Dichters over hun ouders (1)

1981-03-20
  • Jaargang 25
  • nummer 11
Het is vanzelfsprekend dat diegenen onder de mensen die zich uiten kunnen in het wonder van de poëzie, ook hun vader en moeder niet vergeten.
Daar zou ik graag eens iets van doorgeven.
Omdat ik op deze gedachte kwam door een gedicht van Guido Gezelle over zijn moeder, wil ik daarmee maar beginnen.
Eerst iets over de dichter zelf. Hij werd geboren in 1830 te Brugge. Zijn vader Pieter Jan Gezelle gaat door voor een nogal vrolijke man, terwijl zijn moeder, Monica De Vries, als een nogal introverte, wat melancholieke vrouw wordt beschreven.
Nu, Guido heeft van beiden wat meegekregen.
Zoals bekend, heeft de dichter zijn leven doorgebracht als priester. De opleiding daarvoor heeft zijn ouders echt opoffering gekost. Zij waren niet arm, maar ook bepaald niet rijk. Vader was tuinman en moest het brood verdienen voor vijf kinderen, waarvan ei drie voor priester studeerden.
Guido heeft een heel goede herinnering aan zijn ouders. Zijn moeder heeft hij herdacht in het bekende gedicht:

Moederken
't En is van u
hiernederwaard,
geschilderd of geschreven,
mij, moederke,
geen beeltenis,
geen beeld
van u
gebleven.

Geen teekening,
geen lichtdrukmaal,
geen beitelwerk
van steene,
't en zij dat beeld
in mij,
dat gij
gelaten hebt,
alleene.
o Moge ik,
u onweerdig,
nooit
die beeltenis
bederven,
maar eerzaam
laat ze leven
in mij,
eerzaam in
mij sterven.

Hij mag dan zelfs geen foto van zijn moeder hebben, haar beeld draagt hij in zijn hart.
Over zijn vader heb ik, ondanks veel zoeken, geen gedicht kunnen vinden.
Wel is er van Guido Gezelle een gedicht bewaard dat de titel draagt: "Vader overleden". Die woorden waren de tekst van een telegram, dat hem de dood meldde van zijn broer Romaan. Het was hem toegezonden, dat is duidelijk, door één van de kinderen van de overledene.
't Is te mooi om het u te onthouden.

Vader overleden
o Al te kwade boodschapper,
die, bitsig als een horselbie;
die, stekende als een degenstoot;
die, snel gelijk den bliksemslag:
die, stom en doof, noodzakelijk,
te mijwaard op de snaren
komt gevlogen van de teekendraad!
Te gauwe, ach armen,
vindt ge mij en biedt gij,
in uw bitsigheid, de boodschap, -
en geen troost daartoe!
dat "VADER OVERLEDEN" is!
Ge'n zegt niet hoe hij,
vroomgezind, zijn kruise
en zijn ellenden droeg;
g'en zegt niet, echt en recht,
hoe hij , onwankelbaar
geloovig en vertrouwende
in Gods goedheid was;
g'en zegt niet hoe
beneën den bast van
buitenwaardsehe onteederheid,
hij teërheid in zijn herte borg;
g'en zegt niet hoe,
van 's morgens vroeg tot 's avonds,
hij was werkzaam;
hoe 't gevaar hij niet en minde,
niet en vreesde, daar 't de plicht beval:
g'en zegt niet hoe nauwkeuriglijk hij omzag,
daar te zorgen viel voor
kinderlijke onschuldigheid;
g'en zegt niet hoe noch wat hij was,
vóór God en vóór de menschen:
gij en steeks me ... en gij stoot me
maar door 't herte dat hij henen is,
mijn broeder!
Van geen zielenruste en rept gij!
Och, hoe hertelcos doorslaat mij
nu die bliksemslag en biedt hij mij,
in zijn bitsigheid, de boodschap,
- en geen troost daartoe!
dat "VADER OVERLEDEN" is!
Zijn ziele God genadig zij!
o Al te kwade boodschapper!

Tot zover Guido GezelIe.

Volgende keer D.V. laten we Achterberg aan het woord.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief