Dichters over hun ouders (4)
1981-04-10
Dit keer is René de Clercq, zoals gezegd, aan de beurt. Het is dus weer een V1aamse dichter, maar hij is toch heel anders dan Gezelle. Deze schrijver en dichter werd 14 november 1877 te Deerlijk geboren. Hij was een boerenzoon, dat merkt U wel uit het eerste gedicht, maar hij is z'n vader niet opgevolgd. Nee, op z'n 14de jaar zat hij al op het Priestercollege.- Jaargang 25
- nummer 14
Toch scheen hij daar niet bepaald op de goede plaats te zijn, want op z'n 19de jaar moest hij er verdwijnen. Hij heeft daarna in Gent gestudeerd in de letteren en werd na afloop van zijn studie leraar te Nijvel en daarna te Gent, aan het Koninklijk Athenaeum, Zijn boerenafkomst heeft hem toch wel veel gedaan. Dat blijkt wel heel duidelijk uit het hier volgend gedicht.
Ik ben van den buiten
Ik kreeg van mijn ouders,
Van ieder mijn part;
Van vader mijn schouders,
Van moeder mijn hart.
Ik vocht om mijn stuiten
Met zuster en broer;
Ik ben van den buiten,
Ik ben van den boer!
Bij d'eigensten pachter,
Eerst koeier, dan knecht:
Mijn klakke van achter,
Mijn hoofd immer recht;
Zoo dien 'k om mijn duiten,
En teer op mijn toer;
Ik ben van den buiten,
Ik ben van den boer!
Ik zout en ik zaaie,
Ik eg en ik ploeg;
Ik mest en ik maaie,
Ik zweet en ik zwoeg.
Ik klets op de kluiten
Englets in de moer;
Ik ben van den buiten,
Ik ben van den boer!
En hebben de zeisens
Gezinderezint;
De malende meisens
De wagens gepint;
Dan zit ik te fluiten
Van boven op 't voer;
Ik ben van den buiten,
Ik ben van den boer!
U bemerkt het wel, hij is een mens die aan z'n ouders veel te danken heeft.
Z'n doorzettingsvermogen kreeg hij van z'n vader, z'n gevoeligheid erfde hij van z'n moeder.
In het gezin ging het gezellig toe. Aan tafel werd er nog wel eens wat herrie geschopt. Hij vocht er om z'n stuiten, dat zijn z'n boterhammen. Nu, een beetje ruzie aan tafel kan in een gezond gezin best eens leuk zijn.
Als hij bij de pachter, waar ook z'n vader werkt, wat hulpdiensten gaat verrichten, wordt hij eerst koeier. Hij verzorgt dan het vee. Later wordt hij echt knecht, wat, in zijn geval, wil zeggen dat hij dan ook het andere werk mag doen. Nu, hij doet het met plezier. Z'n klakke (z'n pet) naar achteren geschoven, maar z'n hoofd fier rechtop.
Zouten en zaaien, eggen en ploegen, kluiten stukslaan en uitglijden in de modder.
En als de zeisen hun werk hebben gedaan ... hebben gezinderezint, zegt de dichter en dat is veel mooier gezegd, want daarin hoor je iets van het geluid dat de zeis maakt bij het maaien ... en onder elkaar giechelende meisjes de wagens hebben geladen, dan gaat hij, boven op het voer zittend, al fluitend met de wagen op pad.
In dezelfde bundel, die de titel "VERZEN" draagt wordt ook de moederliefde bezongen. 't Gaat dan niet over de moeder van de dichter, maar over de moeder van zijn kind, z'n vrouw dus. 't Hoort dus in deze serie niet thuis, maar een dichterlijke vrijheid moet U me echt toestaan, want het is een bekend gedicht dat, vroeger althans, veel gezongen werd.
Moederke alleen
Wie zal er ons kindeke douwen
En doet het zijn moederke niet?
Wie zal er zijn dekentjes vouwen,
Dat 't schaarsch door een holleke ziet?
Kleine, kleine,
Moederke alleen,
Douw-douw-douwderideine,
Kleine, kleine,
Moederke alleen,
Kan van uw wiegske niet scheën.
Wie zal naar ons kindeke kijken,
Dien bleuzenden stouten kapoen?
Wie zal er zijn hemdelkes strijken,
Zijn haarken in krullekes doen?
Kîeine, kleine,
Moederke alleen,
Douw-douw-douwderideine,
Kleine, kleine,
Moederke alleen,
Kan van uw wiegske niet scheën.
Wie zou voor ons kindeke derven
Haar laatste kruimelke brood?
Wie zou er, wie zou er voor sterven
En lachen op kind en op dood?
Kleine, kleine,
Moederke alleen,
Douw-douw-douwderideine,
Kleine, kleine,
Moederke alleen,
Kan van uw wiegske niet scheën.
Een eenvoudig klankrijk gedicht, dat maar weinig aantekeningen behoeft.
De uitdrukking "ons kindeke douwen" is voor ons wat vreemd. Zij betekent: een kind al zingend in slaap wiegen.
Het woord kapoen is ook typisch zuid-nederlands. Wij gebruiken daarvoor het woord "deugniet" of "schalk". Nu, met deze paar opmerkingen is het gedicht wel duidelijk Tot zover dan, een volgend maal D.V. luisteren we naar de dichteres Ida Gerhardt.