Het Liedboek
1982-06-11
Lied 124 Dit Lied is geheel ontleend aan motieven uit het boek Jesaja speciaal uit de hoofdstukken 9 en 60, en heeft de eenvoud van een echt volkslied. Sinds het in de bundel van Van Woensel-Kooy (Oude en nieuwe zangen) werd opgenomen, verwierf het zich snel een grote populariteit". De 3e regel van strofe 3 die dáár luidde: "naar 't scheen van God verlaten" is gewijzigd in: "van God en mens verlaten" (Comp. p. 350). De melodie is van een der beste kerkliedcomponisten: Melchior Vulpius (1570-1615). De 3e regel wijkt af van het patroon dat men vóór het verschijnen van het Liedboek zong, overigens een versie welke Bach ook al gebruikte." (Comp.) Tekst: 3; melodie: 3.- Jaargang 26
- nummer 23
Lied 125 Het Lied is opgebouwd rond een 5-tal "Messiastitels" , zoals deze ontleend zijn aan Jes. 7 : 14 (Immanuël), Jes. 11 : 1-10 (wortel Isaï), Mal. 4 : 1-3 (Oriënt, opgaande zon), Jes. 22 : 20-22 (sleutel Davids) en Deut. 10: 17-21 (Adonai, gebieder). Een onbekende dichter uit de 12e eeuw heeft naar aanleiding van een nog oudere Latijnse versie deze bouwstenen aangedragen en de refreinregels zijn ook van hem afkomstig (Comp. p. 351). De melodie schijnt van Franse herkomst te zijn en de notering in het Liedboek is pas voor het eerst uitgegeven in 1854. Ze klinkt oud en ligt gemakkelijk in het gehoor. (Comp.) Tekst: 3; melodie: 3.
Lied 126 Onder adventsliederen is dit een van de zeer weinige boeteliederen. De komst van de langverwachte Heiland der wereld wordt hier wel zeer persoonlijk ingewacht: het gaat geheel en alom de enkele mens en zijn ontvankelijke of nog niet tot ontvankelijkheid geneigde hart. Overigens ontbreekt niet geheel een universeler perspectief - dat van Jesaja 40 - waarvan in strofe 2 enkele verzen berijmt zijn, en wel dezelfde die een zo belangrijke rol speelden in de boeteprediking van Johannes de Doper. De beelden uit Jes. 40 associëren zich in de daarop volgende strofe met elementen uit de gelijkenis van de wijze en dwaze maagden". (Comp. p. 353).
De melodie, die ook voor Lied 107 is gebruikt, stamt uit het midden van de 16e eeuw en was, zoals uit tal van liefdes- en geuzenliederen blijkt, zeer bekend en geliefd.
Tekst: 3,; melodie: 3.
Lied 127 "Dit Lied is een loflied voor de adventstijd en een oproep aan de gemeente om de komende Koning te begroeten. Als zodanig wordt ook hier, zoals in zovele adventsliederen gezinspeeld op de geschiedenis van de intocht in Jeruzalem. In strofe 4 wordt aangeknoopt bij de pericoop over de vogels en de bloemen uit Matth. 6. Behalve aan de eerste advent en de Palmzondag wordt vooral gedacht aan de Z.g. tweede advent, de parousia, de wederkomst des Heren". (Comp, p. 357).
De melodie die reeds voor ze in druk verscheen veelvuldig werd gezongen, is op nogal verschillende manieren opgetekend. Het Liedboek geeft de zangwijs in een ritmisch gemakkelijke - maar ook weinig boeiendevorm", aldus de waardering van de musicus Willem Vogel (Comp. p. 358).
Tekst: 3; melodie: 3.
Lied 128 Dit Lied ademt vrij sterk de rooms-katholieke instelling van de in 1591 geboren dichter. Heel duidelijk is dit merkbaar in "de gewaagde voorstelling van de uit de hemel als bevruchtende regen neerdalende en uit de aarde als bloem ontspringende Heiland als een interessante toespeling op de twee-naturenleer. Daarbij valt ten aanzien van dit, van origine katholieke lied tevens te bedenken dat de relatie tussen de jonkvrouwelijke moeder aarde, die door de hemel wordt bevrucht, en de maagd Maria - een in de middeleeuwse en latere vroomheid voor de hand liggende associatie was". (Comp. p. 359). De mooie melodie heeft een indringend en meeslepend karakter, wat niet in de laatste plaats voortkomt uit de ritmiek. Tekst: 1; melodie: 3.
Lied 129 De tekst van dit Lied is niet bepaald doorzichtig te noemen, zodat de overweging ervan allerlei vragen oproept en weinig houvast biedt ten aanzien van de betekenis van de details. Daarmee is de waardering dat het Lied als kerklied onbruikbaar is, voldoende gegeven.
De melodie is niet moeilijk, het tempo moet niet te hoog worden gekozen.
Lied 130 Het werk van de oorspronkelijke dichter van dit Lied wordt door de vertaler als volgt gekarakteriseerd: "zeer bijbels van gehalte, het vrome gevoel krijgt daarin weinig kans. Opmerkelijk is ook dat zij op sterke wijze aan het Oude Testament georiënteerd is." Aan deze typering beantwoordt dit Lied. "Het is wezenlijk een lied voor mensen in nood, die uitzien naar God." (Comp. p. 363).
De melodie is prachtig. "De oplettende kerkzanger zal met het ritme, dat sterke verwantschap vertoont met dat der psalmen, geen moeite hebben."
Tekst: 3; melodie: 3.
Lied 131 Taal en stijl van dit Lied vallen O.i. geheel buiten de profilering van een aanvaardbaar kerklied. Een illustratie hiervan biedt stellig strofe 5. Naast enkele onbegrijpelijke uitdrukkingen ("allereelste vat", strofe 2; "hoe mocht me u blijder boodschap brengen" (strofe 3) zijn o.m. ook aanduidingen als: Prince groot - arme doekskes - 's hemels geesten - bloot ende naakt - in 't midden va nde beesteno Iesu zoet (strofe 4, 5 en 6) daaraan debet.
"De melodie was in de gehele 17e eeuwen ook daarna nog geweldig geliefd, in talloze liedboekjes vinden we haar genoteerd".
Tekst: 1; melodie: 3.
Lied 132 De inhoud van dit Lied is sterk betrokken op Maria, die de hele middeleeuwen door in de geestelijke poëzie als roos wordt aangesproken. "Uiteraard was het voor ons de vraag wat wij precies met dit Maria-lied aanmoesten. Het is echter in verschillende gekuiste vormen zozeer geliefd geworden, dat het niet aanging het weg te laten", aldus de dichter, die een eigen versie heeft gemaakt. Naar onze mening evenwel is het toch teveel een Maria-lied gebleven om acceptabel te zijn.
De over de gehele wereld bekende kerstmelodie is erg mooi en daarmee een betere tekst waardig.
Tekst: 1; melodie: 3.
Van verschillende zijden hebben ons vragen bereikt omtrent de mogelijkheid van het afzonderlijk uitgeven van de beoordeling van de Liederen, zoals dze in Opbouw worden gepubliceerd.
In verband daarmee is het wenselijk na te gaan hoe groot de belangstelling daarvoor is, teneinde o.m. de kosten hiervan te kunnen bepalen. Bent U hierin geïnteresseerd, wilt U dit dan uiterlijk eind juni ons doen weten?
Liturgische Werkgroep Eindhoven, p/a H. J. Houtman, Brunelleschiweg 2 - 5624 CT Eindhoven
A. t.a.v. de tekst der liederen:
het cijfer 1 bij niet voluit Schriftuurlijke tekst, b.v. vanwege het humanistiscl:l karakter of door een sterk piëtistische inslag;
het cijfer 2 bij een weliswaar Schriftuurlijke, maar niet direct begrijpelijke, en aanspreekbare tekst;
het cijfer 3 als de tekst volkomen Schriftuurlijk en zonder meer verstaanbaar is.
B. t.a.v. de melodie der liederen:
het cijfer 1 voor een niet-aanvaardbare melodie;
het cijfer 2 voor een onbekende melodie di.e na enige oefening, eventueel met behulp van een koor, door de gemeente wel te zingen is en voorts ook voor een melodie die niet bepaald tot "de beste" behoort;
het cijfer 3 voor “een goede" melodie, geschikt voor degemeeotezang.