Zo was het (49)
1981-04-03
Men heeft uit m'n verhalen wel de gevolgtrekking gemaakt, dat ik van meerdere vergaderingen helemaal niets zou willen weten. En dat ik een landelijke vergadering maar een onding zou achten. Maar dat is mijn mening niet. Doch meerdere vergaderingen moeten m.i. zaken behandelen, die alle kerken aangaan. En ze mogen en moeten naar mijn overtuiging de vrijheid en de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeenten niet aantasten. De naam synode voor een landelijke vergadering prijs ik niet. Is m.i. te zwaar belast. En ze moet zich niet bezighouden met zaken, die een plaatselijke kerk wel af kan. Moet een meerdere vergadering voorschrijven wat een gemeente mag zingen of niet-zingen? Moet zij bepalen hoe het Heilig Avondmaal moet worden gevierd? Als ik het wel heb stond in de Dordtse K.O., dat het Avondmaal zou worden gehouden "het formulier daarvoor gelezen zijnde". Moet in een K.O. geregeld worden hoe lang ambtsdragers mogen blijven in de kerkeraad en hoe de verkiezing moet worden geregeld? Deze vragen kunnen met andere worden vermeerderd. En mijn antwoord zal voor de lezers wel 'duidelijk zijn .Zaken die wél regeling behoeven zijn bijv. de goede verzorging van emeriti (uitgedienden), En de opleiding? Mogelijk wel, maar onder één beding: de vrijheid van studie is naar ik meen steeds voorgestaan door "onze vaderen". Die zou ik willen handhaven. En voorts zou ik de brs. ambtsdragers-afgevaardigden willen toewensen "wijsheid die van boven is". Wijs zou het zijn dunkt mij om zich bij alle handelingen af te vragen, welke aanwijzingen geeft de Schrift voor de samenleving van plaatselijke, vrije en zelfstandige kerken.- Jaargang 25
- nummer 13
Nog één zaak zou ik willen noemen. Niemand verbeelde zich dat organisatorische, institutionele maatregelen de echte éénheid der kerken zouden kunnen bewerken. Als ik wèl ben ingelicht bestaan er hier en daar in één plaats twee kerken, die behoren tot één verband. Terwijl ze plaatselijk vrij ver van elkaar staan. Bijv. één met-t.v. en een ander zonder-t.v, Wordt de echte éénheid bevorderd door het feit, dat een paar ambtsdragers viermaal per jaar naar een meerdere vergadering worden afgevaardigd?
Maar nu dan weer "zo was het". In de laatste tijd van de laatste oorlog was contact met de classis van Apeldoorn onmogelijk. Of daar een vergadering van de helft der kerken werd gehouden is mij met bekend. Maar van de gemeente van V. kwamen er geen afgevaardigden.
Want de weg van V. naar Apeldoorn was te gevaarlijk Dus konden een zestal kerken, de westelijke helft van de classis, niet op de classis zich vertegenwoordigen. Wij, de kerkeraad en de gemeente van V., leefden zelfstandig en vrij. Ik zeg niet dat we in normale tijden erg onder het juk van de classis gebukt gingen.
Maar of de classis al of niet vergaderde maakte voor ons weinig of liever geen verschil. Het ging met het gemeentelijke leven even slecht of even goed als in tijden dat de normale classis wèl kon samenkomen.
Maar volgens kerkelijke regel hadden wij de classis nodig, toen in de gemeente de wens leefde een tweede predikant te beroepen. Het was een tijd van overvloed van candidaten. In V. was een hulpprediker benoemd, die intussen een beroep had ontvangen en aangenomen.
Toen werd weer een hulpprediker benoemd. En die viel zo in de smaak van kerkeraad en gemeente, dat er stemmen opgingen: laten we deze jongeman beroepen. Ik was het daarmee hartelijk eens. Een gemeente van ongeveer 1350 zielen had m.i. al lang een tweede predikant moeten hebben. Wij wilden hem dus graag beroepen.
Maar toen was "leiden in last". Dat vonden tenminste enkele collega's en ook wel leden van de kerkeraad. Over het algemeen broeders, die van vaste regels hielden. Vooral één collega zei, dat beroepen en aanstellen van een predikant onmogelijk was. Want voor een beroep was "approbatie" of goedkeuring van de classis nodig. En een classicaal examen. Dat was alles onmogelijk, want de classis kon niet in z'n geheel samen komen, Volgens hem moesten wij maar wachten tot de oorlog voorbij was.
De kerkeraad was het daarmee niet eens. Desnoods waren wij bereid om op eigen gezag de betrokkene als tweede predikant te beroepen.
Dát vond m'n collega wel totaal buiten de orde.
Tenslotte vonden we met mekaar deze oplossing: we zouden als halve classis vergaderen.
Examinatoren werden gevonden in die kleine kring. Bedoelde candidaat werd onderzocht en met algemene stemmen toegelaten. Zonder approbatie van de normale classis. Naar ik meen ook zonder aanwezigheid van een deputaat (afgevaardigde) van de P.S. (particuliere synode).
Naar mijn herinnering is over deze gang van zaken later door de volledige classis geen aanmerking gemaakt. Ik herinner mij niet dat er ooit over gesproken is.
Nu zal men zeggen: Het was een abnormale tijd en dan zijn abnormale handelingen wel eens noodzakelijk. Dat geef ik toe. Maar stel wel de vraag of we van zulke abnormale omstandigheden en handelingen soms iets kunnen leren?
M.i. is dat wel mogelijk. En ook wel nodig.
Daar mogen betrokkenen weleens aan denken.
AI heeft een regeling eeuwen bestaan, daarom is zij nog niet goed.
En nu moet ik denken aaneen andere abnormale toestand, waarvan we mogelijk wel iets kunnen leren. De toestand van de gemeente in een concentratie-kamp. Begin 1944 heb ik in gevangenis en kamp doorgebracht. Om een kleinigheid: tussenpersoon was ik geweest bij het onderdak verschaffen aan een onderduiker.
In de gevangenis heb ik ervaren wat de "lik" is.
En in het concentratiekamp wat het is een nummer te zijn. Geleden heb ik er niet aan en achteraf ben ik niet verdrietig beide te hebben meegemaakt. Al was het maar enkele weken.
Maar ik wou iets vertellen over het leven van een gemeente in het kamp. Een gemeente is het geheel van állegelovigen. Van álle christenen.
Die hun heil buiten zichzelf zoeken in Jezus Christus. Dus niet in een kerk of organisatie van welke aard dan ook. Het was in het kamp vanzelf een abnormale toestand. Er was geen kerkgebouw, ook geen kerkeraad of meerdere vergadering. Maar er was wel een gemeente. De tegenstelling tussen geloof en ongeloof was nu duidelijk merkbaar. Er was een wonderlijke openheid voor elkaar. Die was er bij allen. Ik sprak eens in de barak van Pilips, waar veel mogelijk was, een kwartier of twintig minuten over Joh. 3 : 16. Na afloop kwam iemand naast mij zitten aan de werkbank en hij zei: Is dat nu het Evangelie? En die man vertelde mij, wildvreemde, zo maar iets uit z'n leven. Hij was rooms opgevoed. Maar tijdens de eerste wereldoorlog was hij gaan twijfelen. En tenslotte had hij met het roomse "geloof" gebroken en had z'n heil gezocht in de sociaal-democratie. Maar daarin had hij "het" ook niet gevonden. En nu was hij op zoek naar iets, dat houvast in het leven gaf. Toen heb ik getracht de hoofdzaak van het Evangelie hem bij te brengen. Een collega, ds Dondorp gaf "catechisatie" aan een, zoeker. Nooit en nergens kwam de tegenstelling tussen geloof en ongeloof zo duidelijk uit als in het kamp. Daar heb ik de meest gruwelijke lasteringen en uitingen van goddeloosheid gehoord.
Het meest bij hollanders. Maar daar heb ik ook gezien hoe christenen in de grootste gevaren vastheid kunnen hebben door het geloof in Gods beloften. Er waren onder ons zogenaamde roodpunten. Mensen, die volgens de duitsers gevaarlijke gevangenen waren. Ze hadden een rode stip op de rug van hun gevangenispak.
Zij moesten speciaal in de gaten gehouden worden. Ze konden elke dag voor het vuurpeleton gezet worden of naar een kamp in Duitsland worden overgebracht. En zij leefden rustig en soms nog vrolijk voort. Dat konden ongelovigen niet begrijpen. Hoe was dat nu mogelijk? Ons antwoord was: dat is mogelijk omdat ze overtuigd zijn, dat niets hen van de liefde Gods kan scheiden. Zo kwam het geloof uit èn het ongeloof in de dagelijkse omgang. En 's zondags kwamen we één keer samen in een lege barak. Ais gemeente van Jezus Christus.
Oogluikend werd dit toegestaan door de autoriteiten.
Van alle kanten kwam men 's middags, na het werk, naar de lege barak geslopen. Een barak van louter beton of steen. Het was er winters koud. Daar stonden dan een 600 mannen in vrij dunne kleren. Op een betonnen vloer. Er was één stoel of tafel "georganiseerd".
En daarop staande hield één van de do's een preek. Nu eens een hervormde, dan een gereformeerde of een chr. gereformeerde of een pastoor. En we zongen daverend bekende psalmen.
Daar werd niet gevraagd bij welke kerk we behoorden. Tenminste niet met de bedoeling om daar eens een hartelijk woordje over te wisselen. Het was bijkomstig. Er waren "bezwaarden" en "synodalen". En daar spraken we wel eens over. Maar allen vonden het onbegrijpelijk, dat een synode beweerde dat er in de kerken grote onrust heerste en dat men daar een "halszaak" van maakte. We voelden ons één in de hoofdzaak van het Evangelie. Ik heb daar geen avondmaal meegemaakt. Maar ben er zeker van dat ik met volle overtuiging avondmaal gevierd zou hebben met christenen van allerlei kerkformatie.
Nu zal men zeggen: maar daar was een abnormale situatie. En men heeft natuurlijk gelijk.
Maar zouden we uit zulk een abnormale toestand niet iets kunnen leren? Bijvoorbeeld dat kerkelijke gescheidenheid maar betrekkelijk is?
Niet voor eeuwig zal ze bestaan. Of denkt iemand, dat we op een nieuwe aarde ook in vakjes naast elkaar zullen leven? In verschillende afdelingen? Wie dat geloven mag, ik doe het niet. Die bestaande gescheidenheden behoren bij de gebrokenheid van dit leven en deze bedeling.
Zou die "abnormale" toestand eigenlijk niet normaal moeten zijn? Dat ik daarmee niet pleit voor één organisatorisch een institutionele eenheid zal voor de lezers wel duidelijk zijn.
Maar voor een eenheid naar Efeze 4 zou ik toch wel willen pleiten.
De moeilijkheid zal bij deze tekst voor velen wel liggen in dat "één geloof". Wat men dan verstaat als één geloofsbelijdenis. En dan wil men liefst ook nog een éénheid tot aan "tittel en jota" toe. D.w.z. men wil eigenlijk instemming met elke paragraaf en uitdrukking. Zulk een eenheid is m.i. niet te zoeken, maar ook in werkelijkheid niet te vinden. De gelovigen hoeven het niet in alles eens te zijn. Om toch één te kunnen zijn in Christus. Zulk een eenheid is er wel degelijk over de kerkmuren of door de kerkmuren heen. Alle gelovigen in één plaats kunnen in de regel niet in één kerkgebouw. En de historie bewijst dat ze ook moeilijk bijeen te houden zijn in één kerkelijk verband. Als de christenen weer uit het kamp gekomen zijn voegen zij zich weer bij eigen gemeenschap .
Maar ze hebben toch wel geleerd om voorzichtig te zijn met het oordelen over en het veroordelen van broeders en zusters van een ander kerkelijke gemeenschap. Dat heb ik tenminste wel geleerd.
Toen ik in de gemeente terugkwam was het nog volop oorlog. Het was in de loop van 1944. De synode van '44-'46 was maar aan het vergaderen.
Wij kregen waarschijnlijk verschillende rapporten en besluiten wel onder ogen. Maar konden er door de oorlogsomstandigheden weinig aandacht aan schenken. Na het bombardement van Arnhem en de oorlogshandelingen in de omgeving van die stad kwamen de évacuées om onderdak vragen. En we hadden daarmee de handen vol. Later kwam daarbij de hongeroptochten.
V. lag juist tussen Amersfoort en Apeldoorn in. Er kwamen elke avond tientallen, soms honderd en meer om één nacht onderdak vragen. Een paar schoollokalen - één voor mannen en één voor vrouwen - werden ingericht als slaaplokalen. Voor mensen van middelbare jaren en jongeren. Voor ouden-vandagen en moeders met kleine kinderen soms moest onderdak worden gezocht bij de burgers.
Dat gelukte meestal wel. Maar 0, wat ging dat soms moeilijk. De "herbergzaamheid" was niet bij allen even groot. In die tijd kwam het verschil tussen de mensen wel uit. Ook wel tussen leden van een kerk. Ik heb toen wel eens gedacht aan de waarheid van de spreuk: "die het zijn zijn het niet, maar die het niet zijn die zijn het". Vele eersten bleken de laatsten en vele laatsten de eersten. Daar zou ik veel voorbeelden van kunnen noemen. Wat ik vanzelf niet zal doen.
Waarom ik deze toestanden dan verhaal? Om duidelijk te maken, dat wij in zulk een tijd wel wat anders te doen hadden dan ons met synodale rapporten en besluiten bezig te houden. Er waren ook toen wel broeders (of er ook zusters bij waren weet ik niet) die zich druk maakten over de kwesties, die toen aan de orde waren.
Maar over het algemeen leefden die problemen in ons midden niet. Dat we op de kerkeraad ooit hebben afgesproken, dat we de betreffende zaken zouden laten rusten, herinner ik mij niet.
Maar praktisch bestond er een soort godsvrede.
Geen van allen had dunkt mij lust om in zulk een tijd over de bestaande geschillen te twisten.
Het ware wel te wensen geweest denk ik als de synode ook maar op tijd naar huis was gegaan.
Mogelijk was het met de geschiedenis van de geref. kerken anders en beter gegaan dan nu het geval is. Maar gedane zaken nemen geen keer.
En wc kunnen de tijd niet terug draaien. Na het kamp ben ik met ds Dondorp bij de voorzitter van de synode geweest om hem te bezweren niet te schorsen of af te zetten. Het mocht niet baten. Tot D.V. een volgende keer.