Het gebed in de eredienst (Enkele pastorale kanttekeningen)
1981-02-13
Verschuiving- Jaargang 25
- nummer 6
We hebben al tijden onze gedachten laten gaan over dit veld van onderzoek.
Je hoort kollega's bidden voor de radio en voor de teevee. Je beluistert hen een enkele maal als je zelf niet preekt en graag onder het gehoor van een ander zit. Maar je luistert eigenlijk maar voor een beperkt deel naar jezelf in de gebedsaktiviteit in de eredienst. Dat is ergens maar goed ook. Want je staat in de kerk niet te bidden tot meerdere glorie van jezelf, maar tot eer van God. Dat is de opzet en de inzet van heel de kerkdienst, dus ook van het liturgisch onderdeel, dat gebed genoemd wordt.
Nu is er in de loop der jaren wel een verschuiving gekomen in de beoordeling van de gemeente ten aanzien van de gebeden in de eredienst. Vroeger vond men het normaal als het zogenaamde grote gebed zeker een kwartier à twintig minuten duurde. Men zei dan: "Hij ging zo fijn alles bij langs", en men beoogde dan daarmee op te merken, dat de liturg niets en niemand vergat. Vandaag de dag is men wat kortademiger geworden.
Men roept om een bondige voorstelling van zaken. De HERE weet immers van tevoren al wat wij van Hem willen vragen.
En men mag toch eigenlijk niet het grote gebed gaan gebruiken om niet te zeggen: misbruiken als een soort inlichtingendienst voor de gemeente.
Het is inderdaad een goede zaak om als men voorbede met naam en toenaam doet, dit voorafgaand aan het gebed mee te delen aan de gemeente.
Maar daarmee zijn de problemen nog met opgelost en is de kritiek niet verstomd.
Spanningen
Het blijft vooropstaan, dat het gebedsleven een tere zaak is. Voorts moet gememoreerd worden, dat werkelijk goed bidden, goed kunnen bidden een charisma is, een genadegave van de Heilige Geest. Dat houdt meteen in, dat het zeker geen privilege van predikanten is. Maar zij worden nu eenmaal elke zondag verschillende malen geroepen het gemeentegebed te vertolken voor Gods genadetroon. En dat geeft spanningen. Iedere dominee kan daarvan getuigen. Overigens is het gezond als men spanningen kent in zijn ambtelijke dienst. Wijlen ds O. W. Bouwsma zei eens tegen mij: "Jo, ik zou die spanning voor en op de zondagen niet graag willen missen."
En wijlen ds J. van Bruggen moet eens hebben opgemerkt in de tijd direkt na de vrijmaking toen vier preekbeurten voor hem vaak normaal waren: "Ik zie nog meer tegen het frekwente bidden dan tegen het frekwente preken op!"
In verband hiermee plaats ik nog een opmerking. De ander meet in doorsnee deze spanningen van de bedienaar van het evangelie niet. Je staat er verstomd van hoe overal kerkeraadsleden je soms vlak voor de dienst met allerlei dingen aan boord komen terwijl je hoofd er helemaal niet naar staat. Een kollega zei eens tegen zijn "eigen" kerkeraad: "Alles wat u mij vlak voor de dienst meedeelt, gaat in doorsnee het ene oor in en het andere oor uit. Ik denk aan iets anders", Het is verstandig als men een gastpredikant niet, terwijl men de kruk van de deur, die naar het kerkgebouw of naar de vergaderzaal leidt, al in de hand heeft, nog ijlings op de hoogte stelt van een geboorte of een ernstig ziektegeval dn de gemeente.
Het komt voor, dat men, omdat er 's morgens preeklezen was, dat maar heeft opgespaard voor "de man, die het kan" en die 's middags of 's avonds de kansel beklimmen zal. Het overkomt mij regelmatig, dat ik dergelijke dingen mij pas herinner wanneer het grote gebed al voorbij is, zodat ik het alleen nog maar in het slotgebed kan vermelden.
Het kan zijn, dat het liturgisch juister is het zogenaamde grote gebed, gerangschikt onder de noemer van dankzegging en voorbeden, pas na de prediking aan het einde van de dienst een plaats te geven. Het korte voorgebed beperkt zich dan tot een bede om verlichting met de Heilige Geest.
Wij menen, dat het niet in overeenstemming is met de opzet van het gebed in de eredienst wanneer de liturg plotseling voor zichzelf en eventueel voor zijn familie gaat bidden. De ik-en mij-vorm horen daarin niet thuis. Men maakt zich dan onbedoeld en onbewust los van de gemeente en verengt de funktie van voorganger van de gemeente tot een betrokken-zijn op eigen persoon, hoezeer die persoon ook verbonden mag zijn aan die plaatselijke kerk!
Een ander gevaar
Er is een ander gevaar, dat de vertolker van het gebed der gemeente bespringt, nl. de zucht naar absolute variatie. Het is Schilder geweest, die gezegd heeft, dat wij leven bij de gratie van de variatie. Maar hij heeft dat, dacht ik, meer gezien als een konklusie en niet als doelstelling, Uiteraard is het een goed en gewenst ding, dat men niet steeds dezelfde termen gebruikt in de dienst der gebeden. Op de duur word het een groef in de hersenen van de gemeenteleden. Men weet exact al van tevoren wat er komt. Dat betekent een aanval op het enthousiasme van hen, die meebidden.
Maar overigens komen steeds weer dezelfde noden aan de orde.
De dankzegging spitst zich gedurig op het voorrecht en het geschenk van de trouwe Woordbediening en van het samenkomen als Gods volk. Elke zondag hebben wij onze zieken en eenzamen etc. op te dragen aan de troon van Gods genade.
In dat kader zullen ook elke eersite dag der week weer dezelfde woorden en zinsformuleringen gebruikt worden. Moeten we dàt per se vermijden?
Ik geloof van niet! Iemand heeft eens per illustratie gezegd, dat de zon elke dag weer ondergaat, maar zonder dat het eentonig wordt. Er is een bijna ongekende variatie in kleur en tint.
Het geeft niet, dat we steeds weer hetzelfde zeggen als het maar bezield is.
Als ons hart er maar in gelegd wordt. Toch is een goede voorbereiding van de dienst der gebeden voor de liturg van groot belang. Hij behoeft niet elk woord op papier te zetten. Dat zou een stremmend effekt kunnen hebben.
Elke vorm van gebedsautomatisme en gebedsmechanisme dient ons vreemd te zijn.
Maar het is vereist van tevoren te overwegen waarover men het met de HERE zal hebben. We zullen de HERE loven met een voorbedacht lied, maar ook met een voorbedacht gebed. We bidden maar niet "ins Blaue hinein". En verder moeten we het maar aan de Heilige Geest overlaten.
Zonder die Heilige Geest wordt geen echt gebed gebeden. Zonder die Heilige Geest wordt ons gebedsleven een lege huls. Dit alles houdt niet in, dat de predikant een gedeelte voor zijn rekening neemt terwijl hij de rest aan de Heilige Geest overlaat. Nee, hij zal in zijn binnenkamer niet alleen.
van God de kracht hebben te vragen voor de bediening van het Woord der verzoening, maar ook voor de dienst van het gebed. En de gemeenteleden zullen dit in het programma van hun biddende voorbereiding voor de kerkdienst hebben op te nemen.
Er is dus heel wat werk aan de winkel!!
Gebedsverlegenheid
Het is geen minpunt als de dominee soms klaagt over een bepaalde gebedsverlegenheid.
Daaruit blijkt, dat het bij hem geen zaak van routine is.
Routine vermoordt de geëiste gebedsgestalte. We moeten ons bewust zijn tot Wie we naderen en namens wie we spreken. Het zou een onhoudbare zaak zijn als de Bijbel ons niet verkondigde, dat we in de hemel een excellente Advocaat hebben, onze Here Jezus Christus. In het prachtige artikel 26 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis hebben mij bij herlezing met name twee zinnen in het biezonder getroffen: "Want er is niemand, noch in de hemel, noch op de aarde, onder de schepselen, die ons liever heeft dan Jezus Christus;" Verder: "En wie zal eer verhoord worden dan de eigen welbeminde Zoon van God?" Hier tasten we iets van de reikwijdte van het stereotiepe: Om Jezus' wil, waarmee we doorgaans onze gebeden besluiten.
We haalden zojuist enkele zinnen aan uit een belijdenisgeschrift. Naast de formuliergebeden, die ons voldoende stof aanreiken voor de vormgeving en inhoudsbepaling van onze gebedsdienst, moeten we toch vooral de inhoud van de konfessie in dit opzicht niet vergeten. Het heeft ons, toen wij als student met preekkonsent elke zondag een jaar lang voor de gemeente een opbouwend woord mochten spreken, enorm geholpen, dat wij via onze theologische studie ons de inhoud van de gereformeerde belijdenisgeschriften terdege moesten eigen maken. Verschillende amici hadden mèt ons dezelfde ervaring.
Luther en Calvijn
Voorts moeten we dankhaar verdiskonteren wat de reformatoren Luther en Calvijn ons in dit opzicht hebben meegegeven. In de worsteling om zich sober, zakelijk en duidelijk uit te drukken kunnen we van de Wittenberger hervormer en van de man van Genève ontzettend veel. 'leren. In "Kerk en Eeredienst" Jaargang 111, no. 1 kwamen we een boeiend artikel tegen van E. van der Schoot over: "Leer ons bidden", waarin de volgende behartigenswaardige opmerkingen over het zogenaamde Nagebed gemaakt worden: "Dit nagebed slaat doorgaans terug op de inhoud van de prediking, althans bij de hier veronderstelde en boven aangegeven orde. Men beroept zich voor deze traditie wel eens op Calvijn. Naar ik meen ten onrechte. In zijn "La forme des prières et chantz ecclésiasäques" (1542) laat Calvijn na de prediking het gebed voor alle nood der Christenheid volgen. Het 'bovenbedoeld beroep op Calvijn zal samenhangen met diens gewoonte om na zijn bijbellezingen een kort gebed uit te spreken, waarvan de inhoud duidelijk samenhing met het behandelde onderwerp. Barkey Wolf gaf een Nederlandse vertaling van zulke gebeden uit. Maar goed, als dan diegenen, die de traditie van het nagebed in deze zin huldigen ook voor de gewone kerkdiensten maar eens werkelijk bij Calvijn in de leer wilden gaan! Hier hebt ge een voorbeeld van zulk een gebed van de Reformator: "Almachtige God! Gij, Die ons de eer bewezen hebt, de Koningstroon van Uw Zoon onder ons op te richten, geef ons, zo bidden wij U, dat wij ons door Hem laten zegenen en niet ten onrechte ons erop beroemen, Zijn volk te zijn. Laat ons werkelijk tonen, dat wij Hem van ganser harte, in waarheid, als onze Koning belijden, Moge Hij ons tegen elke aanval. der vijanden beschermen ons leven lang, opdat wij op Uw hulp vertrouwen en onze zielen sterken met geduld - en eindelijk tot die zalige heerlijkheid komen, die Hij ons verworven heeft door Zijn eigen bloed. Amen."
Een ieder, die deze gebeden om toeëigening van het heil, zoals we ze zouden kunnen noemen, gelijk Calvijn ze geeft, vergelijkt met vele ten onzent gangbare "nagebeden", zal onmiddellijk beseffen, hoeveel mensen, die overigens voor trouwe discipelen van de Geneefse Hervormer willen doorgaan, in dit opzicht nog van hem kunnen leren".
Konklusie
Het is duidelijk, dat we elkaar ook wat het gemeentegebed betreft niet in een bepaald keurslijf mogen persen, De één doet het zus, de ander zo!
Het individuele heeft een eigen inbreng. Als het maar tot meerdere glorie is van de Here God! Daarom kan niemand een gebedskursus geven. We zullen allen steeds weer in de leer moeten gaan bij onze Heiland, Die ons niet voor niets het "Onze Vader" als gebedsexempel heeft nagelaten.
"Here, leer ons bidden.