De mondige gemeente (2)
1981-04-10
Mondig in geestelijk opzicht- Jaargang 25
- nummer 14
In het vorige artikel, waarin we hoofdzakelijk letten op Gal. 3 en 4 was sprake van de mondigheid van de gemeente in heilshistorisch opzicht.
Zij betrof de plaats van de gelovigen tin de bedeling van het Nieuwe Verbond of om een woord uit de oude dogmatieken te gebruiken, hun 'staat' voor God. Paulus benadert deze mondigheid zoals we zagen dan ook vanuit het juridisch beeld van de erfgenaam, die nog een kind is en daarom onder voogdij staat. Het kind is nog niet vrij en kan nog niet zelfstandig beschikken over zijn eigendom. Het nieuwe verbond brengt door het geloof in Christus in dit opzicht vrijheid, de vrijheid van volwassen zonen.
We gaan nu een ander, hoewel daarvan niet losstaand aspect van de mondigheid in het oog vatten.
In het kopje spreek ik van 'mondigheid in geestelijk opzicht'. De terminologie is gebrekkig, ik weet het, maar de bedoeling zal wel duidelijk worden.
Ik ga even uit van het beeld van Paulus, van het kind, dat nog niet vrij over de erfenis kan beschikken.
Dat mag het pas volgens het testament van de vader op een bepaalde leeftijd. Dan houdt de voogdij op, het kind is volwassen geworden en krijgt alle voorrechten van de volwassen erfgenaam. Maar is het ook niet slechts naar zijn leeftijd gerekend, volwassen, maar ook in geestelijk oplicht? Kan het zijn vrijheid aan? Zal het goed met zijn erfenis omgaan? Of is het geestelijk in de kinderschoenen blijven steken? We raken hier een ander aspect van de mondigheid.
Hoe staat het nu in dit opzicht met de gelovigen, die in de vrijheid van volwassen zonen zijn gesteld? Hun positie is duidelijk, hun staat onbetwistbaar.
Het Oude Verband, dat hen in knechtschap hield, heeft met Christus' komst en werk zijn dienstgedaan en heeft opgehouden te bestaan. Beantwoordt daaraan nu bij de gelovigen een innerlijke, geestelijke volwassenheid? Hebben ze voldoende geloofsinzicht om hun volwassenheid 'waar' te maken?
Een belangrijke vraag! Nee, zegt de Roomse kerk: ze moeten zich aan de kerk houden, aan de paus en zijn priesters, want dàt is de kerk wezenlijk, althans in het zichtbare.
Wat deze in de priesterschap geconcentreerde kerk leert en beveelt, is heilig en moet gehoorzaamd worden.
Nu de gedachte van de, in zuiver psychologisch opzicht gedachte, mondigheid alom in de wereld de geesten beheerst - vgl. het eerste artikel - en ook haar invloed laat gelden onder de kerkleden, krijgt de Roomse kerk het met haar leer moeilijk. Haar leer past niet meer in de moderne tijd en vele stemmen laten zich horen, die vragen om een eigen inbreng, om het gehoord worden van de 'leken'. En de paus maar aan het koorddansen, om niet ouderwets te lijken en toch de teugels in handen te houden.
Maar wat zegt de Schrift ons hier nu van?
Als we daar over nadenken, komt allereerst de eerste brief van Johannes op onze weg en wel hoofdstuk 2, waar we onder andere lezen: Gij echter hebt een zalving van de Heilige en ge weet dat allen, vers 20. De tekst staat niet helemaal vast. Het woordje 'dat' staat niet in het Grieks en laten we 'dus maar weg. Maar sommige tekstgetuigen hebben: en ge weet alles. Dit zijn zelfs de meesten, al zegt dat nog niet alles. Anderen hebben: en ge weet allen. De keuze is erg moeilijk, maar het blijkt uit het hele verband wei dat Johannes bij dit 'weten' niemand in de gemeente uitsluit.
In zoverre kan de lezing: en ge weet allen, op geen bezwaar stuiten.
Hetzelfde geldt trouwens van de lezing: en ge weet alles. Terecht merkt prof. Greijdanus hiervan op, dat met dit 'alles' toch geen alwetendheid zou zijn aangegeven, maar dat het moet verstaan worden in verband met hetgeen waarover hier gehandeld wordt, de kennis van Gods openbaring in Christus.
Aile gemeenteleden weten dat Jezus de eeuwige Zoon van God is,' dat Hij de Christus, de Zaligmaker is. Dat weten ze door de zalving met de Heilige Geest, die hun inzicht heeft gegeven in dit heilsmysterie en bun verstand heeft verlicht.
Daarom onderkennen ze de leugen van de dwaalleraars van hun dagen, de anti-christen, die loochenen dat Jezus de Christus is. Zij loochenen de Vader en de Zoon, vers 22.
In verband met deze zalving met de Heilige Geest schrijft Johannes ook de bekende woorden: Ik heb u niet geschreven omdat gij de waarheid niet weet, maar omdat ge haar weet, vers 21, waarmee hij een appèl doet op het geloofsinzicht van zijn lezers om hen op te wekken tegenover de leugen van de antichrist vast te 'houden aan de waarheid. In dezelfde lijn ligt ook dat andere bekende woord: De zalving, die ge van Hem ontvangen hebt blijft op u en ge hebt niet van node, dat iemand u lere, vers 27. Ook dit 'woord moeten we niet lezen als een niet nader bepaalde, algemene dogmatische uitspraak, maar in het verband, waarin het geschreven is, als een concreet woord. Ze - dat zijn de lezers van zijn brief - hebben geen behoefte aan leraars, die hun nieuwe dingen leren met betrekking tot Jezus als de Christus, want daar weten ze 'alles' van. Ze hebben daarvan genoeg gehoord van de trouwe leraars van het evangeliën hebben geen dwaalleraars nodig! Johannes waarschuwt hier tegen de dwaalleraars, die een soort van gnostieken waren, die met een diepere ,verborgen waarheid kwamen aandragen, met een hogere kennis, die echter in strijd was met het overgeleverde evangelie. Deze mensen beriepen zich vermoedelijk ook op een zalving, een hogere, waardoor ze ingewijd waren in een kennis die dieper was dan de gewone kennis van het evangelie.
Daarom zal Johannes gezegd hebben tot zijn lezers: Gij hebt de zalving van de Heilige, van Christus zèlf!
Hier is dus in elk geval sprake van de mondigheid van de gemeente door de zalving met de Geest, van een geestelijke mondigheid, waardoor ze ook innerlijk 'volwassen' is.
Daardoor kan ze de dwaalleer afwijzen en de leugenleer onderkennen.
Wel moeten we hierbij bedenken dat het gaat om de essentie van het Evangelie, om het hart ervan, dat Jezus de Christus is, de Zaligmaker, want hiervan is in het gehele verband sprake. Maar dit geldt dan niet alleen de eerste lezers van deze brief, maar alle gelovigen, ook van later tijd. Want ze zijn door het geloof met Christus gezalfd en ze hebben aan allerlei dwaalleer met betrekking tot Jezus als de Zaligmaker geen enkele boodschap.
Maar ook voor hen geldt: wat gij van den beginne gehoord hebt, moet in u blijven, vers 24.
Mondigheid is geen volmaaktheid
Het is dus een geweldig ding wat we van de gelovigen in de gemeente van Christus lezen. Ze hebben mogen komen tot een geestelijke volwassenheid, waardoor het evangelie in hun binnenste is doorgedrongen en ze een vaste kennis hebben voor wat het hart van de waarheid van het evangelie betreft. Maar dit houdt toch geen volmaaktheid in het kennen in, Er is mogelijkheid tot het dieper ingroeien in de kennis van deze waarheid en van haar alles omvattende betekenis. Alleen is daarbij uitgesloten het te luisteren leggen van het oor naar nieuwe, andere dingen. Maar het dieper groeien in die waarheid ontkent Johannes niet, waarom zou hij anders nog zoveel leerzaams verder in zijn brief geschreven hebben?
Bij Paulus vinden we daarvan zelfs uitdrukkelijk sprake, bijvoorbeeld wanneer hij spreekt over de 'volmaaktheid' en de 'volmaakten'.
Meermalen betekent het dan door Paulus in het Grieks gebruikte woord voor 'volmaakt' ongeveer hetzelfde als bij ons het woord 'volwassen'. Zo maakt hij ergens de tegenstelling tussen 'kinderen in het verstand' en 'in het verstand volwassenen', 1 Cor. 14: 12. Hij gebruikt dit woord ook in Hl. 3: 15: Laten wij dan allen, die volmaakt zijn, aldus gezind zijn. Hier betekent 'volmaakt' tot geestelijke rijpheid gekomen zijn. Maar dit houdt toch niet in reeds op het toppunt van geloof en kennis gekomen zijn, want dat is hier op aarde uitgesloten.
In hetzelfde Schriftgedeelte ontkent de apostel dat hij reeds volmaakt zou zijn, vers 12. En hij wil daarmee zeggen dat 'hij nog niet het einddoel van zijn leven in strijd en worsteling' heeft bereikt en dit betrekt hij dan op alles, wat hier te noemen valt. Hij is nog niet gekomen tot de opstanding uit de doden, maar ook nog niet tot de volle kennis van Christus en de kracht van Zijn opstanding. Het is duidelijk, dat hij hier niet een puur verstandelijke kennis op het oog heeft, maar de geloofskennis, die zich in heel het leven uitwerkten een geestelijke kracht is, vers 10. Trouwens in het ons allen bekende hoofdstuk van de liefde, 1 Cor. 13, zegt hij wel dat hij de onmondigheid heeft afgelegd - wat kinderlijk is - en een man geworden is, tot geestelijke volwassenheid is gekomen, maar toch erkent hij dat hij nog ónvolkomen kent, vers 11 en 12.
En dit is natuurlijk met de gehele gemeente het geval, met alle gelovigen.
Zij kennen nog onvolkomen, ook al zijn ze 'man' geworden en hebben ze het kinderlijke, het onvolwassene afgelegd. Maar ze1fs dit laatste is nog maar ten dele het geval met de gemeenten. De volle rijpheid, de volle geestelijke volwassenheid blijft om zo te zeggen een ideaal, dat nagejaagd moet worden.
Daarvan zegt Paulus dat hij het nog niet gegrepen heeft, maar er naar jaagt of hij het ook grijpen mocht, Filip. 3 : 12. En hij tekent dit ook als het doel van alle ambtelijke dienst in de gemeente. Hij doet dat in het bekende hoofdstuk Ef. 4.
Daar schrijft hij dat de Here Christus zowel apostelen als profeten gegeven heeft, zowel evangelisten als herders om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus, totdat wij allen de eenheid van het geloof en van de volle kennis van de Zoon van God bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus, vers 13.
Dit vers heeft een opmerkelijk vervolg, dat ons opnieuw midden in de kwestie zet waarmee we ons bezig houden. De Nieuwe Vertaling laat ons het volgende lezen: dan zijn we niet meer onmondig, op en neder, heen en weer geslingerd onder invloed van allerlei wind van leer. In het oorspronkelijke wordt hier het dóél van het voorafgaande aangegeven: opdat wij niet meer onmondig zouden zijn, zonder een vast oordeel. Dit doel wordt bereikt in het komen tot de 'mannelijke rijpheid' tengevolge van de dienst van de ambtsdragers, die Christus daartoe aan zijn gemeente heeft gegeven. Aanvankelijk, bij de eerste prediking en het pas gelovig geworden zijn is er, 210 is Paulus' bedoeling, nog veelszins de toestand van onmondigheid, onvolwassenheid, maar die moet plaats maken voor de mondigheid door de ambtelijke dienst in de gemeente. Nu mag ik denkt ik toch wel een dogmatische conclusie trekken: de zalving met de Geest, waarover Johannes sprak, en op grond waarvan hij tot zijn 'lezers heeft gezegd dat zij allen 'wisten', moet blijkbaar in verband gezien worden met de doorgaande prediking van het evangelie; door de 'combinatie' van Woord en Geest wordt de toestand van het mondig zijn, van het 'weten' bereikt.
Intussen, de gemeente kan ook op schuldige wijze in de kinderschoenen blijven steken of ook daarin terugvallen, omdat zij traag is geworden in het horen, Hebr. 5: 11.
Want hoewel jullie naar de tijd gerekend leraars behoorden te zijn, hebben jullie weer nodig dat men jullie de eerste beginselen van de uitspraken Gods leert en jullie hebben nog melk nodig en geen vaste spijs, schrijft de auteur van de brief aan de Hebreeën op ongezouten manier. Het beeld dat hij gebruikt is duidelijk. Wat in het natuurlijke leven geldt ten aanzien van babies past hij toe op de gemeente. Paulus gebruikt ditzelfde beeld in 1 Cor. 3.
Ik sprak tot u, schrijft hij daar aan de gemeente van Corinthe, als tot 'onmondigen' in Christus. Melk heb ik u gegeven, geen vast voedsel, want dat konden jullie niet verdragen.
Ja, dat kunnen jullie ook nu nog niet. En in de brief aan de Hebreeën èn in dit deel van de brief aan de Corinthische gemeente slaat deze onmondigheid niet louter op het verstandelijke weten, maar op de gehele geestelijke houding van de gemeente. In Corinthe was wel veel 'kennis', maar jullie zijn nog 'vleselijk' zegt de apostel en het ontbreekt de Hebreeën 'Onder meer aan volharding en vrijmoedigheid.
Tot de 'vleselijkheid' van de Corinthiërs behoorde onder meer dat ze nog maar weinig ver waren gekomen op het pad van de ootmoed, dat ze op elkaar neerzagen en te weinig in de liefde waren gevorderd.
Op wat voor manieren kan een gemeente de kinderschoenen toch wel nog niet (geheel) ontgroeid zijn!
De 'staat' van de gemeente van het Nieuwe Testament is geweldig rijk vergeleken met de gemeente van het Oude Verbond; het heil dat God haar geven wil door Woord en Geest is wonderlijk groot, de toestand van de gemeente beantwoordt daaraan echter niet altijd. En dan zijn er in de gemeente bovendien vaak verschillen. Er zijn altijd de jongeren, die nog meer moeten groeien dan ouderen, ouderen, die achter blijven door traagheid in het horen en leven uit de Geest. En we moeten allemaal altijd nog groeien tot meerdere volwassenheid, tot de mannelijke rijpheid, tot om met Paulus nu voor de laatste keer te spreken, de maat van de wasdom der volheid in Christus.
Over de praktische konsekwenties van dit alles de volgende keer D.V.
Dat zal dan tegelijk het laatste artikel over dit thema zijn.