EMIGRATIE
1981-03-06
Gisteren waren we een dagje naar Glasgow. Naar de vreemdelingenpolitie.- Jaargang 25
- nummer 9
Voor een jaarlijkse melding, hetgeen opnieuw voor een jaar verlof geeft om hier te wonen. Lach niet om deze mededeling - we wonen hier op een groot eiland, weliswaar aangesloten bij de Europese Gemeenschap, maar daar niet altijd van bewust.
Een dagje naar Glasgow dus. Bij de gratie van de U.K. overheid mogen vijfenzestigplussers een aantal winterdagen voor f 1.- het helle koninkrijk bereizen en dat pondje hadden we er best voor over. Net als op de Veluwe voelen wij ons echt provincialen en als we de wereldstad inkomen zijn we weer boertjes van buut'n. De politieambtenaren hielpen ons op de vriendelijkste wijze aan een stempel en vonden zelf dat jaarlijkse rapport een malle vertoning. Toch zit daar iets in. De verblijfsvergunning markeert namelijk, dat wij hier geen emigranten maar gasten zijn. We hebben zelfs moeten aantonen, dat wij een aantal banden met het vaderland aanhielden en (indien nodig) te allen tijde in Nederland weer geaccepteerd zouden worden. En dat bracht ons op het onderwerp emigratie.
Wat is emigreren eigenlijk? Emigreren is in elk geval niet: een vacantie, of een verblijf buitenslands, zelfs niet een langdurig of levenslang verblijf in een vreemd land. Emigreren is: uitwijken, ontvluchten, zijn land verlaten wegens godsdienstige of politieke motieven of ook om elders zijn geluk te zoeken. En dan verstaat de Nederlandse overheid onder emigratie bovendien een vertrek naar buiten Europa.
Wij gereformeerden kennen de emigratie vooral uit de vorige eeuw, toen het hier een aantaf afgesoheidenen te moeilijk werd om te blijven. Ook kennen we de emigratie uit moeilijke tijden, toen velen hun geluk in het steenrijke Amerika zochten. Ook na de laatste wereldoorlog zijn velen om godsdienstige redenen vertrokken. Bovendien emigreerde een aantal Nederlanders, die het "niet meer zag zitten" in een land, dat normaliter door oorlog en bezetting gedevalueerd was, waarin veel mensen met gewetens waren omgebracht en waar het recht op de helling ging. In 1952, toen de vrees voor een nieuwe wereldoorlog oplaaide, waren het 48.600 landverhuizers, die elders een nieuw vaderland zochten.
Dat jaarcijfer daalde regelmatig, tot een dieptepunt van 3000 in 1978.
Nadien steeg de jaarlijkse export weer en die stijging zal nu wel toenemen.
Maar de motieven zijn geleidelijk anders geworden. Zijn het nu geen politieke of godsdienstige vluchtelingen, of gelukzoekers, - vandaag is de vlucht uit Nederland vooral te zien als een zoeken naar levensruimte. Een gedicht op het voormalige burgerweeshuis in Amsterdam's Kalverstraat begint met: "Wij groeien vast in tal en last" en wat daar verder volgt. Zo is het met ons Nederland: veertien miljoen gezellige lieden op ons dierbaar plekje grond. Het is aan de hoge kant.
De eigenaar van een Veluws vacantiebedrijf zei eens: "de stadsbewoners zijn bang van de ruimte. Als ze het bos in willen durven ze niet meer dan dertig meter te gaan. Dan gaan ze zingen of radiomuziek maken. Net als bange negers. 's Avonds zitten ze tussen de tentenrijen als in een straatje en ze gebruiken de Veluwse bossen als coulissen voor hun stadsvermaak".
Dat klonk toen wel vreemd in de tijd van "de paden op, de lanen in" en in een tijd, waarin men wel "terug naar de natuur" zeide te willen. Maar iemand, die honderdduizend zomergasten gadeslaat, zal wel weten, waar hij het over heeft. En overigens is deze uitspraak al weer wat jaren oud.
In die jaren groeide ons land verder vast in tal en last. Als we de aanzwellende kreten over milieu-bederf en gebrek aan frisse lucht beluisteren, krijgen we de indruk dat meer Nederlanders het risico van eenzaamheid gaan prefereren boven de zekerheid van het vastgroeien.
Het geluk ligt dan, bij deze gelukszoekers, niet meer op het niveau van inkomen - maar op het niveau van een zindelijk leefmilieu, desnoods tegen de prijs van inkomen, sociale zekerheden en weelde.
Trouwens - wat zijn al die economische voordelen waard, wanneer daar niet meer voor geleden en gestreden hoeft te worden? Is het niet begrijpelijk, wanneer jonge mensen die nog strijdlust kennen de ongevraagde luxe beu zijn? Die voelen aan dat gezondheid, levensvreugde, blijdschap om en met de schone natuur en vooral: ruimte om te leven ... belangrijker waarden zijn dan rookgerei, alcohol, sociale dans en verzekering van de wieg tot het graf; dit alles in een stinkend vaderland.
Het is dus de vraag naar ruimte die vooral de emigratie steunde. De half miljoen Nederlanders, die sedert 1946 ons land verlieten, zijn voor ruim tweederde naar Australië en Canada vertrokken, terwijl de Verenigde Staten goed waren voor ruim 28 procent - allemaal landen met ruimte.
Onder Australië hebben we Nieuw-Zeeland mede begrepen en dat heeft een bevolkingsdichtheid, gelijk 1/37e van de Nederlandse bevolkingsdichtheid.
Er is een biologische theorie, gesteund op experimenten, over de ratten.
Zet je een exemplaar in een kooi, dan kniest hij zich dood. Zet je er twee bij elkaar, dan krijg je een hele familie. Zet je er tien bij elkaar, dan is het een gezellige boel. En laat je dat stel tot honderd uitgroeien ... dan vreten ze elkaar op van narigheid.
Er is dus een grens tussen gezelligheid en overbevolking. Nederland heeft een der allerhoogste bevolkingscijfers ter wereld: 412 per vierkante kilometer.
Nieuw-Zeeland rit op 11/km2. Zul je ginds blij zijn als je een menselijk gezicht ziet - hier ben je blij, als je eens even rust vindt. Ons dierbaar plekje grond is, zonder de binnenwateren, ongeveer 34.000 km2 groot en bergt dan 14 miljoen inwoners; dat is meer dan het dubbele van wat wij op de schoolbanken leerden. En nog is het einde niet. Want de voorspelling van de wereldbevolking (thans 4.3 miljard) wordt voor het jaar 2000 geschat op 6.1 miljard, waarvan Azië en Rusland alleen al 2.9 miljard voor hun rekening nemen. Deze cijfers zijn natuurlijk niet vast, kunnen door allerlei factoren beïnvloed worden, zijn echter gemiddelden van reële verwachtingen. En kan zulk een toename in Nieuw-Zeeland waarschijnlijk zonder moeite verwerkt worden - ons landje zal met 20 miljoen (dat is bijna 600 man op een vierkante kilometer) er niet zonder krakend kleerscheuren er af komen.
Er is nog een verschijnsel, dat de band met een vaderland losser maakt.
Het toenemend verschijnsel namelijk van bevolkingsspreiding. Niet alleen vindt de emigrant in het buitenland gemakkelijker landgenoten - maar in het eigen land neemt het aantal oneigenlijke landbewoner angstwekkend toe.
Frankrijk, om een voorbeeld te noemen, telt 54 miljoen inwoners, waarvan vier miljoen buitenlanders, waarvan ruim 2 miljoen niet-blank is.
In ons land verblijven 476.000 vreemdelingen, alleen al in 1979 was dat een toename van 44 duizend. Dat zijn 180.000 Surinamers, 121.000 Turken, en 73.000 Marokkanen, waarbij gezegd moet worden dat de geregistreerde Surinamers, evenals de Molukkers, recht hebben op de naam van Nederlanders. Tegenover Frankrijk heeft ons land dus aanmerkelijk minder buitenlanders, maar... de bevolkingsdichtheid is in Frankrijk slechts 99 per vierkante kilometer!
Voordat, honderd jaar geleden zowat, het Wilhelmus tot nationaal volkslied werd aanvaard (het was in de tijd van Van Vloten's ontdekking van Valerius' Nederlandtsche Gedenckclanck) hadden wij Toliens' volkslied: Wien Nêerlands bloed door d'aadren vloeit, van vreemde smetten vrij ...
En wat daar verder aan humbug moge volgen. Daar moeten we aan denken, wanneer we bijna de helft van de Surinaamse bevolking onder ons weten. Men behoeft waarlijk geen nationalist te zijn om met zorg aan onze dochters en kleindochters te denken, wanneer het bloed van vele volken gemengd gaat worden. Want "van vreemde smetten" is ons land nooit vrij geweest: een massale import van Duits, Frans, Spaans en ander bloed heeft "Neêrland's bloed" gevormd. Maar daarbij ging het vrijwel alleen om import van gelijksoortig ras. De import van anderssoortige rassen kan onafzienbare gevolgen hebben.
Tenslotte is er nog een factor, die met emigratie te maken heeft. Op de Veluwe - die met zijn schrale bodem een armelijk bestaan je en honger bood - zijn in vroeger eeuwen steeds de meest-ondernemende jongemensen vertrokken, Ze gingen in de zomermaanden elders werken en bleven aan boetemeiden hangen, kwamen niet terug. Ze hadden geen spijt en voeren er wel bij. In Schotland ging het op soortgelijke wijze. De ondernemende jongemensen, die in het arme en verdrukte land het niet langer zagen zitten, trokken met duizenden naar Canada, Australië, Nieuw-Zeeland.
Ze betreurden het nimmer, al bleven ze het heimwee koesteren en proberen allemaal voor hun dood bonny old Scotland terug te zien. Het is hun wel gegaan. Zo verliest een land door emigratie dikwijls zijn moedigste en ondernemendste mensen. Dat is een trieste zaak, die echter onvermijdelijk is.