Naar een federatie met de Chr. Gereformeerde Kerken? (2)
1982-06-11
- Jaargang 26
- nummer 23
De situatie in de CGK
In mijn eerste artikel herinnerde ik aan de staking van stemmen op de CG Synode van Amersfoort bij het voorstel om NG afgevaardigden toe te laten tot de discussies. Die stemverhouding wijst op grote interne verschillen. Hoe liggen die momenteel? Veel wordt duidelijk uit een leerzame speech van ds J. H. Velema voor de CG ouderlingen over "Verschuiving in de prediking" (Ambtelijk Contact 20e jrg. no. 6). Hij zegt dat in de loop der jaren bij veel predikanten een verschuiving optrad, die voluit reformatorisch is. Hij schetst die in zes punten. die ik hier heel beknopt weergeef:
1. geen prediking vanuit de uitverkiezing, maar vanuit het verbond.
2. bij wedergeboorte-prediking wordt de mens teruggeworpen op zichzelf; bij Christusprediking ligt de grond van de zaligheid buiten onszelf.
3. Niet: eerst de wet en dàn het evangelie, maar een schriftuurlijke visie op de juiste verhouding van die twee.
4. een verschuiving van de enkeling naar de gemeenschap (de gemeente).
5. openbare belijdenis niet als belijdenis der waarheid, maar als belijdenis des geloofs.
6. een verschuiving m.b.t. belijden en beleven: de ethische vragen komen meer aan de orde.
Ds Velema stelt zich duidelijk positief op t.a.v. deze verschuiving, maar vreest een doorslaan naar de andere kant. Zijn er predikanten die aanleunen tegen de middenorthodoxie? Ds Velerna stelt het. "Dan zit het er in ~ aldus spreker - dat we onder CG kerkverbandelijke vlag in feite een middenorthodoxe prediking tolereren, waarin de levende God monddood is gemaakt, de diepte van zonde niet wordt getekend, de ontdekking van zondaar en gelovige achterhaald wordt genoemd, de weg tot Christus vanzelfsprekend wordt gevonden en Christus in Zijn ambtelijke dagelijkse bediening niet wordt gepresenteerd - in één woord: een suikerzoete lieve prediking, die geen mens kwaad doet, maar ook geen mens qp de knieën brengt en zaligt", pag. 646. Tenslotte spreekt ds Velema over de rechtervleugel van zijn kerken. Hij vindt daar de organisatie "Bewaar het Pand".
Van haar zegt hij dat ze "op den duur gevaarlijk kan worden en een sektarisch karakter kan gaan dragen". Hij voegt er aan toe: "Men lette op de formulering! i, Intussen maakt hij de opmerking: "Wij willen deze flank niet missen. Als men van flanken spreekt en ik zou moeten kiezen - desneen! - zou ik zelfs voor de rechterflank kiezen. Omdat daar, met alle kritiek die te maken is, de geestelijke prediking veiliger is dan waar het gevaar van de uitgedunde paardenstaart dreigt".
Deze laatste uitspraak stelt me voor veel vragen. De weinig complimenteuze beeldspraak in de laatste zin kan toch nauwelijks bedoeld zijn om ds Velema's reformatorisch prekende collega's te treffen? Op die manier zou er bij ds Velema toch erg weinig vertrouwen blijken in het machtige Woord zelf, dat zij (naar uitwijzen van bovengenoemde zes punten) in alle volheid prediken? Wordt deze uitspraak niet bepaald door een zich toespitsen van de tegenstellingen? Ds Velema spreekt daarover. Hij zegt: ik spreek "over verschillen in onze kerken - verschillen die in de prediking tot uiting komen en die eerder meer dan minder worden, als mijn kerkelijk seismograaf je goed registreert". Hetzelfde valt op te maken uit een interview van ds P. Beekhuis, een vertegenwoordiger van "Bewaar het Pand" (opgenomen door Scheps, Kerknieuws 17 april 1981). Hij zegt dat de standpunten van de verschillende stromingen door de gehouden ambtsdragersconferenties niet dichter bij elkaar gekomen zijn. Hij noemt als illustratie de gesloten kansels en zegt er onder meer van dat de kansels niet alleen gesloten worden door één bepaalde groep, maar door alle. Hij strijdt dan verder tegen een "optimistische verbondsbeschouwing" en klaagt er over dat men tegenwoordig niet meer uitgaat van de “doodsstaat van de mensen", Op deze problematiek hoop ik in een volgend artikel terug te komen. Duidelijk is dat met het bovengegevene de verschillen in de CGK geraakt zijn.
Het is ook duidelijk dat wij - ingeval van een federatievorming - met deze vragen van nabij te maken krijgen.
De kerkordelijke problemen binnen de NGK
Het is duidelijk dat de NGK in de besprekingen van de afgelopen jaren een zekere terughouding hebben betracht. Evenals trouwens de CGK. Beide kerken hebben elkaar nooit ultimata gesteld. Wat ons betreft was het eerste motief voor deze terughouding gelegen in bovengeschetste CG problematiek. De CGK waren niet klaar voor een antwoord op en eventueel "aanzoek" van onze kant.
Het tweede motief was gelegen in de eigen vragen en spanningen. Wilden alle kerken wel een toenadering tot de CGK? En dan waren er de onopgeloste vragen op kerkordelijk gebied.
Reeds direct na de uitstoting van 1968 was duidelijk dat enkele kerken een congregationalistische koers wilden varen. Onder congregationalisme versta ik, ruw geformuleerd, een samengaan van kerken door het 'maken van slechts de meest noodzakelijke administratieve afspraken. Ze pleitten ervoor dat de kerken zich zouden bevrijden van "elk reglementair wetticisme en van de wurggreep van het clericalisme" (ds M. v. d. Berg, De Gekerkerde Kerk, blz. 98) en dat ze zouden terugkeren tot een aantal schriftuurlijke grondregels. Anderen, verreweg de meeste kerken, meenden te moeten blijven bij de principes van kerkvergadering zoals neergelegd in de DKO. De kern daarvan ligt in de bindende afspraken die dienen voor de zuivere bewaring van Gods Woord (de regeling van de examina's; onderschrijving van de belijdenis, bepalingen over censuur e.d.). Alle andere bepalingen zijn daal' tegen aan gegroeid en hangen er mee samen. Bij deze afspraken aanvaardden de kerken ootmoedig elkaars wijsheid en hulp.
Direct na de uitstoting van 1968 ontwikkelde zich over deze materie een levende discussie. Eerst op een drietal conferenties gehouden te Oegstgeest, Utrecht en Baarn. Op voorstel van de kerk van Eindhoven kwam men voor een gesprek van een hele dag bijeen op de Ernst Sillimhoeve te Lage Vuursche. Dat was in 1970 en daar stond het in 1969 verschenen boekje van ds Van den Berg centraal. Op voorstel van Eindhoven verzocht de vergadering de kerk van Zwolle een nieuwe conferentie bijeen te roepen. Zwolle convoceerde de kerken inderdaad (1970), maar dan niet meer voor een conferentie, maar voor een vergadering met besluitbevoegdheid. Deze kerk bleef zich, zoals veel andere, gebonden achten aan de DKO., Hoewel het voor een goed waarnemer duidelijk was, dat de wens van de meeste kerken in dezelfde richting ging, werd geen beslissing geforceerd. Het gesprek bleef de hele dag open. Dat was ook het geval op een voortgezette vergadering in 1971 te Zwolle. Die vergadering besloot echter wel "met grote meerderheid" (notulen) een commissie te benoemen om een vernieuwde kerkorde op te stellen. Sinds dat ogenblik kon onze kommissie van samenspreking de CG deputaten vragen om geduld en vertrouwen. De gesprekken werden voortgezet op het convent van Apeldoorn en op de drie zittingen van de LV te Utrecht (1974/75). De kerken die zich gebonden bleven achten aan de DKO bleven de weg gaan van geduld en gesprek omdat ze hun zusterkerken voor ,seen goud kwijt wilden. Ze herkenden hen veel te goed als ware kerken van onze Here Jezus Christus (vgl. art. 29 NGB).
Dit niet willen loslaten van elkaar om verschillende in de kerkorde meer intussen toch verder gaan op de weg van de kerkorde werd op evenwichtig wijze vastgelegd in de zgn. Praeambule, vastgesteld op de vergadering te Utrecht, die bedoeld was als opschrift boven de kerkorde. Het is niet overdreven te zeggen dat deze Praeambule de zo begeerde rust heeft gebracht.
Dat wil niet zeggen dat daarmee de discussies waren gedoofd. Integendeel.
Bij de bespreking van de redactie van de herziene kerkorde vlamden de oude gesprekken telkens weer op. Nooit werden ze definitief afgesneden. Maar telkens was er ook een verder gaan op de weg. Het lijkt er op, dat die, via Kampen en Wezep nu te Breukelen zijn einddoel nadert. De LV van Breukelen besloot immers in zijn laatste zitting de resterende 32 artikelen "en bloc" over te nemen, zodat nu een sobere kerkorde voor ons ligt van 40 artikelen. Daarmee is een struikelblok op de weg van de federatievorming weggenomen. De CG Synode van Apeldoorn 1966 opende immers de mogelijkheid van kanselruil en intercommunie op voorwaarde van "eenheid in erkenning en beleving van het Woord Gods en de belijdenis der kerken, alsook van de regels die op grond daarvan voor het kerkelijke leven gelden". Als wordt gevraagd naar het verschil tussen onze oude KO en de nieuwe, dan noem ik enkele punten:
1. vereenvoudiging van de zegging.
2. vereenvoudiging vanwege ons kleine getal (b.v. geen P.S.).
3. de overtuiging dat de erkenning van de eigen geaardheid van de plaatselijke kerk het nodig maakt minder af te spreken b.v. t.a.v. de liturgie.
Intussen geeft ons nieuwe art. 40 (deze KO moet veranderd worden als eenheid met andere Geref. kerken dat nodig maakt) voldoende opening naar d toekomst om verder te werken met de CGK.
Als gevraagd wordt welke argumenten in de loop der jaren werden aangevoerd voor handhaving van de DKO, dan noem ik de volgende:
1. de kerken staan in de vrijheid om hun kerkelijk leven in te richten overeenkomstig de eisen van hun eigen tijd. Ze dienen dat te doen naar uitwijzen van de directieven (niet: de bindende voorschriften) van het Nieuwe Testament.
2. Het "recht" in de kerk is nooit wereldjuridisch van aard. Het is altijd gevuld met de gerechtigheid, trouwen liefde van Christus (1 Kor. 13). Het mag dan ook nooit wereldsjuridisch worden bediend, maar alleen in christelijke nederigheid en lankmoedigheid.
3. De kerkorde en de kerkelijke beslissingen van de voorgeslachten bevatten een schat aan wijsheid, die de kerk niet dan tot haar schade kan laten liggen.
4. Het is niet "dienstig om eendrachtigheid en eenheid te voeden en te bewaren" (art. 32 NGB) om Gereformeerde kerken weg te trekken uit hun eigen geschiedenis.