier niet uit voor een rigoreuze onfeilbaarheidstheorie, De tekst heeft dezelfde strekking als het woord in Rom. 15 : 4: "Al wat namelijk te voren geschreven is, werd tot ons onderricht geschreven, opdat wij in de En ach, als de ogen daarvoor eenmaal open zijn, kom je dat veel vaker tegen, ook wel op een meer ingrijpende wijze. Neem nu de aanhaling in het begin van het evangelie van dat woord uit Jesaja 40, dat het optreden van Johannes de Doper moet typeren: "De stem van een die roept in de woestijn: Bereidt de weg des Heren, maakt recht Zijn paden" (Matth. 3 : 3, Marc. 1: 3, Luc. 3 : 4 en Joh. 1 : 23). Kijken we nu in Jesaja 40 : 3, dan lezen we: "Hoor, iemand roept: bereidt in de woestijn de weg des Heren, effent in de wildernis een baan voor onze God". We behoeven ons niet te verkijken op het verschil tussen: 'een stem van een die roept' of 'hoor, iemand roept', want dat verschil is nihil. Belangrijker is dat de woorden 'in de woestijn' van plaats veranderd zijn. Bij Jesaja behoort het tot het 'weg bereiden', in de evangelies bij 'de stem van een die roept'.
Er is reden om te doen wat de evangelies doen, maar dan moet je in de daarop volgende parallelle· zin de woorden 'in de wildernis' effent in de wildernis een baan voor onze God") vergeten of onderdrukken of hoe moet ik dat zeggen.
Dat is dan ook exact wat in de evangelies gebeurt. Jesaja's woord wordt dus in de evangelies aangehaald, maar er wordt aan geschaafd.
Het citaat wordt pasklaar gemaakt voor de nieuwe situatie van Johannes de Doper, die wel optrad in de woestijn (vandaar: de stem van een die roept in de woestijn) maar wiens werk het toch niet was om in de woestijn een weg voor de Heer te banen. Dat laatste deed hij in de harten van zijn hoorders. Ook dit is weer niet zo'n belangrijk geval, maar ik zeg toch dat een dergelijke wijze van omgang van de bijbel met zichzelf zich niet verdraagt met een onfeilbaarheids-theorie. Het kleine belang van historische nauwkeurigheid kan blijkbaar opgeofferd worden aan het hogere belang van het geestelijk gebruik dat de Schrift van zichzelf maakt. Ook dit voorbeeld is met een veelheid van andere te vermeerderen. Maar we blijven dan op hetzelfde niveau.
Liever geef ik nog een voorbeeld dat verder gaat en waar iedere letterknecht zijn nek over moet breken.
Ik bedoel de wijze waarop Jakobus, de geestelijke leider van de gemeente in Jeruzalem, bij het gesprek over de toelating van de nietjoden tot de christelijke kerk gebruik maakt van de profetie uit Amos 9. Ik schrijf deze tekst en de aanhaling ervan in Handelingen achter elkaar over. "Te dien dage zal Ik de vervallen hut van David weder oprichten, Ik zal haar scheuren dichten en wat daarvan is ingestort overeind zetten; Ik zal haar herbouwen als in de dagen van ouds, opdat zij beërven de rest van Edom en van al de volken over wie mijn naam is uitgeroepen, luidt het woord van de HERE die dit doet" (Am. 9: 11, 12). "Daarna zal Ik wederkeren en de vervallen hut van David weder opbouwen, en wat daarvan is ingestort zal Ik weder opbouwen, en Ik zal haar weder oprichten, opdat het overige deel der mensen de Here zoeken, en alle volken over welke mijn naam is uitgeroepen, spreekt de Here die deze dingen doet, welke van eeuwigheid bekend zijn". (Hand. 15: 16-18).
We zullen het nu niet hebben over de in formeel opzicht vrije wijze waarop met dit profeten-woord wordt omgegaan, omdat we alleen willen letten op de belangrijkste inhoudelijke afwijking tussen Amos 9 en Handelingen 15: "Opdat zij beërven de rest van Edom en van al de volken over welke mijn naam is uitgeroepen" enerzijds en: "opdat de rest der mensen en alle volken waarover mijn naam is uitgeroepen de Here zoeken" anderzijds.
Ieder voelt dat Jacobus (overigens in gedeeltelijke navolging van de griekse vertaling der Zeventig) hier een belangrijke ingreep in de tekst pleegt. Hij heeft zich daartoe gerechtigd gevoeld, hoofdzakelijk omdat er in de oorspronkelijke tekst een woord stond, 'dm, dat gelezen kon worden als 'edom en 'adam (= mens). Nu is er geen twijfel over dat de profeet Amos Edom bedoeld heeft. Maar wat moest Jakobus met Edom dat als volk en land allang niet meer bestond? Dus koos hij voor 'adam (= mens, mensen) en paste daar de rest van het citaat knap bij aan. Dat had Jakobus nooit kunnen doen als hij aanhanger geweest was van een rigoreuze onfeilbaarheidsleer.
Ik vind trouwens dat bij dit Schriftgebruik, dat de bijbel hier van zichzelf maakt, vooral diegenen goed moeten luisteren, wier lust het is om theologisch te grasduinen op het wijde veld van de onvervulde profetieën en die de gemeente in verbazing brengen met allerlei bespiegelingen over letterlijke vervullingen van bijbelse voorzeggingen die nog op het program van de wereldgeschiedenis zouden staan. "Het stáát er toch?", zeggen ze. Ja, Edom staat er ook, in Amos 9, maar Jakobus geeft aan Edom een nieuwtestamentische uitbreiding tot Adam, mensheid. De Geest die door Amos sprak, ondervond de remmingen van diens beperkte horizon.
Nadat echter de Geest is uitgestort heeft Hij daar bij Jakobus zo geen last meer van. Maar nog eens, ieder bij wie de letter heerst over de geest moet hier een flauwte van krijgen, zo vrij als de Schrift hier met zichzelf omgaat.
Iemand zal zeggen: "Wat de Schrift met zichzelf doet, geeft ons nog geen vrijbrief". Ik zou voor dit argument opzij gaan, ware het niet dat ik mensen (Jakobus, de evangelisten) hier menselijk aan het werk zie. Zeker, door de Heilige Geest gedreven mensen, maar toch zo herkenbaar dat ik ze in dit opzicht meer naast dan boven mij voel.
Het leek me goed deze dingen aan de hand van een paar voorbeelden wat nader uit te werken. Want ik heb sterk het vermoeden dat de gemeente hiervan eigenlijk niets afweet.
Voor haar is de bijbel nog te vaak het uit de hemel gevallen boek, met de aanklevende onfeilbaarheid daarvan. En haar voorgangers stijven haar daarin teveel. Nu ligt de oorsprong van de bijbel ook in de hemel, als je denkt aan de heilsgedachten van God, aan zijn beloften en zijn geboden en aan de daden die Hij voor ons heeft verricht en nog in het vooruitzicht stelt, en vooral aan zijn Zoon die Hij in de wereld gezonden heeft. Zo is ie Schrift het fundament waarop wij ons levenshuis bouwen. Maar teveel wordt onder ons vergeten dat voor de Schrift behalve het woord 'fundament' ook het woord 'weg' typerend is. De Schrift als weg. Dat wil zeggen dat zij zelf er ons van verhaalt, hoe het heil van God door menselijke geschiedenis, door menselijk begrip, door menselijke vormgeving is heengegaan. De kleine onvolkomenheden die we hier en daar aantreffen, zijn daar de signalen van die we niet moeten weg werken.
We zouden die menselijkheid anders zeker vergeten, onder de indruk als we zijn van het goddelijk heil.
En als dan iemand bevreesd zegt: maar zo sla je de weg van de reductie in (een schimmig goddelijk heil na aftrek van al het menselijke), dan antwoord ik: dat kan, dat zal ook, maar dat hoeft niet. De lengte van de bijbel is daartegen het medicijn; het telkens en telkens weer aflopen van die weg om daardoor trefzeker te worden in het aanwijzen van wat de Here ons in zijn Woord voor hier en nu zegt. Het is toch immers zo boeiend en leerzaam om het heil bezig te zien onderweg!
Dan leer je het zo nodige beproeven, het onderscheiden waarop het aankomt (Philip. 1 : 10).
De leer van de onfeilbaarheid bevestigt het fundament-karakter van de Heilige Schrift (vandaar dat deze leer thuis hoort in het fundamentalisme) maar ze blokkeert het inzicht in het weg-karakter van de bijbel.
Beide is de bijbel: fundament èn weg, om zo te zeggen: "de rots welke met ons meegaat" (vgl. 1 Cor. 10 : 4). In de wisseling van de weg komt het blijvende van het fundament naar voren. (Vergelijk mijn vroegere beeld van het evenwicht van de rijdende fiets). Dat gebeurt op een moeilijk te scheiden, in-elkaar-grijpende manier. En toch soms zeer kennelijk. Wanneer Jozua op 't punt staat om onder toezegging van Gods hulp Kanaän gewelddadig te veroveren, is daar opeens de flitsende verschijning van de Engel des HEREN die Jozua duidelijk maakt dat zijn campagne wel samenhangt, maar niet samenvalt met Gods bedoelingen. (Vraag van Jozua: behoort gij tot ons of tot onze tegenstanders? Antwoord: neen, maar ik ben de. vorst van het heir des Heren, Jozua 5: 13-15).
Hier kun je het goddelijke en het menselijke noch scheiden noch vermengen.
Historisch lezen van de Schrift leert je relativeren zonder relativist te worden. Maar de onfeilbaarheid van de Schrift geloven - men kan de bedoeling begrijpen en waarderen, maar het plaatst de bijbel buiten de werkelijkheid en het maakt ons tot onwerkelijke letterknechten.
Men wil zo teveel en krijgt daardoor te weinig weg.