Koning - leef in eeuwigheid!
1981-04-24
Uit de oudste historie van Egypte weten we, dat de farao's na hun dood werden gebalsemd en gemummificeerd. "Mummie" komt van een Arabisch woord, dat biturnen betekent. Het was de balsem, waarmee een dood lichaam gedroogd en houdbaar werd gemaakt. Het drogingsproces duurde zeven maal tien dagen; daar waren fysische, chemische en rituele 'werkzaamheden aan verbonden en het enige doel was: het lichaam voor onbepaalde tijd ("eeuwig") in stand te houden.- Jaargang 25
- nummer 16
Het geloof was namelijk, dat dit lichaam na de dood met de onstoffelijke persoonlijkheid, de ka, herenigd werd en zo eeuwig leven genoot. Vernietiging, ontbinding van het lichaam zou dat eeuwige leven beëindigen het ergste wat een farao kon overkomen.
Met het oog op dit "eeuwige leven" werden de overleden koning allerlei gebruiksvoorwerpen, spreuken, voedselvoorraden, offers, waardigheidstekenen en kostbaarheden meegegeven. Deze had de koning "nodig" om zijn roemrijk leven te kunnen voortzetten.
Zelfs werd, door de operatie van de "mondopening", een "wedergeboorte" van de overledene bewerkstelligd, waarna zijn "eeuwig leven" zich zou kunnen ontplooien.
Hier ziet u meteen de reden voor een piramidebouw. Een gewoon graf, met een steentje of een opschrift, kon de onaantastbaarheid van de overledene niet waarborgen. Het werd een groot graf, een enorm graf, tot de piramide van Cheops toe: 2.3 miljoen stenen van 2 1/2 ton elk, tot 150 meter hoog opgebouwd! Zelfs de toegang tot zulk een piramide werd geheim gehouden; er waren diverse valse toegangen, die grafrovers de moed moesten doen opgeven. En wel hebben latere hovelingen en gunstelingen zich eveneens zulk een kunstmatige onsterfelijkheid mogen aanmeten - maar voor het gewone volk was dat te mooi om waar te zijn.
Dat moest tevreden wezen met een natronbad van enkele weken; verder moest het hete woestijnzand maar voor een snelle uitdroging zorgen, waarna slechts de beste wensen overbleven.
In de praktijk betekende dit allerminst houdbaarheid, noch onsterfelijkheid - maar het volk was er tevreden mee. Als zijn koningen maar onsterfelijkheid genoten, deelde het in de eer.
Het heeft natuurlijk ook de farao's niet mogen baten. Reeds bij hun leven bestreden zij vurig de grafschenders van hun vaderen. De onvoorstelbare schatten, in de koningsgraven opgestapeld, trokken de rovers onweerstaanbaar aan en grafwachten waren omkoopbaar. De kostbare en archeologisch-waardevolle voorwerpen zijn illegaal verhandeld, de meeste het land uitgesmokkeld en - voorzover niet in de grote musea opgesteld verloren gegaan of in particulier bezit gekomen.
Het enige koningsgraf, dat vrijwel ongeschonden is geopend, is dat van Toet Anch Amon, welk graf na jaren van stelselmatig zoeken in 1922 is ontdekt. Het bevatte een schat, zoals zelfs niet vermoed werd. Het leeuwendeel hiervan staat in het museum te Cairo en het is beklemmend schoon om te zien. Daar staat bijvoorbeeld de schitterende gouden troon, 3300 jaren oud en onbegrijpelijk mooi ingelegd met edelstenen. Daar staat ook de "ivoren" toren, zo een als Salomo heeft gehad 1): een houten troonzetel, ingelegd met stukjes ivoor en ebbenhout. Daar staat ook de met goud beslagen strijdwagen van de farao.
Toet Anch Amon was gelegd in een nauwsluitende kist van massief goud.
Een kist van 1110.4 kilogram gewicht: naar de huidige goudwaarde een schat van veertig miljoen gulden. Om die kist waren twee houten, met goud beslagen, mummievormige kisten gebouwd. Daar omheen een stenen sarcofaag, die in het graf te Thebe is achtergebleven. De andere zijn, met de gouden "grafwachters" en afgodsbeelden, in Cairo geëxposeerd.
Als u deze oude schrijnwerkerskunst hebt gezien verstaat u ineens, hoe men Jozef, de onderkoning, "in een kist in Egypte heeft gelegd". 2) Wel gebalsemd, wel met koninklijke praal gekist - maar reisvaardig gehouden, niet in een piramide geborgen.
U begrijpt ook dat koningen, die lang regeerden en een leven lang aan hun later tehuis konden werken, nog veel groter schatten verzamelden.
Want Toet Anoh Amon was 18-19 jaar oud toen hij stierf, na een regering van negen jaar. Zijn graf was maar heel bescheiden: een trap van 16 treden, een voorportaaltje van 3 bij 8 meter en een grafkamer van 4 bij 6 meter; alles nauwelijks beneden de grond in een rots gehouwen. Wat moet dan de praalzieke Ramses II na 69 jaar regering niet hebben meegenomen!
En toch. Wanneer u de foto's van Ramses II beziet is dat een grote teleurstelling.
Een zielige, skeletachtige vogelkop met een haviksneus. De mummie van Toet Anch Amon is zelfs, vanwege de overvloedig gebruikte balsem, geheel verkoold. Van "houdbaarheid" der lichamen is dus geen sprake - en van het verhoopte eeuwige leven evenmin. Het is een koninklijke sof geworden. President Sadat heeft onlangs de mummies maar uit Caire's museum laten wegnemen; de farao's hadden recht op eeuwige rust, zei hij, en het bezoekersgedrang braoht die rust in gevaar.
Toen het volk Israël, door de Heere uit Egypte uitgeleid maar in zijn richters teleurgesteld, een koning wenste "als alle andere volken", moet het aan de "onsterfelijke Koning, 3) die van eeuwigheid tot eeuwigheid leeft en die de sleutels van leven en dood bewaart. Het koos voor een vergankelijke koning, waarvan het vooruit wist dat hij zijn vrouwen en paarden zou vermenigvuldigen, tienden en herediensten zou eisen, oorlogen voeren en het volk knechten. Het volk kreeg wat het wenste.
Maar zie nu de grote liefde, die God de Heere ons bewees: dat Hijzelf zich met de wereld verzoende, 4) dat Hijzelf in zijn Zoon de dood inging, teneinde óns de zo gewenste onvergankelijkheid 5) te geven! En dat op een zo gans andere manier dan de heidenen het zochten.
Want bij de Egyptenaren gold: als de koning maar eeuwig leeft mogen zijn onderdanen wel ondergaan in eeuwige vergetelheid. Bij Jezus Christus, Gods Zoon, gold de regel: het is goed dat één sterft opdat niet het hele volk verloren ga. 6) De dood van een farao bracht zijn volk op de rand van een afgrond. De dood van onze Heiland bracht redding voor deze wereld.
Een farao werd met pracht en praal in een koningsgraf bijgezet, dat een eeuwig monument betekende. Voor de Heiland werd haastig een nabij graf geléénd.
De farao's wisten vrijwel zeker, dat hun graf door rovers geschonden zou worden. Van de Heiland staat vast, dat het verhaal van de rovende discipelen als noodleugen verzonnen is.
De farao's werden gebalsemd, voordat zij werden bijgezet. Voor de Heiland kwam de balsem juist te laat.
De farao's beroofden hun volk en vaderen van schatten, om rijk te worden begraven. De Heiland nam alleen de liefde van de zijnen mee en werd met de overtreders gelijkgesteld in zijn dood.
De farao's hebben vurig naar het eeuwige leven verlangd, dat zij niet vonden.
De Heiland bleek de Vorst des levens, die door de dood niet kon worden vastgehouden.
De farao's regeerden over een verenigd koninkrijk met onderworpen gebieden.
De Heere Christus heeft een koninkrijk, dat niet van deze aarde is.
Geen farao heeft zijn lichaam kunnen behoeden tegen het bederf. Maar Gods Heilige heeft in het graf geen bederf gezien.
Gods wegen zijn anders dan onze wegen, zijn gedachten hoger dan de onze. 7) Wat voor de wereld dwaas is heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen. 8) De praalzieke farao's zijn ontoonbaar geworden. De Heiland is gezien als de zon in haar kracht, blinkend gekleed, met ogen als vuurvlammen, haren als sneeuw, voeten als koperbrons en zijn woord is als een zwaard. 9)
Wat zullen wij van deze dingen zeggen?
Christus is opgestaan, als eersteling van allen die ontslapen zijn. 10) Zoals allen in Adam zijn gestorven zullen allen in de tweede Adam weer levend worden. Al er geen eeuwig leven beloofd was, waren wij de ellendigsten van alle mensen, inslapend met een gedroomde toekomst. Maar onze verderfelijkheid wordt onverderfelijk gemaakt. Onze vergankelijkheid wordt onvergankelijkheid. Wat gezaaid wordt in zwakheid, oneer, wordt opgewekt in heerlijkheid.
Onze Koning leeft en ook zijn onderdanen zullen leven in eeuwigheid.
1) 1 Kon. 10: 18 - 2) Gen. 50: 26 - 3) 1 Sam. 8: 5, 7 - 4) 2 Cor. 5: 195) 1 Joh. 4: 14 - 6) Joh. 11 : 50 - 7) Jes. 55: 9 - 8) 1 Cor. 1: 27 - 9) Op. 1: 13 - 10) 1 Cor. 15.