Tussen twee vuren

1981-02-06
  • Jaargang 25
  • nummer 5
De vorige maal eindigde ik ermee, dat de moderne kritische bijbelwetenschap niet meer let op wat de bijbel zegt (het verhaalde), alleen nog maar op hoe hij dat doet (het verhaal). Ik wil er nu mee beginnen dat ook ik voor het 'hoe' best grote interesse heb. Evenwel nooit ten koste van het 'wat'. Wanneer, om een voorbeeld te noemen, Jezus in zijn onderwijs overgaat op de gelijkenis-vorm, is dat een verandering op het gebied van het 'hoe'.
Maar Jezus is daarbij toch met al de zenuwen van Zijn Geest gespannen bezig met de werkelijkheid van het Koninkrijk, dat Hij predikt. Het 'hoe' staal bij Hem totaal in dienst van het 'wat'. Welnu, op die manier wil ook ik aandacht hebben voor de vraag hoede Schrift de dingen zegt. Daarbij ben ik mij ervan bewust en waarschuw ik mijzelf voortdurend dat een al te grote aandacht hiervoor de bijbeluitleg in luxe en vadsig tijdverdrijf kan doen ontaarden.
Het boodschap-karakter dat de bijbel tot nieuws maakt mogen wij nooit vergeten. De bijbel brengt ons met al zijn middelen bij de werkelijkheid, Het Woord is vlees geworden.
Alle exegetische studie die in de woorden van de boodschap blijft hangen, legt ten diepste niet meer uit, maar verhult het meest eigenlijke van wat de Schrift wil zeggen. Daarom moeten wij degenen me tegen bijvoorbeeld het opstandingsbericht in de evangeliën in verzet gaan vanwege de verschilletjes in de berichtgeving niet te serieus nemen. De overeenstemming tussen de evangelisten onderling is
immers veel en veel groter dan het verschil. De overeenstemming van al die berichten is dat ze ons zonder uitzondering brengen bij dat allerwonderlijkste gebeuren van juist die opstanding. Het is werkelijk geheel buiten verhouding en het trekt de boodschap wezenlijk scheef, wanneer, zoals tegenwoordig vaak gebeurt, aan die verschillenzo grote aandacht gegeven wordt, alsof we daaruit nu zouden kunnen opmaken hoe menselijk de gehele openbaring wel niet is. Terwijl ik geen goddelijker bericht ken dan juist dat van de opstanding.

De menselijkheid van de Schrift.
Daarmee komen we toe aan het derde hoofdstuk van het rapport waarin het gaat over de ontwikkelingen van de Schriftbeschouwingen in de geschiedenis van de gereformeerde kerken. Het rapport komt hier, na over Kuyper en Bavinck en hun leerlingen gesproken te hebben, uit bij de leer omtrent de Heilige Schrift, zoals die door Berkouwer in zijn bekende twee boeken daarover ontwikkeld is. Het rapport geeft de opvatting van Berkouwer als volgt weer: "Berkouwer ziet de 'theopneustie', respectievelijk de inspiratie van de Bijbel niet als een miraculeus samengaan en samenwerken van de goddelijke en de menselijke auteur maar betrekt deze op het feit, dat mensen in hun volle mogelijkheid en in al hun activiteiten van spreken en schrijven door God in dienst worden genomen. De theopneustie of inspiratie is het geheim van deze indienstneming".
[Niet dat het rapport bij Berkouwer's opvatting blijft staan, maar de doorstoot die van hem uit naar voren gemaakt wordt inzake de hermeneutische vraag, is althans in dit hoofdstuk te tastend dan dat men daaraan houvast zou kunnen krijgen. Alleen de afwijzing van het fundamentalisme is hier nog duidelijk.] Wat is nu het kenmerkende van Berkouwer's voorstelling? Je zou haar een radikalisering kunnen noemen van wat Kuyper en Bavinek in de vorige eeuw hebben aangedragen als de leer van de organische inspiratie. Wat moeten we daaronder verstaan? Wel, dat 'organisch' staat tegenover 'mechanisch'. Het laatste betekent 'op de wijze van de machine' en het eerste 'op de wijze van iets of iemand met een eigen leven, groei en ontwikkeling'. Organische inspiratie wil dan zeggen dat de Here God de mensen die Hij voor het overbrengen van Zijn openbaring in dienst heeft genomen, ook echt als mensen in dienst heeft genomen. Mechanische inspiratie daarentegen - zo iemand die ooit echt en consequent geleerd heeft - zou betekenen dat de openbaring-ontvangers niet boven een gehoor-apparaat en de bijbel-schrijvers niet boven een pen of een potlood uitgekomen zijn.
Het rapport stelt nu dat onze vaderen, maar vooral Kuyper, met deze leer van de organische inspiratie, toen puntje bij paaltje kwam, toch niet eoht ernst gemaakt hebben.
Kuyper heeft met zijn redevoering over 'De hedendaagsche Schriftcririek in hare bedenkelijke strekking voor de gemeente des levenden Gods' aan de V.U. - een rede die in zijn dagen en lang na hem grote invloed gehad heeft toch meer de mechanische dan de organische opvatting van de Heilige Schrift in de hand gewerkt. Hij deed dit vooral door de onfeilbaarheid van de Schrift te verdedigen.
Ik denk dat we het rapport in deze voorstelling van zaken die tevens een kritiek inhoudt, bij moeten vallen.
Toch is dat nog heel iets anders dan nu maar mee te gaan met de visie van Berkouwer, want (afgezien van dat drammerige om de bijbel met alle geweld onfeilbaar te willen hebben) Kuyper sprak m.i. toch genuanceerder dan Berkouwer en deed daarmee aan het geheimenis van de inspiratie meer recht.
Het rapport oiteert van Kuyper een uitspraak die zou moeten bewijzen hoezeer hij toch, ondanks bewering van het tegendeel, overneigde naar de mechanische opvatting. Het is een bloemrijk geval, dat citaat.
"Mag ik een ogenblik 's menschen sensorium (bewustzijn) het raderwerk en zijn geest de spil ervan noemen, dan lag hierin het mysterie, dat de Heilige Geest in de theopneustie, óf die aanwezige spil aandreef naar zijn welgevallen, óf wel die spil uitlichtte en zelf verving."
Ik heb voor deze aanhaling van Kuyper meer waardering dan het rapport. Er spreekt namelijk zeer duidelijk Kuyper's juiste besef uit dat je voor de typering van de inspiratie niet met één woord kunt volstaan, omdat er soorten van inspiratie zijn. Niet in elk deel van de Schrift treedt de inspiratie even onverhuld goddelijk aan het licht.

Ja, ik ben blij met deze fijne genuanceerdheid van Kuyper. Die sluit prachtig aan bij het onderscheid dat ik zelf eerder gemaakt heb bij mijn beantwoording van ds Tj. Boersma's artikelen, namelijk tussen de Schrift als fundament (het deel-gelijk van de Fundamentalisten) en de Schrift als weg. De Schrift als fundament toont ons meer de rechtstreekse goddelijkheid van de bijbel en de Schrift als weg bepaalt ons meer bij de menselijkheid waarvan de Here God zich bij het tot stand komen van de bijbel bediend heeft. En hoezeer ik ook waarschuwde tegen scheiding van deze twee aspekten, de onderscheiding dringt zich toch hier en daar krachtig op.
Laat ik een paar voorbeelden noemen.
De spreuken van Bileam worden een paar keer (Num. 24: 3, 4 en 15, 16) ingeleid met de volgende woorden: "De spreuk van Bileam, de zoon van Beor, en de spreuk van de man met het geopende oog; de spreuk van hem die de woorden Gods hoort, die het gezicht des Almachtigen schouwt, nederliggende met ontsloten ogen." Hier zitten we eigenlijk dicht bij de mechanische inspiratie. Je denkt haast aan een camera die met geopende lens op de grond ligt. Toch zou ik het woord 'mechanisch' hier niet graag gebruiken. Daarvoor dragen Bileam's spreuken te duidelijk het stempel van een bepaalde cultuur.
In een heel andere sfeer brengt ons de opmerking die Lukas maakt aan het begin van zijn evangelie: " ... ben ook ik tot het besluit gekomen, na alles van meet af nauwkeurig te hebben nagegaan, dit in geregelde orde ... te boek te stellen ... " (1 : 1-4).
Dit menselijke bij Lukas van beslissen, nagaan, ordenen en te boek stellen, dat is het organische van de inspiratie in optima forma. Tussen deze twee uitersten van Bileam en Lukas ligt, denk ik, erg veel. Belangrijk is dat wij dit alles niet over één kam scheren. En misschien mogen we ook zeggen: hoe sterker de Here God de menselijke werkzaamheid inschakelde, des te groter was de kans op menselijke beperktheden en kleine uitglijdingen aan de rand (die inderdaad tekenen zijn van de menselijkheid die er aan de bijbel óók zit). Toch bedoel ik hiermee niet een vergelijking tussen Bileam en Lukas in het nadeel van Lukas te laten uitvallen. Want Lukas heeft in zijn evangelie weer eigen woorden en daden van de mens geworden Zoon van God en vertelt het allerheiligst gebeuren van het lijden en de opstanding van onze Here.
Niettemin onderscheid ik soorten van inspiratie. De ene keer heeft de Here God de menselijkheid meer in dienst genomen dan de andere keer.
Of, zoals Kuyper het zei: de ene keer dreef Gods Geest de menselijke spil aan, de andere keer verving Hij haar.

Ik denk hier met name ook aan de tien geboden, waarvan in art. 3 van de Ned. Geloofsbelijdenis gezegd wordt: "En Hij zelf heeft met zijn vinger de twee tafelen der Wet geschreven", (zie Ex. 31: 18; Deutr. 5 : 22; 9 : 10). Door het feit dat de tien geboden door God zelf geschreven zijn, nemen ze een aparte plaats in te midden van de andere wetten, die Mozes evenzeer, zoals er herhaaldelijk staat, van God ontvangen heeft. Wat zou het verschil kunnen zijn? Misschien dit, dat de tien geboden om zo te zeggen niet door Mozes heengegaan zijn en geen organische vertolking vormen van de wil van God voor die tijd.
Zij hebben daardoor een universeler strekking en zijn van een altijd blijvende geldigheid. Niettemin is later de overlevering met die tien geboden bezig geweest, getuige de onderlinge afwijkingen in Exodus 20 en Deuteronomium 5, waardoor toch ook hier weer de mogelijkheid van meer 'organische' toevoegsels moet worden overwogen.
Genoemde voorbeelden tonen m.i. aan dat de bijbel zelf verschil kent en verschil maakt tussen inspiratie en inspiratie, maar ze maken eveneens duidelijk hoe moeilijk het is om dat verschil in de teksten door te voeren. Ik leid daar de aansporing uit af om door heel de bijbel heen steeds voorzichtig naar het centrale, het blijvende, het eeuwige te zoeken. We zoeken dus naar het fundament, maar hebben daar de weg bij nodig.

Maar nu heb ik van hieruit bezwaar tegen de niet zo genuanceerde voorstelling van Berkouwer op wiens voetspoor het rapport verder gaat.
Zijn standpunt, zei ik, komt neer op een radicalisering van de leer van de organische inspiratie. Berkouwer wil telkens wanneer de Schrift ter tafel komt Iegelijk en even sterk haar goddelijkheid en haar menselijkheid ter sprake brengen.
Dat wil zeggen dat hij de menselijkheid der Schrift tot in het centrum van de bijbel wil laten oprukken.
Zeker, het omgekeerde is ook een logische conclusie uit zijn standpunt, dat hij namelijk de goddelijkheid der Schrift tot aan haar uiterste randen wil laten oprukken, maar daar hoor je weinig over, bij hem niet en bij niemand uit zijn kring. Het gaat inderdaad om het voluit menselijke van de bijbel tot in het centrum toe. Daar komt ook het rapport met over uit geroemd.
Ik vrees dat men op dit standpunt gemakkelijk komt tot een fatale dialectiek tussen het goddelijke en het menselijke, of minder deftig gezegd, tot een verwarrend in en uit praten op dit punt. Bijvoorbeeld zo: de bijbel is goddelijk en daarom menselijk, of: de bijbel is menselijk en daarom goddelijk. Met zulke grapjes kunnen orthodoxie en vrijzinnigheid inderdaad een poosje bij elkaar gehouden worden, maar niet lang. En bovendien is het de vrijzinnigheid die dit spel wint. Want al gauw blijkt dat die menselijkheid wèl maar die goddelijkheid niet echt gemeend was. Ik zeg niet dat dit van Berkouwer's mening geldt.
Ik zeg alleen voor welk misbruik zijn mening open staat. De dialectische denkvorm heeft er vaker voor moeten dienen (en ook kunnen dienen) om diep ingrijpende veranderingen in de geloofsopvatting met mooie woorden te verhullen. Hiertegenover rou ik juist in onze gesekulariseerde tijd krachtig willen pleiten voor een sterke nadruk op de goddelijkheid van de Heilige Schrift, Wat daarin staat - vlees en bloed heeft het ons niet geopenbaard.
Wij worden gered door woord en daden die werkelijk volstrekt van de andere kant komen.

Om nu de bespreking van dit derde hoofdstuk van het rapport af te sluiten: het is begrijpelijk en terecht dat men zich hier ook nog eens rekenschap heeft gegeven van het conflict rondom Geelkerken betreffende het begin van de Schrift.
Ik zal niet ontkennen dat de in het rapport genoemde rede van Kuyper over de Schriftkritiek een klimaat geschapen heeft in de gereformeerde kerken, waarbinnen het onmogelijk was om langer en met meer geduld over het ....gerezen geschil door te spreken. Toch was dat niet overbodig geweest. Dan denk ik met name aan de rol die het kriterium 'zintuigelijk waarneembaar' in de discussie en in de beslissing gespeeld heeft. Was dat kriterium Schriftuurlijk? Met andere woorden, als men ook t.a.v. de eerste hoofdstukken van Genesis vasthoudt dat de Schrift hartstochtelijk naar de geschiede werkelijkheid wijst en daarover wil berichten (en dat is mijn vaste overtuiging), is het dan noodzakelijk om te geloven dat de Schrift dat zó doet dat wij die werkelijkheid in zintuigelijk waarneembare zin vóór ons krijgen? Ik voor mij geloof dat met het in de teksten van Genesis gezegde volkomen recht gedaan wordt aan wat werkelijk is geschied. Maar ik weet niet altijd op welke wijze de teksten aan die geschiede werkelijkheid recht doen. Dat zou behalve op zintuigelijk waarneembare wijze ook best eens op een sterk vereenvoudigde of samenvattend-symbolische wijze kunnen zijn. Mij bevalt altijd nog goed de typering die ik er eens van gaf: gegevens die door de overlevering zijn aangereikt, opgenomen in een profetische terugblik. Overigens, zullen wij het ooit helemaal zeker weten? Maar juist omdat wij hier ten aanzien van de wijze waarop de bijbel de geschiede werkelijkheid verhaalt zo tastend onze weg moeten gaan, geloof ik dat er inzake de kwestie-Geelkerken te gauw een beslissing gevallen is. Was hier geen voorlopig compromis mogelijk geweest? Bijvoorbeeld: wij houden samen vast dat het geschiedenis is wat ons in Genesis bericht wordt?
Dan had verder rustig nagedacht kunnen worden over de wijze waarop.
Maar ja, dat is napraten. Ik kan de opwinding over wat Geelkerken zei ook wel weer begrijpen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief