Democratie
1981-04-24
Democratie of dictatuur- Jaargang 25
- nummer 16
Op de vraag of men democraat is, zal vrijwel elke Nederlander bevestigend antwoorden. We zijn immers allen vóór de democratie en tegen de dictatuur. Wanneer men echter meent, dat het gaat om de keus tussen democratie en dictatuur, versimpelt men de zaak toch wel wat. Er zijn meer mogelijkheden.
Reeds de griek Polybios, die circa 200 jaar v. Chr. leefde, kent de volgende regeringsvormen: absolute monarchie, tyrannie, aristocratie, oligarchie, democratie, ochlocratie (regering van de onderste lagen van het volk).
Dit aantal is nog met verschillende te vermeerderen. Anti-democraat zijn wil dus nog niet perse zeggen, dat men aanhanger is dan de dictatuur.
Het begrip democratie loopt gevaar een vage, weinig zeggende frase te worden. Vandaar, dat vrijwel niemand moeite heeft zich democraat te noemen. Ook de Sovjet Unie noemt zich een democratie, een volksdemocratie waarin de communistische partij van de Sovjet Unie de enige toegelaten partij is.
In feite ligt een volksdemocratie echter in de buurt van de dictatuur van enkelen. Het is meer een dictatoriale oligarchie, een vermenging dus van tyrannie en oligarchie.
Trouwens geen enkele regeringsvorm, ook de democratie niet, treedt in geheel onvermengde vorm op.
Democratie in humanistische zin
Ook wanneer wij deze surrogaat democratie uitgeschakeld hebben, blijft de vraag wat democratie eigenlijk is.
In de humanistisch georiënteerde partijen wordt democratie opgevat als de regering van het volk, voor het volk en door het volk.
De vrije burger is tegelijk subject en object van het overheidsgezag.
De afgevaardigden van het volk zijn in deze gedachtengang eigenlijk slechts mandatarissen van het volk.
Deze mandatarissen of afgevaardigden kunnen of zelf de regering vormen (de meest extreme vorm) of de regering aanwijzen. In dit systeem oefent de overheid haar gezag uit 'krachtens contract of overeenkomst met het volk.
Deze opvatting van democratie gaat dus uit van het beginsel der volkssouvereiniteit.
Het staatsgezag wordt ontleend aan de autonome mens. Het overheidsgezag wordt in de mens gefundeerd.
Partijen als de P.v.d.A., D66 en de V.V.D. hangen dit begrip democratie aan. Zij menen, dat deze democratie een middel is om de persoonlijke vrijheid te waarborgen.
Ten onrechte. Geen enkele regeringsvorm kan de materiële vrijheid waarborgen. Alleen gehoorzaamheid aan de door God gestelde orde kan deze waarborg geven.
Het is duidelijk, dat dit begrip democratie niet aanvaardbaar is voor hen, die Gods Woord als norm voor het politieke leven willen aanvaarden.
Democratie -Theocratie
Sluiten christendom en democratie elkaar dus uit?
Wanneer een interview van Elseviers Magazine met de heer Leerling, lijstaanvoerder van het R.P.F., juist is, zou deze menen dat christendom en democratie elkaar uitsluiten.
Democratie immers, zo stelde Leerling volgens Elsevier, betekent dat het volk regeert. Maar God regeert.
Hier worden dus democratie en theocratie tegenover elkaar geplaatst.
Ik vermoed echter, dat hier een misverstand in het spel is, omdat het R.P.F. zich in haar program duidelijk voor democratie uitspreekt.
Wel is het goed er op te letten, dat er tussen humanistisch georiënteerde en christelijke partijen een principieel verschil bestaat over het begrip democratie.
Het is naar christelijke opvatting niet de democratie, die het gezag uiteindelijk legitimeert. De overheid regeert naar christelijk democratische opvatting bij de gratie Gods.
Wij zijn voorstanders van een democratisch bestel. Niet omdat de wijsheid bij het volk is, maar omdat gezag in handen van weinigen gevaarlijk is. Democratie is voor ons niet een uiteindelijk ideaal, maar een onvolmaakt middel.
De Bijbel leert ons sceptisch tegenover de mens en de overheid te staan, omdat de mens van nature niet goed is.
In de democratie zijn verschillende machtscentra, die elkaar kunnen corrigeren.
Volksinvloed
Democratie betekent letterlijk volksregering, maar bedoeld wordt, dat het volk invloed, vaak zelfs overwegende invloed heeft op het regeringsbeleid en de rechten van het volk in de grondwet verzekerd zijn.
In een democratie wil men de absolute zelfstandigheid van het overheidsgezag aan banden leggen. De democratie is dan ook geboren in de strijd tegen het absolutisme van de vorsten.
Volksinvloed liet zich vroeger al gelden in de aristocratische regeringsvormen.
Calvijn gaf in zijn tijd daar de voorkeur aan. Voor zijn tijd was dat ook juist.
Thans laat zich de volksinvloed bij de op hoger peil staande volken gelden in een democratisch regeerbestel, waarbij de volksvertegenwoordiging meespreekt bij de wetgeving.
In ons land is de historische ontwikkeling zo geweest, dat door middel van de Staten-Generaal, aangewezen door het hele volk, de volksinvloed het meest effectief gemaakt kan worden.
Het is echter een dwaze zaak om bv. aan de jonge Afrikaanse landen een democratisch bestel naar westers voorbeeld op te leggen. Bij vele van die landen past een meer aristocratisch regeringsbestel beter.
Het "one man one vote" is niet overal het geneesmiddel om absolutisme tegen te gaan.
De volksinvloed in Israël
Reeds in het oude Israël was volksinvloed merkbaar. Daar kwamen de oudsten de belangen van het volk bepleiten. God had al voorschriften gegeven om streven naar tyrannie en machtsmisbruik te voorkomen.
Ook toen Israel een monarchie was (ik ga hier nu voorbij aan de bijzondere theocratische positie van deze monarchie) was er al in zekere zin sprake van een constitutionele monarchie (Deut. 17: 14-20).
Hierbij wordt aan de koningen van Israël verboden hun paarden, hun vrouwen en hun goud en zilver te vermenigvuldigen. Dus geen staand leger en geen dure hofhouding. De Here wil Israël beveiligen tegen despotisme. De koningen van Israël mogen de andere koningen niet imiteren noch wat betreft de uitoefening van een tyranniek bewind, noch door oplegging van te zware financiële lasten.
Bovendien wordt in Deut. 17 voorgeschreven, dat de rechten van de koning in een boek moeten worden opgeschreven. Hier werd de gezagssfeer van koning en volk dus afgebakend.
Terwijl alle volken zuchten onder het despotisme, wordt aan Israël een theocratisch constitutionele monarchie voorgeschreven.
De volksvertegenwoordiging als pleitbezorger
De volksinvloed maakt zich in deze tijd op een andere wijze geldend.
Het volk wijst nu zelf zijn vertegenwoordigers aan. Dèze vertegenwoordigers, bij ons Staten Generaal geheten (door Kuyper "de geconcentreerde natie" genoemd) bepleit de rechten en de belangen van het volk en werkt op deze wijze mee aan de regering van het land. Zo wordt ook in het oude A.R.-program gesproken over een krachtige volksinvloed op de overheid uit te oefenen door de Staten Generaal.
In deze formulering wordt de volksvertegenwoordiging in de lijn van dr. Kuyper nog gezien als alleen pleitbezorger bij de overheid.
De overheid maakt de wetten. De Staten Generaal heeft geen wetgevende macht.
Colijn had in feite dezelfde beschouwing als Kuyper. Beiden legden ook zeer de nadruk op de principiële dualiteit tussen Kroon en Staten Generaal.
Zij hadden er onvoldoende oog voor, dat de Staten Generaal met de regering verantwoordelijkheid draagt voor het bestuur van het land. Opvallend is, dat Fabius die gezamenlijke verantwoordelijkheid wel erkende.
Terecht heeft prof. dr. A. M. Donner erop gewezen, dat Kuyper in feite overheid met staat identificeerde.
Kuyper greep terug op de oude standenstaat, waarbij de standen tegenover de vorst stonden.
Staat is publiekrechtelijke gemeenschap van overheid en onderdanen
In de standenstaat vertegenwoordigden de standen hun speciale groepsbelangen. De vorst had hen nodig in financiële zaken.
Maar in onze moderne staat gaat het niet om de private belangen van de vorst aan de ene kant en die van de standen aan de andere kant. Het gaat om het gemeenschappelijk belang. Het gaat om de algemene, publieke zaak.
Regering en Staten Generaal zijn beide staatssorganen.
Deze gedachte is het duidelijkst verwoord in het basisprogram van het R.P.F. Daarin wordt gezegd: "aangezien de staat een publieke rechtsgemeenschap is van overheid en onderdanen, zijn de personen die met de uitoefening van overheidsbevoegdheden zijn belast in ons staatsbestel verantwoording schuldig aan de daartoe geroepen organen van volksvertegenwoordiging".
In deze formulering wordt aangeknoopt bij de omschrijving van prof. dr. H. Dooyeweerd, dat de nationale staat gezien moet worden als een publiekrechtelijke gemeenschap van overheid en onderdanen beide.
In de staat als "gemene best" staan overheid en volk niet tegenover elkaar, maar in een publiekrechtelijke gemeenschap met elkaar.
We mogen de overheid niet identificeren met de staat.
Niet de overheid alleen, maar overheid en onderdanen vormen tesamen het menselijk samenlevingsverband, dat wij staat noemen.
(wordt vervolgd)