Berichten rond de Landelijke Vergadering
1981-02-20
AANVULLEND RAPPORT van de Commissie voor contact en samenspreking met andere kerken inzake de Gereformeerde Oecumenische Synode, januari 1981.- Jaargang 25
- nummer 7
Zoals u weet, is enige tijd geleden in Opbouw een uitvoerig rapport versohenen van de Geref. Oecumenische Synode. Uit het aanvullend rapport, bestemd voor bespreking op de Landelijke Vergadering, citeren we het laatste deel.
Voorafgaand is gesproken over besluiten van de Geref. Synode over de G.O.S. en de homofilie.
We volgen het rapport, als het gaat over Schriftgezag.
Besluiten inzake de Schriftgezag
Met het unaniem en zonder noemenswaardige kritiek aanvaarden van het rapport over de aard van het Schriftgezag als een confessioneel-verantwoorde Schriftbeschouwing is naar het oordeel van de commissie een dieptepunt bereikt in de ontwikkelingen binnen de GKN.
Tot haar droefheid kan de commissie niet anders concluderen dan dat de Gereformeerde synode met dit rapport de wissel heeft omgezet en, nadat individuele theologen daarin waren voorgegaan, het spoor van een gereformeerde Schriftopvatting heeft verlaten. In een tijd, waarin de moderne Bijbelkritiek als een vloedgolf over de kerken slaat, breekt dit rapport de noodzakelijke weerstand daartegen af in plaats van die op te bouwen.
Ondanks alle verzekeringen van het tegendeel betekent het rapport een principiële breuk met de wijze, waarop de kerken van de Reformatie steeds het gezag van de Schrift hebben verstaan, zoals bijv. in de artikelen 3-7 van de NGB wordt beleden.
Ondanks de ongetwijfeld oprecht gemeende waarschuwingen tegen een Schriftkritiek, die van het goddelijk karakter van de Bijbel niets overlaat, geeft het rapport er blijk van onvoldoende oog te hebben voor de onbijbelse uitgangspunten en werkwijze van het historischkritisch Bijbelonderzoek, en buigt het veel te kritiekloos voor de vermeende resultaten daarvan. Daarmee zet het rapport het breekijzer in de belijdenis van de onvoorwaardelijke betrouwbaarheid van de Heilige Schrift als de historisch juiste weergave van de weg die God met de mensen is gegaan en als de gezaghebbende norm voor leer en leven van vandaag.
Ondanks alle orthodox klinkende en ook zeker zo bedoelde passages, waarin het gezag van Gods openbaring boven menselijke bedenksels met de mond wordt beleden, aanvaardt het rapport in de praktijk als leiddraad voor zijn Schriftbeschouwing een nieuw, zogenaamd "relationeel" waarheidsbegrip, dat regelrecht is weggelopen uit de moderne wijsbegeerte. In feite maken daarin menselijke gevoelens en ervaringen, filosofieën en zogenaamd wetenschappelijke vondsten uit, waar en wanneer de Bijbel gezaghebbend en betrouwbaar Woord is en waar en wanneer niet.
Door de grote rol die het rapport toekent aan de theologische wetenschap ontneemt het in feite Gods Woord aan de gemeenteleden en maakt het van de Bijbel een boek, dat slechts door bemiddeling van een theologische elite - de moderne clerus. - gelezen en verstaan kan worden.
Met dit rapport in de hand kunnen door de GKN aan theologen als prof. Kuitert, dr Wiersinga etc.
hooguit nog sussende waarschuwingen worden gegeven om met hun opvattingen niet te ver te gaan.
Maar van een principieel en krachtig nee tegen hun dwaalleer kan na de aanvaarding van dit rapport geen sprake meer zijn, omdat de synode èn deze theologen - weliswaar op ruime afstand van elkaar zich op dezelfde weg bevinden: de weg die afvoert van de belijdenis van de Schrift als het volledig betrouwbareen gezaghebbende Woord van God en heenleidt naar het eindpunt van de volledige onderwerping van Gods Woord aan het menselijk verstand en de menselijke ervaring.
Wat de positie van de GKN in de GOS betreft, de in het genoemde rapport neergelegde Schriftopvatting is in flagrante strijd met de grondslag van de GOS, waarin ten aanzien van de Bijbel wordt gezegd: "De Schriften, zowel in hun geheel als in elk onderdeel, zijn het onfeilbare en altijd blijvende Woord van de levende Drieënige God, absoluut gezaghebbend in alle zaken van geloof en leven."
Tevens geeft het door de Gereformeerde synode aanvaarde rapport er geen enkele blijk van, dat de GKN hebben willen luisteren naar de klemmende uitspraken die de GOS in 1976 deed over de dwalingen binnen de GKN. Ook in dit opzicht moet dus helaas gesproken worden van een verharding en verscherping in de opstelling van de GKN tegenover de GOS.
Conclusie
In het bovenstaande is duidelijk geworden dat de drie genoemde besluiten van de Gereformeerde sy node de schending van de grondslag van de GOS door de GKN hebben verhevigd en daarmee de kloof met de overige lidkerken van de GOS hebben vergroot. Het lijdt geen twijfel, of deze kwestie zal op de GOS van 1984 een belangrijke rol spelen.
Naar het oordeel van de commissie mag er geen enkel misverstand over bestaan, wat de positiekeus is van onze kerken in de ingrijpende zaken die hier in geding zijn. Met name het besluit inzake het Schriftgezag, waarin de GKN nu officieel hebben gekozen voor een onbijbelse koers en voor een overtuiging, die de fundamenten wegslaat onder het algemeen ongetwijfeld christelijk geloof, maakt het naar de mening van de commissie noodzakelijk om de toetreding van onze kerken tot de GOS - waarvoor we u in ons eerste rapport de motieven gaven - gepaard te doen gaan met een ondubbelzinnige standpuntbepaling onzerzijds over de ontwikkelingen binnen de GKN zoals die in dit rapport zijn beschreven. Tevens zal deze toetreding vergezeld moeten gaan van een open en eerlijke intentieverklaring over de wijze waarop onze kerken zich binnen de GOS zullen opstellen inzake de verhouding tussen de GKN en de GOS.
Van dit standpunten deze intentie kunnen de kerken blijk geven bij monde van de afgevaardigden naar de GOS van 1984. Daarnaast acht de commissie het gewenst de gereformeerde broederschap binnen de GOS te dienen met een helder getuigenis aangaande het gezag van de Schrift in de vorm van een grondige schriftelijke weerlegging van het rapport van de GKN inzake het Schriftgezag. Aangezien dit rapport aan alle lidkerken van de GOS zal worden toegezonden, mag worden aangenomen dat ook vanuit die kring daarop gereageerd zal worden.
Maar een dergelijke reactie mag zeker verwacht worden van kerken als de onze, die de wens te kennen geven tot de GOS toe te treden op een moment, dat dergelijke ingrijpende zaken binnen de GOS aan de orde zijn en dat verstrekkende beslissingen naar aanleiding daarvan in het verschiet liggen.
De commissie is van oordeel, dat de hiervoor beschreven ontwikkelingen binnen de GKN de noodzaak van toetreding van onze kerken tot de GOS nog eens extra onderstrepen,.
Het in ons eerste rapport vermelde appèl van een aantal duidelijk gereformeerde lidkerken van de GOS om hun gelederen te komen versterken komt in het licht van de recente ontwikkelingen in de GKN nog klemmender op ons af. Tevens maakt de commissie u erop attent, dat genoemde schriftelijke weerlegging van het rapport over het Schriftgezag ten diepste van de GOS-1idkerken slechts zinvol mogelijk is vanuit een positie van (aspirant-lidmaatschap van de GOS, en niet vanuit die van een belangstellende buitenstaander.
De commissie verzoekt de Landelijke Vergadering om de afgevaardigden naar de GOS in 1984 in bovenstaande zin te willen instrueren en de commissie te machtigen om onder eigen verantwoordelijkheid en op eigen naam genoemde schriftelijke uiteenzetting te verzorgen.
Voor de commissie,
G. Mul, voorzitter
J. Stuy, secretaris