Doemdenken

1981-02-20
  • Jaargang 25
  • nummer 7
Sinds kort heeft onze taal er een woord bij: doemdenken. Veie mensen hebben het gevoel dat onze kultuur - ja onze wereld haar ondergang tegemoet gaat - en voelen zich tegenover die dreigende toekomstige ontwikkelingen onmachtig. Onmachtig zien wij toe, hoe allerlei ontwikkelingen die de wereld in haar voortbestaan bedreigen zich doorzetten: werkeloosheid en honger, atoombewapening en milieuvervuiling.
Op de laatste l'Abri-dag in Utrecht hebben wij ons met dit thema beziggehouden.
Hoe staan wij als christenen tegenover dit doem-denken, dat vaak haast noodlots-denken wordt?
In Centraal Weekblad van 21 jan. '81 las ik een reaktie van prof. Hartvelt op een inaugurele rede van een professor in de pedagogie (mevrouw Lea Dasberg) die luidde: pedagogie in de schaduw van het jaar 2000: Hulde aan de hoop. Mevrouw Dasberg vindt het een onvergefelijke fout als een nieuwe generatie van mensen wordt opgevoed in een sfeer van: deze wereld gaat toch haar ondergang tegemoet - en wat je ook doet: je werkt alleen maar mee aan het overbevolken van deze wereld - en het bevuilen van ons milieu, het vergroten van de kloof tussen armen rijk of aan het stimuleren van een bewapeningswedloop die .niemand tegen kan houden. Wie zo'n sfeer schept, verpest de komende generatie van mensen, omdat dezen zich dan wel gedwongen voelen tot óf schuldcomplexen óf angst-neurose en vluchtwegen. Prof. Hartveld stemt er wel mee in dat wij elkaar geen angsten moeten aanpraten en op een moderne wijze hel en verdoemenis preken, alleen hij stelt de vraag: waaraan ontlenen wij de zekerheid van de hoop?
"Hulde aan de hoop", zei mevrouw Dasberg. O.K. zegt prof. Hartvelt, maar je moet er wel een basis voor hebben. Want als je als een struisvogel Je kop in het zand steekt, ben je ook niet op de goede
weg. Daar ben ik het geheel mee eens. Terecht zegt prof. Hartvelt: Wij, mensen uit de twintigste eeuw, leven voor het eerst ineen tijd, waarin de mens in staat is om zichzelf en zijn wereld te vernietigen.
Welke hoop kunnen wij dan nog overeind houden dat de mens het niet ook zal doen? Prof. Hartvelt zegt: Daarom is het terecht dat pedagogen zich méér dan ooit gaan bezighouden met het raadsel: mens.
Hij is de 'zwakste' schakel in de sterke ketting van het proces van de geschiedenis. M.a.w. die zwakste schakel: de mens zelf moet worden versterkt en dan zouden wij reden kunnen hebben voor hoop.
Ik vind dat om eerlijk te zijn ook maar een schamele hoop. Is er in de bijbel zelf enige basis te vinden voor de verwachting dat de mens zelf er in de loop van de tijd beter op zal worden? U kunt zeggen: Maar daar draait toch heel het evangelie om: om de redding van de mens. Die redding is zeker niet alleen iets voor de hemel of voor de toekomst - ze zal toch hier en nu zichtbaar moeten worden in rechtvaardige daden, in de "vruchten van de Geest". Ja, dat is voor 100% waar en toch krijg ik uit de bijbel nooit de indruk, dat de geschiedenis van de mensheid zich in een stijgende lijn beweegt: als zouden er langzaamaan steeds meer mensen bereid zijn om de "nieuwe Mens" aan te doen. Zodat wij straks in een gezamenlijke krachtsinspanning in staat zouden zijn de wereldproblemen het hoofd te bieden. (zie hiertegenover 2 Thess. 2.) Dit laatste zegt prof. Hartvelt ook niet. Integendeel: hij hult zich aan het einde van zijn artikel in een soort geheimzinnig stilzwijgen als hij tegen de pedagogen, die wèl van dit humanistisch optimisme vervuld zijn, de vinger opheft en zegt: pas op: de vraag: wie de mens is? is "religieus van aard en niet alleen politiek van strekking." Hij zegt iets niet, wat hier wel gezegd moet worden, nl. dat er geen basis is voor de verwachting dat de mens zelf streks zijn eigen problemen wel aan zal kunnen - mits hij maar goed wordt opgevoed - in een sfeer van hoop.
Dit was de teneur van de rede van mevr. Dasberg.
Als wij dat op grond van de bijbel niet mogen geloven, maakt het dan niet ieder bijbels christen automatisch tot een doemdenker?

* Ik sla om die vraag te beantwoorden vier passages op uit de bijbel zelf.

1. Jesaja 47: 6.
Er is in dit hoofdstuk duidelijk sprake van oordeel: Gods gericht is ontbrand tegen Israël - en daarna ook tegen de Chaldeeën. Niet als vuur van de hemel, maar langs een middellijke weg: oorlog, en terreur. De profeet' ontkent niet dat er sprake is van gerichten; alleen, hij verwijt de Chaldeeën het volgende: Terwijl Ik, zo zegt de Here, toornig was op mijn volk hebt gij het geen barmhartigheid bewezen; zelfs grijsaards hebt gij wreed behandeld. Het lijkt alsof er hier een tegenspraak ligt in de tekst.
Want als Gods relatie tot de wereld er een is van toorn, moeten wij dan niet ook die toorn van God weerspiegelen.
Neen, zegt dit Schriftwoord: ook daar waar God's relatie tot de wereld er één is van toorn daar worden wij nog geroepen tot het bewijzen van barmhartigheid. Denk maar aan Kaïn. De Here heeft met hem een geding. Maar de mensen moeten hun hand van Kaïn afhouden.
Wat in Genesis 3 : 15 alleen nog maar negatief wordt geformuleerd wordt in Jesaja 47 : 5 in positieve bewoordingen gezegd, n.l. als God met zijn toom komt moeten wij niet alleen onze handen thuishouden, maar juist voortgaan met wat het Evangelie ons leert: barmhartigheid bewijzen.
Zo is het ook in een gezin: als een vader de ene zoon straft, dan steekt het hem als de andere zoon de gestrafte nog een stomp nageeft.
Juis deze gekwetstheid (van de Here tegenover de Chaldeeën, die Israël een stomp nagaven) laat zien dat het de Here in Zijn gerichten ten diepste niet gaat om te vernietigen, maar dat ook Zijn toorn de keerzijde is van Zijn liefde.
Hoe' ook de weg van God zal zijn met onze wereld - in zeker opzicht behoort dat tot de verborgen dingen - ónze taak en roeping is daarmee duidelijk aangegeven: geen doemdenkers maar barmhartigheidbewijzers zijn.

Il. Jeremia 32: 7.
Datzelfde bijna paradoxale treffen wij aan in de profeet Jeremia.
Terwijl Nebukadnezar om de stad Jeruzalem ligt, en de ondergang nabij is, moet de profeet in opdracht van de Here een akker kopen.
Dat lijkt met elkaar in tegenspraak.
Als straks Israël toch ondergaat, waarom dan nu nog een akker kopen en bebouwen. Nu dat is precies de taak van Jeremia: hij moet uitleggen dat er toekomst is aan gene zijde van de storm. Léven voorleven, waar alles donker wordt Luther schijnt eens gezegd te hebben dat als hij wist dat morgen het einde van de wereld kwam, hij vandaag nog een appelboom zou planten. (Zie hierover verder A. v.d. Dussen in Opbouw van 16-1-'81.)

lIl. Mattheüs 24 : 6 en 14.
Hier zegt Jezus op de vraag wanneer het einde van de wereld komt: Weest niet verontrust 'als u hoort van oorlogen en geruchten van oorlogen, want pat moet geschieden ( .. ), maar het einde is het nog niet. Het einde zal pas komen als het Evangelie van het Koninkrijk in heel de wereld gepredikt zal zijn - tot een getuigenis voor alle volken (vs. 14). Ook hier weer zo'n wonderlijke tweeledigheid: terwijl enerzijds niet wordt ontkend dat er een einde komt - en een laatste gericht dreigend op komst is - wordt toch als onze hoofdopdracht ons opgegeven: de verkondiging van het Evangelie van de vrede. Niet met verdringing - of onder ontkenning - van dat andere, het gericht, niet dáárop gefixeerd. De blijdschap en de barmhartigheid moeten blijven roemen tegen het oordeel (Jac. 2 : 13). Omdat wij de wereld mogen bezien in het licht van Hem, die alle oordelen op eigen schouders heeft weggedragen.

IV. I Petrus 4 : 7-9.
In deze brief van Petrus bespeur ik opnieuw dezelfde nadruk: terwijl Petrus aan de ene kant zegt: het einde aller dingen is nabij gekomen, (vs. 7) trekt hij daaruit geenszins de conclusie: dus blijft ons niets anders over dan machteloosheid en doemdenken. Integendeel: hij zegt juist daarom: Komt tot bezinning en weest nuchter opdat gij kunt bidden.
Hebt bovenal bestendiger liefde jegens elkaar en weest gastvrij, zonder morren. Dient elkaar naar de genadegave die hij ontvangen heeft als goede rentmeesters over de velerlei genade van God.
Al deze aansporingen hebben een levensblijheid in zich die voortkomt uit het weten immuun te zijn voor het gericht. Hoe sterk dit laatste ook mag klinken, toch is dat de boodschap van het Evangelie. Wij zijn verlost. Dank zij Christus en Zijn werk. Die levensblijheid en hoop moet zichtbaar worden in: nuchterheid, gebed, gastvrijheid en een goed rentmeesterschap zelfs oog in oog met het einde.
Zo zien wij hoe deze vier Schriftplaatsen ons een doorgaande lijn laten zien van Schriftuurlijk onderwijs tegen allerlei vormen van doemdenken. Voor een humanistisch optimisme is geen ruimte, maar wel leren zij ons het geheim van de onbezorgdheid, dat Jezus zo belangrijk vond, dat het een plaats kreeg in het hart van de bergrede (Mt. 6).
De volgende week zult u in deze rubriek de lezing van prof. B. Goudzwaard kunnen aantreffen over hetzelfde onderwerp.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief