Dichters over hun ouders (2)
1981-03-27
Wij zouden dit keer bij de dichter Gerrit Achterberg gaan luisteren naar wat hij over zijn ouders, in dichtvorm, heeft gezegd.- Jaargang 25
- nummer 12
Zoals U wel zult hebben gemerkt is deze dichter vorig jaar nogal in het nieuws geweest. Dat had als reden dat hij, als hij nog had geleefd, dan 75 jaar zou zijn geworden.
Hij is n.l, geboren op 20 mei 1905, in een oerdegelijk, streng christelijk boerengeslacht te Neerlangbroek bij Doorn. Hij was de laatste van het gezin, dat 7 kinderen telde, 2 jongens en 5 meisjes. Z'n oudste broer kwam op de boerderij te werken en Gerrit moest, zo vond vader, dan maar schoolmeester worden. Toen hij 19 jaar was behaalde hij zijn onderwijzersdiploma en werd 1 juli 1924 benoemd aan de Hervormde lagere school te Opheusden. Hij is niet lang bij het onderwijs gebleven. In 1930 werkte hij in Den Haag en later in Utrecht, waar hij een administratieve functie vervulde.
Hij was, wat men toen noemde, crisisambtenaar.
In die tijd vond de dramatische gebeurtenis plaats, die zijn verdere leven grotendeels heeft bepaald. In een overspannen toestand schoot hij zijn hospita dood en verwonde haar dochter.
Hij is voor deze daad niet gestraft, omdat hij niet verantwoordelijk kon worden gesteld vanwege de zeer overspannen toestand waarin hij verkeerde.
Hij is jaren in een inrichting verpleegd.
Gelukkig is er toch nog een goede tijd voor hem aangebroken. In 1946 trouwde hij met Catrien van Baak, met wie hij reeds correspondeerde toen zij 16 en hij 19 jaar was. Met haar heeft hij nog een goede tijd gehad. De dichter stierf in 1962, hij was toen 56 jaar.
En nu dan de dichter over zijn ouders, te beginnen met een gedicht over zijn vader. Die was, dit even terzijde, toen de dichter stierf, al 91 jaar oud.
Eben Haëzer
Besloten zaterdagavond bij ons thuis,
Mistvoeten liepen sluipend langs de schuur.
Er was geen ziel meer buiten op dat uur;
de blauwe boerderij een dichte kluis.
Daar woonden wij bijeen met man en muis.
Door koestalraampjes viel een richel vuur
uit goudlampen op deel, eeuwig van duur
en stil van lijnkoeken en hooi in huis.
Mijn vader celebreerde er de mis:
de koeien voeren, plechtig bij de koppen.
Hun tong krult om zijn handen als een vis.
Een schim, diagonaal tot in de nokken.
Godsdienst hing zwaar tegen de hanebalken.
Zijn aderen beginnen te verkalken
Op zaterdagavond moest er nog heel wat gedaan worden op de boerderij, maar je voelde dat de zondag al op komst was. Althans zo ervaarde het de dichter. Hij zag z'n vader de lijnkoeken ronddelen aan de koeien: Neemt en eet. Vader droeg de mis op. De krullende koeientong doet hem aan een vis denken, en suggereert nog sterker het bijna religieuse karakter van het doen en laten van zijn vader.
De Vis is immers het Christus-symbool.
Vader was de priester in huis. In de slotregel laat de diohter zien dat de kracht van vader niet oneindig was. 't Moest tenslotte niet van hem komen.
Eben Haëzer, tot hiertoe heeft de Heere ons geholpen.
Nu een gedicht over zijn moeder.
Moeder
(1)
Mijn moeder is een grijze vrijdagmorgen:
zij moet de kamer doen; stof beeft;
dan dweilen, voor het eten zorgen,
zien wat van gisteren overbleef.
Ik ben in haar liefde geborgen,
die elk verhaal der wereld overleeft;
wie ik ook werd, wij eten overmorgen
de koek die zij gebakken heeft.
Wanneer de zondagmorgen is ontloken
staat heel haar leven in de blijde bloei,
waarin mijn wezen moet zijn aangebroken,
omdat ik dan niet meer gevoel
hoe door de dood is aangestoken,
wat bij een andere vrouw begon.
De dichter die, na de grote gebeurtenis in zijn leven, nog een tijd bij zijn ouders heeft doorgebracht, ziet, als hij daar aan terugdenkt, zijn altijd bezige moeder weer druk aan 't werk. Hij typeert dat prachtig door die regelrechte beeldspraak: Zij is een grijze vrijdagmorgen. De vrijdag was vroeger voor de huisvrouw, ook als ze oud en grijs geworden was, de drukste dag van de week. De dichter ziet in de ijver van zijn moeder haar liefde voor het gezin, een liefde waarin ook hij zich geborgen weet.
Op zondagmorgen, als 't werk blijft liggen en er echt een Dag des Heeren wordt beleefd, is het de blijdschap van moeder die hem zijn verdriet doet vergeten. Hij heeft dan toch weel enig zicht op de vergeving, ook van de vreselijke zonde die hij begaan heeft.
Tenslotte het tweede deel van dit gedicht.
Moeder
(2)
Ik zat met moeder aan de haard, zij breide
en ik deed niets dan cigaretten roken.
Ze zei: jongen, je moet niet zoveel roken;
je moet er vanaf morgen mee uitscheiden.
Ik ben het haardvuur nog wat op gaan stoken;
horende hoe het zachtjes in mij schreide,
omdat het niet kon worden uitgesproken,
wat zich vlakbij voor eeuwig wou bevrijden.
Dit gedicht spreekt boekdelen. Als hij, met z'n moeder in de kamer zit, zou hij 0 zo graag alles eens uitpraten. Maar hij durft dat niet. Vandaar dat ene cigaretje na het andere. Een mens wil z'n onrust toch kwijt. 0, als hij toch eens had doorgezet en zijn hart had geopend voor haar, dan zou ze hem zeker verteld hebben over God oneindige barmhartigheid die alle kwaad, waarover de mens oprecht berouw heeft, werpt in de zee van eeuwige vergetelheid. Maar helaas, hij dorst er niet over te beginnen, en stak dan maar weer een rokertje op. Zo is de mens. En een dichter kan dat in een klein aantal regels heel, heel duidelijk en aangrijpend zeggen.
Tot zover Gerrit Achterberg.
Volgende week, D.V. hopen we te luisteren naar J. C. Bloem.