Dit nu zijn de namen (Exodus 1) (3)

1981-02-20
  • Jaargang 25
  • nummer 7
Gods Woord en zijn gevolgen
Het was niet gewoon meer. De eerste maatregel die de nieuwe farao nam sorteerde geen effect. Beter gezegd: farao bereikte het tegendeel van wat hij beoogde. Het volk der Israëlieten was er niet onder te krijgen: hoe meer men hen onderdrukte, des te meer vermenigvuldigden zij zich en breidden zij zich uit, zodat men bevreesd werd voor de Israëlieten". De bevolkingsexplosie was niet te stuiten. Dat had niets te maken met viriliteit, maar alles met Gods hand in Israëls geschiedenis.
Zo heeft Israël het zelf ook herkend en bezongen: "toen Israël naar Egypte gekomen was, en Jacob als vreemdeling vertoefde in het land van Cham, maakte Hij Zijn volk zeer vruchtbaar en machtiger dan zijn tegenstanders", Ps. 105 : 23, 24. Precies zoals in deze psalm naar Gods beloftewoorden aan Abraham wordt verwezen (Ps. 105: 8-11), zo typeert Stephanus het voor de joodse raad. Bondig geformuleerd: "doch naarmate de tijd der belofte, waarmede God zich aan Abraham verbonden had, naderde, vermeerderde het volk en vermenigvuldigde zich in Egypte, totdat er over Egypte een andere koning kwam, die Jozef niet gekend had" (Hand. 7 : 17, 18).Ook voor Paulus is Gods hand in Israëls geschiedenis tastbaar en zichtbaar. In de synagoge van Antiochië verklaart hij zich als volgt: "mannen van Israël en vereerders van God, luistert. De God van dit volk Israël heeft onze vaderen uitverkoren en het volk verhoogd, toen zij bijwoners waren in het land Egypte ... " (Hand. 13 : 16, 17a).

Het menselijk antwoord
De eerste reactie op die niet te stuiten bevolkingsaanwas was angst. Angst voor meer dan het gewone. Maar die angst leidt niet tot de voorzichtige vraag: wie of wat is de oorzaak? Eerder wordt onvoorzichtigheid het parool - de angst slaat om in blinde haat: "toen lieten de Egyptenaren de Israëlieten onder mishandeling werken, ja zij maakten hun het leven bitter door harde slavenarbeid met leem en tichelstenen en door allerlei arbeid op het veld - alle werk, waartoe zij hen onder mishandeling als slaven· gebruikten.", Ook hier komt de verteller bijna woorden tekort om uit te beelden dat de ontwikkeling naar een climax gaat, escaleert. De vrees voor het ongewone brengt Egypte tot meedogenloosheid.
En dit is nog maar de eerste trap - er zullen er nog drie volgen (1 : 15v.v.; 1 : 22; 5 : 7 v.v.).
Een dergelijke reactie op de hand Gods in Israëls geschiedenis zien we vaker. Een sprekend voorbeeld is in Hand. 6:7 v.v. te vinden: "en het woord Gods wies en het getal der discipelen te Jeruzalem nam zeer toe en een talrijke schare van de priesters gaf gehoor aan het geloof". De onmacht van zijn tegenstanders (6: 8-15; 7: 54-59) leidden tot Stephanus' steniging en een ongehoorde vervolging van de snel toegenomen gemeente (8: 1-3).Waar God de Heer zijn schreden zet (Lied 305: 1), volgt satan Hem op de voet. Dat is een factor die we maar al te gauw vergeten. In het boek "De brug over de Drina" van Ivo Andric wordt helemaal aan het begin de marteling en executie beschreven van een man die de bruggebouw wilde saboteren. Die beschrijving is meer dan afgrijselijk - je kunt het eenvoudig niet en nooit meer vergeten. Dat is ook de bedoeling: heel het ,boek door speelt dat begin je door het hoofd.
Op dezelfde manier, denk ik, moet je Gen. 3 lezen - het geraffineerde optreden van satan met de gruwelijke gevolgen daarvan voor de mensheid. Hij is op geen enkele bladzij meer weg te denken. Hij is er steeds in de geschiedenis zelfs zonder dat zijn naam genoemd wordt (wat dan ook zelden gebeurt).

Ik zal zegenen ...
Wat hij met mensen doet (farao) en wat hij mensen aandoet (Israël) staat op de eerste bladzij van het boek Exodus.
Daarbij vergeten we niet, dat satan de tegenstander van God is en dat Israël de inzet vormt. Al evenmin mogen we Gods woorden aan het adres van Abram vergeten. Heel simpel: "Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken ... " (Gen. 12 : 3). Zulke woorden bepalen uiteindelijk de geschiedenis.
We horen farao zeggen: " ... laten wij met beleid tegen hen optreden ... " Stephanus geeft het zó weer: "deze nam list te baat tegenover ons geslacht en handelde slecht met de vaderen" (Hand. 7: 19). Tenslotte de psalmist: "Hij (God) maakte zijn volk zeer vruchtbaar en machtiger dan zijn tegenstanders. Hij veranderde hun harten, zodat zij zijn volk haatten en listig handelden tegen zijn knechten" (Ps. 105 : 24, 25).
Een uitlegger (B. Gemser) tekent hierbij aan: "zelfs de wending ten kwade van de gezindheid der Egyptenaren wordt, bij deze theocratische beschouwing, aan God toegeschreven (evenzo Ex. 7 : 3; 10: 1; Deut. 2 : 30 zonder dat hiermee aan de verantwoordelijkheid van de mens afgedaan wordt, vgl. Ex. 8 : 15, 32; 9 : 34; 1 Sam. 6 : 6)" - ook Ex. 4: 21 en 7 : 13 vallen hier aan toe te voegen.
In een targum (oude joodse vertaling of parafrase van het O.T. in het Aramees) wordt die "theocratische beschouwing" weggewerkt door de weergave: "hun hart veranderde zich ... ". Datzelfde doet ook een andere uitlegger (H.
Gunkel). Taalkundig is het inderdaad mogelijk. Maar de eigenlijke reden voor deze vertaling is, dat men er voor terug deinst God aan te wijzen als de veroorzaker van de kwade gezindheid der Egyptenaren. Het zou lijken alsof God moedwillig en boosaardig de Egyptenaren tot moedwillige boosaardigheid aanzette.

Of is uw oog boos ... ?
Je zou kunnen zeggen: het staat er dan toch maar. En dat nog wel op verschillende plaatsen. Inderdaad zou ik Ps. 105: 25 maar rustig zó vertalen: Hij veranderde hun harten, zodat zij zijn volk haatten". De vraag is echter: gaat het hier om een on-middellijke actie (vgl. de vroegere discussies over middellijke en on-middellijke wedergeboorte)?
De vraagstelling of God de rechtstreekse, welbewust gewilde veroorzaker is van Egypte's boosaardigheid zou, met verandering van omstandigheden, een eigentijdse vraag kunnen zijn: de vraag naar de oorzaak van het kwaad der onmenselijkheid.
Niet voor niets wijs ik hierop in het beginstadium van (de) Exodus. Want dáár valt al te constateren wat er in werkelijkheid aan de hand is. Enerzijds hebben we te maken met wat God doet (het theocratisch element). God heeft inderdaad Israël "uitverkoren"
en zich aan dit volk "verbonden" en dat krachtens de eed, die Hij de vaderen gezworen had (Deut. 7: 7, 8). Evenzo was het Gód, die aan Abram bij herhaling beloofde: "Ik zal u tot een groot volk maken" (Gen. 12 : 2). Wanneer Gód echter die belofte ten uitvoer brengt, is het de vraag hoe andere volken op die souvereine keus van God reageren - Egypte bijv. We krijgen te horen dat de eerste reactie er een van angst is. Daarna hoe die angst zich omzet in háát, vijandschap (vgl. Ef. 2 : 14). Angst leidt blijkbaar niet tot voor zichtigheid, maar tot verharding der harten: farao en zijn volk worden spijkerhard. Van meet af aan. Niet voor niets heet Egypte "de ijzeroven" (Deut. 4: 20; 1 Kon. 8: 51; Jer. 11: 4). Als God iemand goed-doet, is de reactie daarop blijkbaar kwaad-doen, kwaadwilligheid. Met de hele scale van angst, afgunst, haat.
Denk maar aan Jezus' gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard: "Staat het mij niet vrij met de mijne te doen, wat ik wil? Of is uw oogboos,omdat ik goed ben?" (Matth. 20 : 15). Kun je God verantwoordelijk stellen voor menselijke boosaardigheid?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief