De verloren zoon

1981-03-06
  • Jaargang 25
  • nummer 9
Binnenkort hoop ik een serie artikelen te publiceren met als titel "Dichters en hun ouders". Helaas moet ik er voor mijn gezondheid een poosje tussenuit, zodat die serie even moet worden uitgesteld. Om U niet te lang zonder gedichten in Opbouw te laten zitten, schrijf ik dit artikel aan die serie vooraf.
't Gaat dit maal over de verloren zoon.

Het eerste gedicht is van Geerten Gossaert en heeft als titel

DE MOEDER

Hij sprak en zeide
In 't zaël zich wendend:
Vaarwel, 0 moeder,
Nooit keer ik weër .....
En door de lanen
Zag zij hem gaan en
Sprak geen vervloeking maar weende zeer.

Sprak geen vervloeking .....
Doch bijna blijde,
Beval den maegden:
Laat immermeer
De zetels staan en
De lampen aan en
De poort geopend, de slotbrug neer.

En toen, na jaren,
Melaatsch een zwerver
Ter poorte klaagde:
Uw zóón keert weer .....
Zag zij hem aan en
Vond geen tranen,
Voor zooveel vréugde geen tranen meer.

Het is wel biezonder fijn getypeerd. Er is een kasteel waar een moeder en zoon wonen, met de nodige gedienstigen. De verhouding van de zoon tot zijn moeder is, ronduit, slecht. Hij is, waarover dan ook, zeer verbitterd.
Hij wil weg, en nog wel voorgoed.
Hij zit al op z'n paard als hij, in't zadel zich omdraaiend, uitroept: "Nooit keer ik weer!"
De moeder kijkt hem verbijsterd na. Ze kon alleen maar huilen. Maar één ding wist ze zeker: "Hij komt terug."
Daarom moet alles op het Slot zo blijven als 't is dan kan hij bij terugkomst zijn moederhuis 'herkennen. Dan ziet hij dat hij welkom is.
Dat is echte moederliefde.
Na jaren staat er een gehavend man voor de Slotpoort. De zoon is terug.
Moeder herkent hem en heeft geen tranen meer om haar blijdschap uit te huilen. Zo is moederliefde.

Nu een gedicht over de verloren zoon waarover Jezus heeft gesproken.
Het is een gedeelte uit het gedicht Masscheroen 1941 van W. A. P. Smit.
In dat lange gedicht klaagt de duivel God aan over de bende die er van de wereld geworden is. Als de inwoners van het Hemels Jeruzalem dit alles hebben aangehoord zijn ze zo geschrokken van de wijze waarop de mensen omgaan met Gods schepping, dat ze uitroepen dat God de hele wereld maar moet vernietigen.
Maar dan komt aan het woord: Jezus de Christus, God zelf en Gods Zoon:

"Hoe zijn zo vreesachtig en klein van geloven
Wie wonen met God in Zijn paradijs!
Gaat Hij niet oneindig Zijn schepsels te boven,
Zodat Hem niet aantast hun blaam of hun prijs?

Eén woord slechts behoefde Mijn Vader te spreken,
Eén enkel gebaar was genoeg van Zijn hand,
Om de onwil der mensen als rijshout te breken
En de aarde te dwingen in hemels verband."

"Maar toen de verloren zoon
Van de hoeve ging,
Koos de vader geen toon
Van verbittering.

Met een dwingend verbod
Was de reis wel belet,
Had de zoon wel zijn lot
Weer gevoegd naar de wet.

Maar hij was dan geweest
Niet waarlijk een zoon:
Slechts een slaaf is bevreesd
Voor des meesters geboön.

En daarom liet hem zijn vader gaan
Met een glimlach en een groet.
En bleef hij zo lang ter poorte staan
Tot reeds ver zich zijn zoon had gespoed.

Toen eerst verkeerde zijn glimlach in rouw
En leunde hij zwaar aan de wand;
Want hij wist dat zijn zoon zich verliezen zou
In de zonden van 't goddeloos land.

Maar óók dat voor altijd in 't hart van zijn kind
Hij zou staan aan de open poort,
Met het teder gebaar dat de liefde vindt
En dat tot thuiskomst bekoort."

Dat teder gebaar van den Vader ben Ik,
Het gebaar dat Zijn liefde vond
Om weg te nemen de ban van de schrik
Waarmee hen de zonde bond.

Wat deert dan den Vader het uur van de dag,
Waarop Hij Zijn kind weer begroet?
Hij weet, dat wie eenmaal Zijn liefde zag,
Tot Hem wel terugkeren moet!

Dit gedicht is zo duidelijk dat het geen enkele verklaring behoeft. God is onze Vader in Jezus Christus en we zijn welkom aan de Hemelpoort als we op Hem vertrouwen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief