Ons nieuwe kerklied (3)
1981-02-06
Het wordt tijd deze kleine reeks te beëindigen. We noemen nog enkele normen van de gezangencommissie en sluiten dan af.- Jaargang 25
- nummer 5
De piëtistische of mystieke liederen worden verworpen. Liederen 157, 263 en 264 gaan dus door de zeef. Accoord. Maar waar in L 157 het "sensuele" (zinnelijke) element zit, ontgaat ons helaas, - Zo vallen ook de liederen met een dualisme van ziel-en-lichaam onder het oordeel, bijvoorbeeld L 623. Van harte accoord. (Maar wel een bescheiden vraag: kunnen we wel zo oordelen wanneer we in Zondag 22 H.C. dat dualisme vasthouden? Althans het spraakgebruik vasthouden")
De humanistische liederen moeten ons ook vreemd blijven. Dat wel. Maar L 489 achten we geen gelukkig voorbeeld van humanisme. Dat humanisme immers kan drie betekenissen hebben: a) het streven naar menslievendheid - b) het streven naar de 14de tot 16de eeuwse wijsbegeerte en cultuur - c) het beklemtonen van menselijke waardigheid, vrijheid en persoonlijkheid, ongeacht enig christelijk geloofsvooroordeel. Wat onder a en b valt zouden we niet graag onchristelijk noemen. Maar het lied 489 is allerminst onder c te vangen: "Een mens te zijn op aarde is pijnlijk begenadigd zijn en zoeken, nooit verzadigd zijn, is rusten in de aarde als alles is volbracht". Niet "wat" is onze weg? maar "wie" is onze weg? En "wij branden van verlangen tot alles is voltooid" is ontroerend van menselijkheid.
Het voorgaande wordt duidelijk gemérkt. Het slot klikt.
L 490, ook humanistisch genoemd, is triest, troosteloos. Het gaat over de moderne stadsmens, de eenzame in het grote getal. Maar het slot? (U moet altijd naar het slot zien, als u aarzelt.) "Is er een stad zonder dood, zonder duisternis, komt er een stad waar de zon niet meer nodig is?" - verwijst duidelijk naar Openb. 22: 23 waar beloofd wordt, dat de 20n in het nieuwe Jeruzalem niet meer nodig zal zijn, omdat God de Heere en het Lam die stad zullen verlichten. Zou een humanist op die troost komen?
Liederen die op het misoffer en het huwelijk als sacrament duiden, worden ook geweerd. Als voorbeelden worden L 348 en L 369 genoemd. Het eerste is een lied van ds Barnard, dat wij graag bij Dankdag zouden zingen.
"Wij dragen onze gaven, het werk van onze hand - tot eer van U, 0 God en Heer". Dat gaat zo verder met: onze dagen (bizonder de rustdag), met ons werken en geloven - alles "tot eer van U, 0 God en Heer". Tenslotte: wij wijden het alles aan U, ook brood en wijn. - Maar is dat een verwijzing naar het misoffer, het dagelijks door Christus te brengen offer?
Of ... zijn brood en wijn in de Schrift niet tekenen van leven en blijdschap?
(De staf des broods - en de wijn, die het hart verheugt.) Wij geloven het laatste en denken aan David: want het is alles van U en wij geven het U uit uw hand.
En mogelijk is L 369 van pastoor Oosterhuis wel sacramenteel gedacht.
Maar het is een verwijzing naar Genesis 2, rekent het huwelijk zo onverbrekelijk als Gods beloften (Ef. 5 : 32) en plaatst het op een niveau, als verreweg de meeste protestanten niet meer kunnen doen. Daarom laten we dit lied met droefheid vallen, als het moet. (Misschien heeft het commentaar in Compendium de ogen der commissie wel geopend.)
De twijfel over de legitime plaats van vaderlandse liederen in een kerkbundel kunnen wij delen. Het aanvaarden van een aantal Valeriusliederen lijkt ons ook juist.
Behalve het onderzoek naar een Schriftuurlijke inhoud luidde de "opdracht" van de LV dat de commissie ook het niet-verouderd taalgebruik zou toetsen. Dat deed de commissie terdege. Zij vertaalde het "niet-verouderd taalgebruik" nogal breed: a) liederen die min of meer onbegrijpelijk zijn (te dichterlijk, ondoorzichtig, geschreven in oude taal of verouderde uitdrukkingen bevattend) en b) liederen, die aan een veelheid van litteraire kwalen Iaboreren als daar zijn: lelijke of foutieve constructies, onjuiste beeldspraak, onzingbare- medeklinkers, stoplappen, aanvoegende wijs met lelijke afkortingen, elisie en contractie, ouderwets taalgebruik (dat is twee maal) en gebruik van vreemde woorden), Wat ons betreft: geen enkel bezwaar tegen deze verbreding van werkzaamheden, maar hier is een "opdracht" wel grotelijks "omgebogen" - tot heil van onze kerken. Want gestreefd is naar een gezond en bewust taalgebruik.
Slechts enkele opmerkingen hierover, want de zaak spreekt voor zichzelf.
Wanneer liederen "al te dichterlijk" (wat is dat eigenlijk?) en/of ondoorzichtig zijn, kan het ook een zaak van enige inspanning wezen om de tekst te begrijpen, te aanvaarden en over te nemen. In de kerk geldt, meer dan elders, dat wie niet werkt ook niet eet. Lied 22 bijvoorbeeld is bepaald schoon, de melodie is navenant, we zouden aan dit lied graag eens een apart artikel wijden. Hetzelfde geldt voor de tekst van L 86. In zekere zin ook voor L 198, al zitten hier moeilijke plekken in, inderdaad, Wat de oude of verouderde taal betreft: Lied 13 (v. d. Vondel), L 18 (Oamphuysen), L 50 (Revius), L 153 (Vondel), L 175 (pater Brugman?), L 190 (Luyken), L 419 (Bredero), L 421 (Revius) vallen alle door het vergiet. Ze zijn in de teksten van het Liedboek onverstaanbaar, onaanvaardbaar, onzingbaar. Maar L 420 (Revius) toont aan dat liederen van deze aparte vroomheid de moeite waard zouden zijn om in modern Nederlands te worden herberijmd. Dan zouden ze een deel van een aanvullende of eigen bundel kunnen vormen.
Er zijn meer liederen overgezet in modern Nederlands, of nog altijd door ons volk gezongen en daarom (als het Wilhelmus) wél verstaan. Dat zijn: L 145 (Nu zijt wellekome), 154 (0 kerstnacht, Vondel), 196 De Heer wil ik prijzen (Revius), 412 0 Heer, die daar (Valerius), 414 Wilt heden (id.), 415 Komt nu met zang (id.), 416 Gelukkig is het land (id.), 420 Ik hoor trompetten klinken (Camphuysen). Als men eenmaal voor een aanvullende of eigen bundel Valerius zou aanvaarden wijzen wij op enkele allermooiste en minst bekende Valeriusliederen: Heere, kere van ons af en: 't Is een groot en heerlijk goed.
Een ondeugende opmerking, die u van ons kunt verwachten. Wanneer het gebruik van vreemde woorden een belemmering zou vormen (genoemd zijn: Oriënt, Adonai, Misericordia en Paracleet) dan vragen we ons af wat we met al die andere vreemde woorden in de kerk doen als: Amen, Halleluja en Kyriëleis ... en de vele Griekse woorden, die ons zelfs in preken worden voorgeschoteld.
Maar goed, we zouden afsluiten. Als het waar is dat een lied uit een tekst en een melodie bestaat, dan missen we in het rapport een beoordeling van het muzikale materiaal. Dat mocht wel verantwoord zijn.
Wel zien we op pag. 17 een aantal aanbevelenswaardige liederen. Daar zijn we blij mee. Een commissie van twee maal zeven deskundigen kan dus unaniem een keus uit het Liedboek aanbevelen. Waarmee bevestigd wordt wat diverse van onze kerken al jaren doen: het interkerkelijke Liedboek positief aanvaarden.
Die lijst van aanbevelenswaardige nummers zij ons echter niet al te strak opgelegd. In onze bespreking van het rapport wezen wij herhaaldelijk aan, dat de grenzen (uit welke redenen van beleid ook) soms te krap zijn genomen; aan de andere kant soms ook, dat we niet elke keus kunnen waarderen. Zoals onze kerken een zekere vrijheid hebben om in eigen bewoordingen (door haar predikanten) de eigen noden en vreugden voor Gods troon te brengen; en dat op het niveau en in het klimaat van die plaatselijke kerken ... Zo zouden wij zeker de kerkzang als een plaatselijke verantwoordelijkheid willen beklemtonen.
Daar zijn Schriftberijmingen bij, liturgische bijdragen soms, waarvan de een of andere gemeente kan vragen: is dat wel voor kerkzang bedoeld?
Staat dat op het niveau der psalmen?
Maar de gebeden, zelfs de formuliergebeden staan niet op het niveau der psalmen, die immers door Gods Geest zijn ingegeven. Toch vertrouwen wij erop, dat de onvolkomenheden door de Geest worden gezuiverd voor ze bij Gods troon aankomen. En dan is over die psalmen nóg iets op te merken.
Het is met schroom dat we dit neerschrijven. Jaren geleden waren wij er van overtuigd, dat de psalmen alle behoren te worden gezongen in de kerk. Wij achtten het onjuist, wanneer driekwart of meer van ons psalmboek verwaarloosd werd.
Daar zijn we vandaag niet meer zeker van. Er zijn psalmen, die nooit gezongen worden en ... misschien ook geen liturgische zangen kunnen zijn. Een voorbeeld kan psalm 129 zijn. Misschien bent u dat niet met ons eens. Dan deze opmerking: wanneer bepaalde psalmen worden aangeduid met “lamenasseach" (voor de eredienst, of voor de liturgie, of voor de opperzangmeester) dan kan dit inhouden dat andere psalmen, die deze aanduiding missen, niét voor de liturgie bedoeld waren. Andere psalmen, die het opschrift "sjier" dragen, heten daarmee "loflied", zijn dus voor feestelijke gelegenheden. (psalm 100 heeft beide titels.)
Onze voorzichtige conclusie is dan ook: uit de psalmbundel met 150 nummers (laat dat getal u niet imponeren - de Joden telden 147 psalmen, naar het aantal jaren van Jacob, en kwamen met dezelfde tekst) mag naar plaatselijk beleid gekozen worden voor de eredienst. Zo zou ook uit het Liedboek, met plaatselijke verantwoordelijkheid en beleid, gekozen kunnen worden. Het ene lied voor samenzang. Een ander lied voor solist en gemeente; of voor kinderen en gemeente; of voor vrouwen en mannen; of voor groepszang met gezamenlijk refrein. Onze gezonde fantasie moge geïnspireerd worden door de Geest zelve. En voordat iemand zegt (of denkt): moet het nu dié kant uit? ... leze hij uit de Schrift in het 19e Bijbelboek, dat de oude kerk op deze wijze voor Gods aangezicht heeft gespeeld!