Opvoeding
1981-04-10
Een oude broeder vertelde me een aantal jaren geleden eens, dat hij pijnlijk getroffen was door de opmerking van een dominee. Bij het belijdenisdoen voor God en Zijn gemeente van een van zijn kinderen sprak die dominee in het dankgebed over de weg van de christelijke opvoeding, waarlangs zijn kind o.a. tot dat bewuste kiezen voor God was gekomen. En toen moest die broeder opeens aan zijn eigen kinderen denken. Een deel van hen vervreemdde van God, terwijl ook hij oprecht had geprobeerd om hen voor hun leven iets mee te geven van wat de bijbel ons geeft. Het ging echter anders dan hij verwachtte.- Jaargang 25
- nummer 14
En daar hadden hij en zijn vrouw veel verdriet om gehad.
Ik heb die broeder toen gezegd, dat die dominee de plank aardig (beter: onaardig) mis had geslagen. Die dominee mocht best blij en dankbaar zijn, dat één van zijn kinderen zijn geloof beleed, maar op die christelijke opvoeding had hij - zeker nu het één van zijn eigen kinderen betrof - maar niet zo de nadruk moeten leggen.
't Leek me goed dit verhaal eens door te geven. Want ook vandaag worstelen veel ouders met het probleem, dat hun kinderen anders denken dan zij.
Ook Isaäk zal daar wel mee geworsteld hebben. Jakob en Ezau kregen dezelfde opvoeding, maar de één geloofde en de ander niet. En als Jakob sterven gaat en hij zijn zonen bij zich roept, wordt wel duidelijk, dat er bij die kinderen veel verschillen waren. Jakob gaat all es nog eens in vogelvlucht na. Hij roemt niet in wat goed ging. Hij klaagt niet over wat verkeerd ging, maar midden in zijn laatste toespraak (Deut. 49) zegt hij: "Op Uw heil wacht ik, 0 HERE." (vers 18).
In een andere vertaling staat: "Op Uw redding hoop ik, Jahwe."
Op Uw redding.
Daarop hoopt hij, voor zich zelf en voor zijn kinderen.
Dát moeten we allemaal - die oude broeder, maar ook die dominee Jakob maar nazeggen.
Op Uw redding!
Niet: op ons opvoeden.
Op Uw redding!
Niet: op ons werken.
Aan deze eenvoudige waarheid had die dominee moeten denken.
Want zijn manier van opvoeden was waarschijnlijk geen haar beter dan die van die oude broeder.
Niet ons, 0 Heer, niet ons, Uw Naam alleen zij om Uw trouwen goedertierenheid alle eer en roem gegeven ...
Als onze kinderen bij het ouder worden de Here blijven vrezen, moeten we maar stil zijn.
Stil zijn, omdat God doet wat Hem behaagt.
Stil zijn en zó danken.
Natuurlijk is een christelijke opvoeding van veel belang. Maar als we onze kinderen leren bidden, leren bijbel-lezen, Ieren vragen-naar Gods-wil, dan moeten we daar maar niet groot van denken, daar niet op vertrouwen, niet te veel verwachten van ons aandeel in dat alles.
Want ons geloven is onvolkomen.
En ons gelovig-leven nog onvolkomener.
Wij maken fouten.
Wij vergissen ons.
En ondanks al dat geklungel van ons wil God redden.
Niet ouders brengen hun kinderen tot leven. De Geest maakt levend (Joh. 6 : 63).
Niemand kan tot de Here Jezus komen, als het hem of haar niet door de Vader gegeven is (Joh. 6 : 65).
Een Hervormde dominee zei het pas eens zó tot me: "Als de kinderen klein zijn, spreken de ouders met hun kinderen over God. Als de kinderen groot zijn geworden, spreken de ouders met God over hun kinderen."
Als het eerste niet meer kan, blijft het laatste altijd mogelijk. Dat is een grote troost, voor die oude broeder die dit stukje wel lezen zal.
En voor vele anderen.
Het zei ook een les, voor die dominee die terloops misschien deze regels ook leest. En voor allen, die geneigd zijn te roemen in iets van zich zelf.
En wie roemen wil, roeme in God.