Doop en besnijdenis (3)
1981-04-24
We waren bezig te letten op de overeenkomst in het spreken van de bijbel over de besnijdenis en doop door Rom. 2 : 28, 29 te vergelijken met 1 Petr. 3 : 21.- Jaargang 25
- nummer 16
In tijdsorde gerekend ging in Israël de besnijdenis-naar-het-vlees, het teken van Gods verbond, vooraf aan de besnijdenis-van-het-hart, de zaak die in het teken werd voorgesteld (in de leer over de sacramenten spreken we dan van be-teken-de zaak). Die voorafgaande besnijdenis mocht heten: een zegel van de gerechtigheid des geloofs (Rom. 4: 11). Abraham geloofde eerst, werd daarna besneden.
Zijn nakomelingen krijgen het teken vanaf hun geboorte mee: uit en door die besnijdenis moeten ze leren wandelen in het voetspoor van het geloof van hun vader Abraham (Rom.. 4 : 12).
Leggen we nu naast de woorden uit Rom.. 2 : 28 en 29 die van 1 Petr. 3: 21, dan zien we een dubbele overeenkomst, Paulus zegt van de ware besnijdenis: ze is niet dat, wat uiterlijk aan het vlees geschiedt.
Petrus zegt van de doop: ze is niet een afleggen van de onreinheid van het lichaam.
Paulus zegt: de ware besnijdenis is die van het hart, naar de geest, niet naar de letter.
Petrus zegt: de doop is de bede van (mogelijk beter: om) een goed geweten tot God.
Er zijn verschillen tussen de teksten; aan de uitleg van Petrus' woorden zijn nogal wat moeilijkheden verbonden, vooral wat het woord "bede" betreft, omdat het griekse woord dat zo vertaald is, maar éénmaal in het nieuwe testament voorkomt, Maar de overeenkomst waar het nu om gaat is duidelijk: zowel bij de besnijdenis als bij de doop is.
sprake van tweeërlei: een uiterlijk teken en een innerlijke gave. Op die laatste komt het aan. Daarnaar wordt, zowel in de oude als in de nieuwe bedeling, door een uiterlijk teken verwezen.
In het spreken van het O.T. over het uiterlijk teken wordt dat teken soms genoemd alsof het de innerlijke zaak zelf is, met name wanneer in Gen. 17 de besnijdenis heet: Mijn verbond. Er is geen reden om aan te nemen dat het nieuwtestamentische spreken over de doop nu anders zou zijn, zodat (om maar een voorbeeld te nemen) de benaming van de doop als "bad der wedergeboorte" in Titus 3: 5 zou moeten leiden tot de conclusie dat het tijdstip van ontvangst van het uiterlijk teken zou moeten samenvallen met dat van de ontvangst van de innerlijke gave, of dat gave en teken samenvallen. Wie die twee laat samenvallen moet wel terechtkomen bij de klassiek-roomse leer dat de doop noodzakelijk is tot behoud.
Wanneer de gedachtengang van samenvallen van uiterlijk teken en innerlijke gave consequent zou worden toegepast, zou ze t.a.v. het avondmaal ook kmoeten leiden tot de roomse en lutherse gedachte van de wezensverandering van brood en wijn in lichaam en bloed van Christus of de lichamelijke aanwezigheid van de Heiland in de tekenen. Er staat immers zo duidelijk - en van roomse zowel als lutherse zijde werd daar met nadruk op gewezen -: dit is Mijn lichaam, dit is Mijn bloed. Even duidelijk als t.a.v. de doop geschreven staat: ze is het bad der wedergeboorte, of een begraven en gestorven zijn met Christus. Voorzover mij bekend, wordt door de voorstanders van een doop-op-geloof, wier spreken over de doop wel sterk de indruk maakt van een gelijkstellen van uiterlijk teken met innerlijke gave, althans van de ontvangst van beide, deze consequentie t.a.v. het avondmaal niet getrokken, Het gaat bij het denken over deze dingen om het verstaan van het bijbels spreken "naar de aard en eigenschap van de sacramenten", zoals de catechismus dat noemt in zondag 29, antw. 78.
Behalve deze overeenkomst in "sacramentele" spreekwijze over besnijdenis en doop, is er ook een overeenkomst in déze betekenis, dat beide een plaats geven in de gemeenschap tussen de HERE en Zijn volk, een plaats in Zijn verbond.
Van de besnijdenis is dat zonder meer duidelijk.
Tevens is duidelijk, dat de tijd waarin Abrahams kinderen besneden moeten worden, voorbij is. De brief aan de Galaten spreekt daarover duidelijke taal. En in Hand. 16 : 3 lezen we, dat Paulus Timotheüs besneed terwille van de Joden - niet, omdat het nog volgens bevel van de HERE gebeuren moest.
Nu gaat het ook in de doop om een horen bij God. Dat blijkt uit het doopbevel uit Matth. 28 : 19, met name in de woorden "in de naam van". Die woorden betekenen niet, wat ze in onze nederlandse taal wel betekenen: "in opdracht van" of "op gezag van", zoals bij ons gesproken kan worden "in naam der wet", "in naam des konings", De bijbelse uitdrukking "in de naam van" heeft deze betekenis, dat een verbinding wordt gelegd tussen de dopeling en de naam van de HERE.
Volgens sommige uitleggers is de term "in de naam van"
ontleend aan de griekse handelswereld. Ook toen bestond een bank-giroverkeer. Een bedrag kon van de ene rekening (naam) op de andere worden overgeschreven. Zo zou wie gedoopt werd, worden bijgeschreven op de rekening van God of van Christus en Zijn eigendom zijn.
Deze verklaring heeft dit aantrekkelijke, dat ze vrij duidelijk en op een ook voor mensen van deze tijd begrijpelijke manier, omschrijft wat het betekent naar de naam van God toe gedoopt te worden. Toch zal het wel minder juist zijn, de achtergrond van een nieuwtestamentische uitdrukking te zoeken in het griekse handelsverkeer.
Een andere groep uitleggers zoekt achtergrond van de uitdrukking "in de naam van" in Matth. 28 : 19 meer -. en het lijkt me terecht - in het oude testament. In de wereld van het oude testament is de geschreven naam, evenals het ingedrukte zegel, bewijs van eigendom. Als de "naam" op een of ander voorwerp geschreven is, is bekend wie de eigenaar is.
Zo zijn ook de "stammen, naar Gods Naam genoemd", het eigendom des HEREN.
Het lijkt erop, dat beide verklaringen op hetzelfde punt uitkomen, n.l. bij de betekenis: eigendom. Het verschil is, dat de oudtestamentische achtergrond aan dit woord "eigendom" een diepere betekenis geeft. De verbinding die de HERE legt tussen Zijn Naam en het volk Israël houdt meer in dan puur eigendomsrecht. Die verbinding is een relatie, vergelijkbaar .met de intiemste relatie tussen mensen: het huwelijk. Het is een relatie, waarin de HERE Zijn liefde en ontferming bewijst.
Heel duidelijk wordt dat in Ex. 3 en 6, de hoofdstukken waarin de HERE met Mozes spreekt over Zijn Naam.